Geen experimenten

Bijna niets is interessant aan de herverkiezing van Horst Köhler tot president van Duitsland, afgelopen zaterdag. Met politiek heeft het weinig van doen. Juist daarom zegt deze gebeurtenis wel wat over de stand van het land.

Het Duitse presidentschap is een ceremoniële functie. De president wordt bovendien niet gekozen, maar aangewezen door een keur aan volksvertegenwoordigers. De benoeming van Köhler zegt daarmee weinig over de hevige politieke machtsstrijd die in dit Superwahljahr ongetwijfeld gaat losbarsten.

De president is er niet om te polariseren. Hij – nog nooit was het een vrouw – dient acceptabel te zijn voor een zo groot mogelijk deel van de bevolking. Daardoor was ook de kandidatuur van Köhlers tegenstreefster Gesine Schwan van de SPD bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Om een kans te maken, moest zij campagne voeren. Dat komt niet presidentiabel over. Zoals een landelijk dagblad de ongelijke strijd treffend samenvatte: ‘Hij is de president, zij de kandidaat.’

De kleurloze Köhler zal de komende vijf jaar meer van hetzelfde doen. Als een autoriteit die zogenaamd boven de partijen staat, moet hij proberen de grootste gemene deler van de Duitse politiek te belichamen. Geen ideologische uitspattingen, geen utopische vergezichten. Precies daarin ligt het belang van de presidentsverkiezing. Het mag dan geen strijd om de politieke macht zijn, het zegt wel iets over hoe die grootste gemene deler eruitziet, wat als consensus geldt.

Die maatschappelijke consensus is getuige de aanloop naar de presidentsverkiezing aan het schuiven, vooral rond het thema economie. Köhler belichaamt die omslag als geen ander. Als voormalig chef van het Internationaal Monetair Fonds was hij een van de voortrekkers van de neoliberale globalisering. Maar de laatste tijd hekelt Köhler in steeds scherpere bewoordingen de bankiers en de financiële markten. Het zou zelfs gaan om ‘monsters’ die terug de kast in moeten. Zulk verbaal radicalisme combineert Köhler met politieke gematigdheid. Een van de hevigste discussies tussen Köhler en Schwan betrof de vraag of de crisis tot sociale onrust kan leiden. Schwan meende van wel, Köhler waarschuwde voor paniekzaaierij.

Dat mag naïef zijn, het beantwoordt wel aan een zekere behoefte. De economische crisis zet de wereld op z’n kop. In zo’n klimaat van onzekerheid ontstaat behoefte aan kalmte, aan geruststellende woorden – in elk geval onder de gevestigde politiek. Toon me uw president, en ik zeg u in wat voor land u leeft. Dat land – of die politieke elite – wil getuige Köhlers herverkiezing voor alles keine Experimente.