‘geen galerie, maar een happening’

NIETS AAN HET uiterlijk van Steve Kaufman doet vermoeden dat hij het bed met Madonna en Cindy Crawford heeft gedeeld, dat hij met Pamela Anderson uit is geweest, en nu wordt belaagd door hordes opdringerige meisjes die het volle gewicht van deze quarterpounder op zich willen voelen. Vandaar dat Kaufman het zelf maar zegt. Een gesprek met een Amerikaan die in het gat sprong dat zijn vriend Keith Haring achterliet. En eigenlijk ook het gat van Andy Warhol: hij heeft nog met hem samengewerkt en net als Warhol heeft hij reeksen internationale sterren geportretteerd. In sommige gevallen bezit hij als enige de rechten om deze portretten te mogen vermenigvuldigen. Kaufman: ‘Dat is essentieel, want in Amerika kun je echt niet zomaar een schilderij van een filmster op de markt brengen. Wij leven in een “advocratie” - lawyer sues you! En voor je het weet ben je weer terug in de goot.’

Daarmee is een andere rode draad in het leven van Kaufman aangestipt. Na de kunstacademie in New York was hij een jaar lang dakloos. Om toch te kunnen blijven schilderen, beeldde hij maaltijden af op de binnenkant van vuilnisvatdeksels. Een toevallig contact met een restauranteigenaar leverde de eerste vijftig dollar op, waarna in één zomer honderd deksels ten prooi vielen aan Kaufmans verfgeweld. Hij besefte dat er nog andere kunstmarkten waren dan de traditionele en ontwikkelde een afkeer van het museale. Ideeën over de artistieke motivatie achter zijn werk heeft hij dan ook niet. Kaufman: ‘Ik werk voor mensen. Als ik duizenden mensen zie bidden voor mijn aidsmemorial in New York, dan heeft mijn kunst een functie, een impliciet bestaansrecht. Ik hang duizend keer liever in een pizzeria dan in museum X, waar geen hond het ziet. Het is goed als het wat teweeg brengt.’
Galerie Donkersloot blijkt een uitzondering op het verhaal: 'Mijn manager wandelde toevallig voorbij en viel in een hectische opening. De Rolling Stones waren net weg, met achterlating van hun portretrecht bij Peter Donkersloot. Kortom, een hippe plek. Geen galerie, maar een happening. Alleen vanmiddag al, een bokswedstrijd tussen de twee exposanten en jullie eigen kampioen, what’s the guy’s name… Don Diego Powder! Great!’
DE OPENING van de expositie was inderdaad sensationeel. Don D. Poeder handelde lachend de schermutselingen af met Kaufman en Jan Blom, waarna Blom op leven en dood met Paul Blanca in de ring trad, om tenslotte door Boris Abram naar het leven te worden gestaan. Kaufman, met een blik op zijn schilderijen van Cassius Clay: 'Clay was een vriend van de familie en mijn eerste ontmoeting met hem heeft diepe indruk op mij gemaakt. Ik wilde ook boksen en werd op mijn zestiende zelfs Amerikaans amateurkampioen in Madison Square Garden.’ Hij laat niet na te vermelden dat ruim tienduizend kids deelnamen aan de kampioenschappen.
Dat is Kaufman ten voeten uit. Als bewonderaar van aalgladde, commercieel-artistieke duizendpoten als Warhol, Liechtenstein en Johns is hij de belichaming van alles waar het Amerikaanse cliché voor staat - en tegelijkertijd is hij daarin zo direct dat het interessant wordt. Hij vertelt dat hij dakloze 'kids from the streets - soms voorwaardelijk op vrije voeten’ inschakelt voor het opspannen van zijn doeken en het schoonmaken van zijn kwasten ('Ik gebruik er vierhonderd per dag’). Ongegeneerd verkondigt hij met zijn schilderijen te willen bijdragen aan de wereldvrede ('Op een van mijn exposities riep ik een wereldwijde Racial Liberation Day uit’) en aandacht te vragen voor het aidsprobleem ('Als mijn werk daaraan bijdraagt, is dat een eer’). En aangezien hij de enige New Yorker is die het heeft gemaakt in de New Yorkse kunst ('Warhol, Johns and Liechtenstein kwamen niet uit New York’) wil hij nu de wereld met zijn werk veroveren.
