PROFIEL MAGNUM

Geen eenheid, geen stijl

Dé Magnum-foto bestaat niet. De geschiedenis van het agentschap wordt gekenmerkt door pragmatisme.

Vorige maand maakte OnRequest Images, een bedrijf gespecialiseerd in branding, met onder andere T-Mobile en Manpower als klanten, bekend dat het een overeenkomst heeft gesloten met Magnum Photos. OnRequest Images zal het fotoagentschap wereldwijd gaan representeren met een exclusieve vertegenwoordiging in Noord-Amerika. Hiermee wil het bedrijf tegemoet komen aan een groeiende vraag naar commercieel beeldmateriaal in ‘de journalistieke stijl’.

Magnum en OnRequest: het lijkt een merkwaardige combinatie. De site van OnRequest is zo’n plastic paradijs waar de reclamewereld het patent op lijkt te hebben: een wereld in frisse kleuren waar de zon altijd schijnt, vol romantische paartjes, olijke kleuters en lethargisch glimlachende bejaarden. Je vraagt je af wat die te maken hebben met het werk van de grootste fotojournalisten van de afgelopen eeuw. Verkoopt Magnum haar ziel aan de duivel? Zetten ze hun principes bij het oud vuil?

Niet voor wie de geschiedenis van het agentschap kent. Die werd namelijk altijd al gedicteerd door lijfsbehoud en pragmatisme. Die tweeslachtigheid is het duidelijkst terug te vinden in de man die Magnum groot maakte: Robert Capa. Hij, geboren in 1913 als Endré Friedmann in Boedapest, werd op zijn zeventiende zijn geboorteland uitgezet wegens linkse sympathieën. Duitsland werd hem, als jood, te heet onder de voeten, en in Frankrijk kon hij als freelance fotograaf geen werk vinden, dus ging de jonge Friedmann op avontuur in Spanje, waar net de burgeroorlog was uitgebroken. Bij een avontuur hoort een nom de plume, en hij bedacht dat hij meer geld voor zijn foto’s zou kunnen vragen als hij zijn achtergrond als joodse émigré liet varen en zich voordeed als sterfotograaf ‘Robert Capa’. Vernoemd naar het Hongaarse woord voor haai, maar met de vertrouwde Amerikaanse associatie met de regisseur Frank Capra.

Medium magnum poster 1

Het verzinsel werd werkelijkheid: Capa werd de sterfotograaf die hij speelde. Hij maakte de bekendste oorlogsfoto’s van die tijd – de Vallende soldaat in Spanje en de landing op Omaha Beach op D-Day. Overal zat hij met zijn neus op de gebeurtenissen. ‘Als een foto niet goed is, dan ben je niet dichtbij genoeg’, luidde zijn bekende axioma. Lichtgewichtcamera’s maakten het mogelijk om dicht bij de troepen te komen en te tonen hoe het voelde om op het slagveld te staan. Bovendien werd kort daarvoor, in 1936, het tijdschrift Life opgericht – waarvan het eerste nummer 466.000 exemplaren verkocht – dat een dankbaar podium bood voor uitgebreide fotoreportages.

Bij de rol als sterfotograaf hoorde een passende bankrekening. Capa hield van gokken en drinken met zijn vriend John Steinbeck, van dure hotelsuites en indiscrete affaires, met onder anderen Ingrid Bergman. Hoe goed zijn foto’s ook waren, ze bleken niet toereikend om zijn onkosten te dekken. Dus bedacht Capa een plan. Met behulp van zijn collega’s George Rodger, een dromerige Brit die doorbrak met foto’s van inheemse stammen uit donker Afrika, David Seymour, alias ‘Chim’, die de oorlog had verslagen vanuit een Amerikaanse divisie – embedded avant la lettre – en Henri Cartier-Bresson, een kunstzinnige intellectueel en boekenwurm die de oorlog grotendeels doorbracht in een concentratiekamp, begon hij een fotoagentschap dat zelf opdrachten verzamelde en uitzette.

Tot dat moment waren fotografen afhankelijk van tijdschriftredacteuren. Die bepaalden wat en hoe er gefotografeerd werd en wat een fotograaf verdiende. Capa wilde dat veranderen. Het collectief dat hij voor ogen had zou zelf esthetische criteria stellen en het rendabele copyright op alle foto’s behouden. Hij sprak over een ‘broederschap van fotografen’, met zielsgenoten die over de hele wereld verspreid waren. In 1947 voegde hij de daad bij het woord door – zonder Rodger, Chim en Cartier-Bresson verder in te lichten – het agentschap Magnum op te richten.

