Geen engelen

Wie denkt dichterbij te mogen komen, zal in het duister tasten. Alleen op gepaste afstand geven de vrouwen van Paul Kooiker iets van zichzelf prijs
Te zien van 29 mei t/m 29 juni in Galerie de Praktijk, Lauriergracht, Amsterdam, van wo t/m zo, 13.00-18.00 uur
‘SO WHAT ARE you going to do, sweet angel?’ zingt iemand in mijn hoofd en ik hoop dat het Annie Lennox is, want die is mooi. De engel op de foto die ik aan het bekijken ben, heeft me haar kont toegekeerd. Ze heeft geen hoofd, geen benen en haar armen zijn nogal kort in verhouding tot het lichaam. Het lichaam zelf is stevig als een container: allemaal spieren en weinig vet.

Als ze gaat zonnen, draagt de engel een string, daarvan getuigt de kleine, lichtgekleurde driehoek die tussen haar billen verdwijnt. Ze heeft twee staarten in heur haar, bijeengehouden door lichtblauwe stukjes stof, iets lichter blauw dan de achtergrond van de foto.
De foto hoort thuis in een reeks van twintig tweeluiken die Paul Kooiker (1964) van vrouwen heeft gemaakt. Er is steeds een foto van hun voorkant en een van hun achterkant te zien, gefotografeerd tegen de achtergrond van hun eigen woning. Alle foto’s zijn onscherp. Daardoor krijgt de toeschouwer het ongemakkelijke gevoel dat hij of zij op de verkeerde plek is gaan staan. Het valt niet mee om de juiste afstand tot dit werk te kiezen. Je hebt steeds de neiging om dichterbij te gaan staan om grip op het beeld te krijgen - wat een natuurlijke reactie op onscherpte is.
De paradox is dat deze foto’s alleen van de grootst mogelijke afstand iets prijsgeven van de vrouwen. Als kijker voel je je letterlijk op je plaats gewezen, betrapt in je verlangen het beeld te kunnen ontcijferen en ervan te willen genieten.
SINDS DE DAMES van Manet de kijker vrijmoedig hebben aangeblikt, zijn er in de beeldende kunst ferme afspraken gemaakt over voyeurisme. Er is vrijwel geen moderne kunstenaar die, als hij of zij zich bezighoudt met het afbeelden van naakten, daar niet aan refereert, meestal met rampzalige gevolgen voor zowel toeschouwer als model. Het lichaam wordt in hedendaagse kunst nog voornamelijk gebruikt als puinbak, misgeboorte en militair oefenterrein. Als gevolg daarvan worden wij als kijkers gedegradeerd tot chronische gluurders, tot op het bot verveeld door de afstomping die dat teweegbrengt. Alleen een verse snuffmovie, waarin een lief Peruaans jochie verkracht en tot boterhamworst verwerkt wordt, lijkt nog in staat te zijn iemand wakker te schudden.
Kooiker is een van de vier prijswinnaars van de Prix de Rome voor Fotografie 1996, waarvan de uiteindelijke hoofdprijs in september na een onderlinge competitie tussen die vier uitverkoren fotografen bekend gemaakt zal worden. Hij pakt het lichaam heel anders aan. Al in een eerdere serie, bestaande uit detailopnamen van het menselijk lichaam, verraste hij me door de tedere manier waarop hij iets dat al duizend maal gezien is, weer af te beelden. Een schram op een jongensbeen bijvoorbeeld - een kleine ode aan Co Westerik, een kunstenaar die door Kooiker wordt bewonderd. Maar ook: gebarsten eelt op vrouwenvoeten in witte muiltjes, een kanten randje in de lies van een meisje dat een panty draagt, een stukje bal dat uit een glimmend sportbroekje piept, de nalekkende zwembroek van een behaarde man die zojuist uit het zwembad is geklommen, iemand met een ontevreden neerhangende mondhoek en onderkin, zijn stropdas verschoven. Het zijn allemaal fragmenten van het leven, ze zijn echt, zonder enig gevoel voor decorum en van een nauwelijks verholen gewelddadigheid. Ze zijn prachtig en ook een beetje naar.
Door van heel dichtbij te fotograferen, geeft Kooiker de kijker het benauwende gevoel dat we die ander te dicht genaderd zijn, dat al die details van het lichaam net zo afstotelijk zijn als de openstaande gulp, of als het stuk snot dat hangt aan de neus van iemand die ondertussen zelfverzekerd in de kroeg staat te ouwehoeren. Het zien daarvan levert altijd een raar soort plaatsver vangende schaamte op, maar Kooikers foto’s zijn zo helder en trefzeker dat de schoonheid ervan het toch net wint van de afkeer.
