Willem Melchior: Het hoofd op de buik

Geen enkel belang

Willem Melchior

Het hoofd op de buik

Uitg. Atlas, 160 blz., € 16,50

Met een boek moet je ook in debat kunnen gaan, ertegenaan zitten schreeuwen, bijvoorbeeld omdat de woorden en de zinnen onder je ogen dreigen weg te lopen en te verdampen, of omdat je er ineens wakker van gaat schrikken. Of dat je er raar van wordt omdat het zo totaal van de gekte bezeten is dat er geen normaal woord meer over te zeggen valt. Wat heb je aan een boek waaruit blijkt dat het bij de mensen thuis in verre landen ook allemaal niet erg meevalt? Of dat het vroeger bij ons vaker sneeuwde dan nu. Of dat je als kunstenaar wel eens een rotdag hebt. Zo’n boek op sociaal-democratische grondslag dat je toch maar uitleest terwijl je na een kwartier al niet meer wilt weten met wie de heldin ook weer een relatie wilde beginnen. Was het de man of de zwager van de violiste van het Praagse Kamerorkest? Dat je na zo’n boek denkt: weet je wat, ik hou er maar eens mee op, vanaf nu lees ik nooit meer een boek.

Willem Melchiors roman Het hoofd op de buik hoort overduidelijk tot de eerste categorie; ik heb er letterlijk tegenaan zitten roepen, zo van «ja maar dit kun je toch echt niet maken» en «hoe krijgt-ie het voor elkaar» en «toe maar jongen, gooi er nog maar een schepje bovenop». Want het is een boek dat op veel plaatsen onbehoorlijk uit de bocht giert, dat zich geen fluit aantrekt van algemeen erkende literaire wetten, dat geen enkel maatschappelijk nut dient en dat me dus compleet bij de les hield.

Je kunt er bijvoorbeeld de meest krankzinnige zinnen in tegenkomen. «Nou, en toen, ’s avonds, in een enorme schone kamer, toen heb ik Erben dus gebeld. Dat kwam zo. Zondag op het dak hadden we het over gitaarspelen gehad, wat hij wel wilde leren, en toen had ik hem aangeraden om eens bij De Snaar te gaan kijken, waar ik zelf trouwens ook heen moest omdat een van mijn snaren was gesprongen.» Het moet aan mij liggen, maar ik heb hierom geschaterd want dit is geouwehoer van zeldzame klasse: alle stilistische regels aan de laars gelapt, twee keer «toen», en dat «nou» erbij en «Dat kwam zo». Melchior is allang geslaagd voor welke stijloefening ook, hij weet precies wat hij doet, dat heeft hij in zijn vorige boeken bewezen. Hij weet wat hij met deze opgejaagde, expres kinderlijke en getroubleerde vertelstijl in dit boek wil teweegbrengen: een inkijkje geven in de wereld van een ongegeneerde, volmaakt onmaatschappelijke nietsnut, die zijn dagen vult met tochtjes naar het strand, vrijpar tijen, bezoeken aan andere jongens, gelonk en andere minieme activiteiten. Die overigens in de handen van deze opvallend uitgebalanceerde stilist steeds meer aan belang leken te winnen.

Melchior maakte mij moeiteloos deelgenoot van zijn roman omdat zijn schrijfwijze dat oproept: golvende zinnen, plotselinge stijlwisselingen, ouwehoerpraat, afgewisseld met verheven bespiegelingen die ook weer over niks gaan en dan weer banale prietpraat over jongenskamers, jongenskleding, jongenslijven, jongensstrandpaviljoens en jongensdromen over mooie buiken. «Toen we elkaar later in de middag kruisten op het harde zand, heb ik hem genood voor een hardgekookt ei, welke uitnodiging hij afsloeg, en aan het eind van de middag ben ik een keer bij hem gaan zitten, naast zijn bed in het zand.» Zulke zinnen, ik heb ervan genoten, ze hebben me volledig wakker gehouden en me vooral weer laten beseffen wat iedere literatuur in de grond is: onnatuur, aanstellerij, verheven prietpraat en heilige roddel.

Er is ongetwijfeld ook een verhaal. De opkomende en weer verdwijnende verliefdheid van de held die schrijver is en zojuist een boek heeft afgeleverd, op Erben. En daar tussendoor zijn er nog de andere jongens: Vegter, Norbert, Etienne, Vincent, Bertrand en Floris natuurlijk. Ontmoetingen in kamers, cafés, maar vooral op het strand, waar de jongens zich ophouden en elkaar becommentariëren over kleding, haardracht en lifestyle. Er is niets wat maatschappelijk van enig belang is in deze in veel opzichten utopische roman, er zijn ook al geen bedreigingen, geen achtervolgingen of nare vechtpartijen, geen rare discussies over «de positie van de homoseksuele mens» of hoe noemen ze het bij de media. Er zijn de jongens en de mooie dagen die voorbijgaan, het leven op het strand is er, er is de jaloersheid en de toenemende verbittering over Erben die eigenlijk de moeite niet waard is. En daar dan weer alle rationalisaties over, waar je verschrikkelijk om kunt lachen. Het verblindende licht van de zon is er en de gesprekken over de voor- en nadelen van netshirts. En allemaal hebben ze last van iets, iets wat je niet kunt benoemen, een gevoel dat niet voorbijgaat, verlangen is het, verlangen om niet de waarheid over jezelf te hoeven weten, te willen weten. Ik kreeg er ook last van, behoorlijk erg zelfs, want het is besmettelijk, deze merkwaardig aanstekelijke, vrolijke en plechtige schrijfziekte die verlangen heet. Hoe zal ik het noemen — deze melchioritis.