Die ongedwongen mentaliteit kenmerkt Magnum. Duidelijke selectiecriteria voor nieuw aan te nemen fotografen zijn er nooit geweest. Capa bekeek het werk van wannabe fotografen aan de flipperkast in het café onder het hoofdkwartier. Ook na 1954, het jaar waarin Capa omkwam in Indochina en de selecties aangescherpt werden (fotografen moesten van aspirant-lid opklimmen tot vast lid), bleef het schimmig waaraan een Magnum-fotograaf nu precies moest voldoen.

Het leverde een agentschap op waarvan de innerlijke tegenstellingen groter zijn dan de overeenkomsten. Natuurlijk kent Magnum een rijke traditie van sociaal geëngageerde en breed uitgesmeerde fotoreportages. Vietnam, Nicaragua; de schrijnende beelden die James Nachtwey schoot van uitgemergelde Afrikanen of de gruwel die George Rodger aantrof bij de bevrijding van Bergen-Belsen. Maar tegenover dit Magnum staat een ander Magnum, minder gewelddadig, meer antropologisch, bij tijd en wijle zelfs frivool. Magnum deed veel societyfotografie – James Dean in de regen op Times Square; Picasso in een matrozentruitje en met cowboyhoed – en er waren poëtische, surrealistische experimenten, waarvan de strandtaferelen en televisiefoto’s van de Vlaming Harry Gruyaert de bekendste zijn.

Wie in al deze onderwerpen een dominante stijl wil ontdekken kan lang zoeken. Deze is er simpelweg niet. De meeste fotografen maken gebruik van zwart-wit, maar er zijn er ook die zweren bij kleur. Sommigen fotograferen hun onderwerp in close-up, anderen houden liever afstand. Sommige fotografen gebruiken een flitser, andere doen het met natuurlijk licht. Er zijn grofkorrelige foto’s en haarscherpe, spontane foto’s en geposeerde. Diversiteit gaat boven eenvormigheid. Pragmatisme komt voor theorie.

Bij die vrijbuitersmentaliteit hoort ook de afwezigheid van een solide financieel beleid, iets dat zich eind jaren zestig wreekte, toen televisie de foto verdrong als voornaamste visuele nieuwsbron en veel Magnum-fotografen hun heil zochten in de reclamefotografie. Het leidde tot interne strijd over de toekomst van het agentschap. De Europese fotografen, die minder last hadden van teruglopende oplagecijfers, verweten hun Amerikaanse collega’s het humanistische erfgoed van Magnum in de uitverkoop te doen. De Amerikanen, op hun beurt, verweten de Europeanen dat ze niet genoeg moeite deden Amerikaanse foto’s aan de man te brengen.

De vraag is of Magnum het nog zestig jaar gaat volhouden. De afgelopen decennia is de situatie er voor fotojournalisten niet beter op geworden. Het budget voor fotoreportages blijft slinken en media maken steeds vaker gebruik van het werk van amateurs. De beelden uit Abu Ghraib waren niet het werk van een professionele journalist, maar van een soldaat.

Nu hangt Magnum in het Stedelijk. De verhuizing van de voorpagina naar het museumcircuit is een nieuwe lucratieve bron van inkomsten, hoewel sommige fotografen er een ongemakkelijk gevoel bij krijgen wanneer ze hun foto’s van gruwel en ellende verkopen en exposeren voor vrolijk, champagne nippend publiek.

‘Magnum is een brede kerk’, zei Magnum-fotograaf Martin Parr ooit. Dat slaat zowel op de afwezigheid van een intrinsieke artistieke visie als op hun vermogen om zich aan te passen aan een veranderend medialandschap.

60 jaar Magnum Photos. Stedelijk Museum, Amsterdam, tot 12 mei
…………………………………………………………………………………………………………………

MARLOES KRIJNEN

USA. Tunbridge, Vermont. 1974. Mitzi.

van Susan Meiselas

‘De serie Carnival Strippers (1976) van Susan Meiselas heb ik altijd heel bijzonder gevonden. Het is het klassieke voorbeeld van hoe je een gedegen fotojournalistieke reportage maakt. Meiselas heeft een lange periode opgetrokken met dit soort circussen in Amerika. Ze was duidelijk geëngageerd en integer, dat kun je zien aan hoe de vrouwen op de foto staan – ondanks alle omstandigheden zet Meiselas ze neer als sterke, autonome vrouwen. Dit is het best zichtbaar in het portret van Mitzi, een van de strippers. Het heeft een mentale waarde; Mitzi kijkt recht in de camera, half naakt en komt ontzettend persoonlijk over. Een man zou hier niet kunnen komen.