De hele serie foto’s is gemaakt volgens strenge regels. De onderwerpen zijn steeds van dezelfde afstand gefotografeerd - die heeft hij afgemeten met een stukje touw van dertig centimeter. Maar strengheid is voor een kunstenaar slechts een middel om vrijheid te verwerven. Binnen dat zelfafgebakende speelveld moeten vervolgens alle mogelijkheden ten volle worden benut, anders word je geen kampioen.
DE STRENGHEID gaat ook zeker op voor de foto’s die hij recentelijk van vrouwen heeft gemaakt. Ze werden allemaal in hun eigen huis gefotografeerd. De camera stond steevast onscherp ingesteld, de blik van de fotograaf is koel en het licht hard. De vrouwen werden niet-geidealiseerd afgebeeld. Ze staan meer dan dat ze poseren, ze zijn eerder bloot dan naakt. Het klinische van het geheel wordt enigszins gerelativeerd door de ontroerende huiselijkheid van de achtergronden.
Door de beschrijving die Kooiker mij van zijn werkwijze heeft gege ven, moest ik denken aan huiskamerprostitutie. Een man belt aan, beklimt een muffig trappenhuis, vrouw kleedt zich uit, man doet zijn ding, liefst zo snel mogelijk, en bedankt haar na het afrekenen beleefd, om vervolgens de deur weer achter zich dicht te trekken. Kooiker zelf zegt dat de foto’s hem enigszins doen denken aan de treurige fotootjes die in de jaren zeventig bij contactadvertenties in pornobladen werden afgedrukt.
Maar al lijkt de mise-en-scene van Kooikers foto’s misschien wat op die van achterkamertjeszonde, elke vergelijking tussen neuken en fotograferen is verder natuurlijk misplaatst. Een fotograaf is eerder impotent te noemen, een niet-handelende man bij uitstek, die veroordeeld is tot kijken en kijken alleen. Gelukkig maar. Alleen kijken, niet aankomen. Aanraken zou eigenlijk voor alle beeldende kunst taboe moeten zijn, want kunst verslijt deerlijk van aanraking. Mensen zijn gewoon te zout en te zuur.
Daarom zijn die voel-tentoonstellingen die soms voor blinden georganiseerd worden, ronduit pervers. Lekker brons of keramiek bepotelen, maar als je een kunstwerk aanraakt, verbreek je meteen de ban, de geilheid schuilt juist in de gedwongen afstand die je tot een kunstwerk moet bewaren. Alleen het oog mag het werk strelen en de tactiele waarden ervan onderzoeken. Blinden moeten maar gewoon naar muziek luisteren.
KOOIKER IS ZICH van deze condities hyperbewust. Hij neemt zijn standpunt zo in dat we ons niet van hem als intermediair kunnen ontdoen. Als ‘de man in het midden’ maakt hij gluren razend moeilijk, zo niet onmogelijk. Volgens mij worden we als kijkers door de onscherpte van het beeld gedirigeerd tot op ongeveer de dubbele afstand die Kooiker tijdens het fotograferen heeft ingenomen. Het is juist deze afstand, de berekendheid ervan, die maakt dat Kooiker zich een betrokken kunstenaar toont. Niet bij maatschappelijke misstanden of iets dergelijks, maar bij de humuslaag die daaronder broeit: de grondlaag van alle kleine menselijke frustraties en verlangens.
Eigenlijk wijst hij de toeschouwer vooral op diens slechtziendheid, veroorzaakt door slijtage, vanwege de overvloed aan beelden die iedereen elke dag over zich heen gestort krijgt - beelden van machtsmisbruik, doodsnood en 'huisvlijtperversie’, die als Nutella royaal over alle media wordt uitgesmeerd. Geboorte, huwelijk, ziekte, ruzie en dood, ze bestaan niet meer zonder het oog van de camera. Misschien dat we het lichaam te dicht genaderd zijn.
Nee, dan de vrouwen van Kooiker. Hij heeft me verteld dat vrijwel geen van hen gelukkig was met het beeld dat hij van hen presenteerde. Dat is jammer, maar ook begrijpelijk, want wie heeft nu de ambitie om een gewoon mens te zijn?
Daar staan ze, gefotografeerd in de beslotenheid van hun eigen huis, we weten niet of ze arm of rijk zijn, het is nauwelijks te zien hoe oud ze zijn en al helemaal niet of ze slim zijn. Wel hebben ze een overvloedig glanzende huid. Elke vrouw heeft haar eigen, onvervreemdbare dagelijkse lichaam. Ze zijn niet mooier dan anderen. We kunnen hun gezicht niet goed onderscheiden. We hebben geen enkele toegang tot hun leven. Er worden hier geen leugens over karakter of sterke witte tanden verteld. De binnenkant puilt nergens uit. Het lijkt er zelfs op dat ze allemaal hun eigen borsten nog hebben en doodgewone konten. Ze zijn allemaal ongeveer hetzelfde en toch weer allemaal anders. Gewone mensen en geen engelen, dat is wat ik uiteindelijk gezien heb. Maar pas op, als je te dichtbij komt wordt alles wazig.