Bij een latere druk van het boek heeft Meiselas indertijd een cd gevoegd met daarop gesprekken met de strippers. Meiselas is altijd al een vooruitstrevend fotografe geweest; de cd was een poging om alle facetten van haar onderwerp te belichten.’

Marloes Krijnen is directeur van FOAM, het fotografiemuseum in Amsterdam

…………………………………………………………………………………………………………………

MARTIN PARR

Ierland. 1976. van josef koudelka

‘Laat ik hierbij meteen stellen dat het schier onmogelijk is om één foto uit het hele Magnum-archief uit te kiezen. Daarvoor zijn er te veel fotografen, te veel stijlen, te veel momenten. Echter, er is één specifieke foto waarop ik erg jaloers ben: die van Josef Koudelka, genomen in Ierland. Het is een perfecte compositie: je ziet vier mannen in een steegje, op de rug. Ze staan te plassen, maar dat is niet helemaal duidelijk. De sfeer is geweldig. Ik was rond diezelfde tijd, 1971, ook in Ierland en zag dezelfde dingen. Je hoopt altijd dat je dat ene moment van genialiteit vindt; Koudelka zag het toen, ik niet.

Is er zoiets als een Magnum-visie op fotografie? Nee. Magnum is een brede kerk. Na afloop van mijn eerste expositie als Magnum-fotograaf zei Cartier-Bresson tegen mij: “Jij en ik komen van totaal verschillende werelden.” Hij vertegenwoordigde de vroege, humanistische traditie in Magnum, ik de moderne cynische. Dat lijkt me alleen maar natuurlijk in een constant veranderende wereld.’

De Brit Martin Parr werd in 1994 toegelaten tot Magnum. Met zijn foto’s over consumentisme staat hij voor de meer cynische blik in het agentschap

………………………………………………………………………………………………………………… MARTIJN BEEKMAN

USA. East Hampton, New York. 1966.

van elliott erwitt

‘De foto is van Elliott Erwitt en genomen in East Hampton. Dit beeld oogt pretentieloos en heeft geen sterk artistieke waarde, maar de foto is precies op het juiste moment genomen. Het stelletje zelf lijkt betrapt te worden, maar op wat is de kijker niet duidelijk. Dat laatste is een essentiële kwaliteit voor een fotograaf: dat hij zichzelf weet weg te werken, zo min mogelijk aanwezig is, zodat zijn onderwerp zich natuurlijker gedraagt. Dat probeer ik zelf ook. Voor mij betekent dat niet ensceneren en zo min mogelijk flitsen, zoals de meeste Magnum-fotografen ook niet flitsen.

Voor mij is het begin jaren tachtig begonnen met het Magnum-fotoboek In Our Time. Ik ben toen beetje bij beetje gaan experimenteren om die foto’s na te maken. Na verloop van tijd ontwikkel je je eigen stijl, maar nog steeds kom ik wel eens een foto van mezelf tegen die me doet denken aan iets in dat boek. Blijkbaar sla je dat dan toch ergens op.’

Martijn Beekman is fotograaf voor onder meer de Volkskrant en De Groene Amsterdammer_. Dit jaar won hij De Zilveren Camera in een aantal categorieën_

…………………………………………………………………………………………………………………

SACHA DE BOER

India. Kasjmir. Srinagar. 1948. Moslimvrouwen op de Hari Parbal-heuvel bidden naar de zon die opkomt boven het himalaya-gebergte. van henri cartier-bresson

‘Ik heb twee favoriete Magnum-foto’s. Niet echt nieuwsfoto’s, maar dat geeft niet. Magnum is nogal breed. De eerste is een indringend portret van een oud vrouwtje door Eve Arnold. Het gezicht van die vrouw is een landschap vol belevenissen; ze kijkt heel open en eerlijk in de camera. Daardoor krijg je het gevoel dat ze door de fotograaf met veel respect is benaderd. De tweede is een foto van vier vrouwen in boerka’s, door Henri Cartier-Bresson in ik meen Peshavar. Een prachtig, bijna bijbels tafereel, waarbij de horizontale lijnen van het landschap een mooi contrast vormen met de verticale lijnen van de boerka’s. Echt mijn all time favorite.’

Sacha de Boer is journalist bij het NOS Journaal en fotograaf