Het zal nauwelijks verbazen dat zijn werk op de een of andere manier altijd nauw aansluit bij dingen die in brede groepen van de bevolking een bestaansrecht hebben, zoals vrede, aids en natuurlijk sterren. Een interview in een Amerikaanse krant kopt 'Sinatra weeps as he sees last painting of him’, een kop die echter niet op een eigen waarneming van de journalist berust maar een quote van Kaufman blijkt te zijn. Slot van het artikel en moraal van het verhaal: 'Er zijn nog slechts veertig exemplaren te koop, alle bij de Art International Trust galerie in Los Angeles.’ Kaufman doet zijn naam eer aan.
WAT ZOEKT ZO'N gigant eigenlijk in Nederland? Kaufman: 'Ik vertelde je al hoe ik het in New York heb gemaakt, maar dat was peanuts. New York is second rate. De moderne kunst is namelijk met Van Gogh in Nederland geboren. Het leek me een mooie gelegenheid om Nederland te veroveren terwijl ik al die prachtige meesterwerken tussen de bedrijven door kon zien. Helaas blijken ze plotseling naar Amerika te zijn vertrokken, ja. Ze hangen nu geloof ik in Washington DC. Net als de mijne dus, die heb ik aan Clinton verkocht.’
In een adem vermeldt hij dat ook Bush en Reagan zijn werk kochten. Er volgt een eregalerij: aan Travolta verkocht hij enkele portretten, maar de grootste klapper waren wel de Sinatra-zeefdrukken. Kaufman: 'Ik zat net in het vliegtuig toen hij overleed. Toen ik thuis kwam was mijn hele Sinatra voorraad weg. Filmmaatschappijen, CNN, The Eight a Clock News, ze wisten niet hoe snel ze hier moesten zijn, want ik ben de enige door wie Frank zich ooit geautoriseerd heeft laten schilderen.’ En passent verklapt de kunstenaar dat zijn Marilyn Monroe-portretten ook uniek zijn, omdat hij onder de verflaag alle feiten over haar vergiftiging heeft opgetekend. 'Als de verf over tweehonderd jaar is afgebladderd, zal het mysterie worden onthuld.’ Voor het eerst licht grijnzend voegt hij eraan toe dat er kopers zijn die niet zo lang willen wachten en direct na aankoop al beginnen de verf eraf te krabben. Een blik op het schilderij zou iedere leek op het spoor van Andy Warhol brengen, maar Kaufman heft bij dat vermoeden direct de vinger op: 'It’s a Kaufman! Ik gebruikte een andere foto! En weet je wat grappig is: toen ze Marilyn op een postzegel zetten, gebruikten ze dezelfde die ik voor dit schilderij gebruikte. Zo werd mijn portret ineens superbekend!’
ALSOF DAT NOG niet genoeg was, kreeg Kaufman niet veel later opdracht zelf een schilderij voor op een postzegel te leveren, waarvoor hij Mohammed Ali uitkoos. Ditmaal staat de tekst - Ali’s 'erelijst’ - op de voorgrond geschilderd. Links staat de 18e als geboortedatum, rechts de 17e, omdat moslims twee geboortedagen hebben: op de 17e werd Cassius Clay geboren, op de 18e Ali. Overigens lijkt de jeugdige Ali als twee druppels water op onze eigen voetbalemigrant Patrick Kluivert. 'Als die nu maar geen Parkinson krijgt’, merk ik op, maar Kaufman is al bij de Sinatra’s aangekomen. Alsof het niets is pakt hij een stift ter hand en tekent er op verzoek nog wat zwierige lijnen bij. Vervolgens bekent hij dat het eigenlijk niet zo bijzonder is wat hij met Madonna heeft gehad, omdat ze half New York moet hebben geneukt in die tijd.
Nog steeds goed bij adem verhaalt hij van een ontmoeting met een Japanner die zijn werk de toegang tot het land van de rijzende zon zal gaan verschaffen. Niet de bakermat van de kunst, maar wel een land vol potentiële kopers. Er is een goed aanknopingspunt, want in Japan worden schilderijen voor gigantische bedragen verkocht in doodordinaire warenhuizen, hetgeen nauw aansluit bij Kaufmans kunst-naar-de-mensen-ideaal. Een ideaal dat geboekstaafd is op de indrukwekkende lijst van zijn underground-exposities, die op de een of andere manier altijd upperground werden bij hippe filmsterren en andere door het leven begenadigden. Aan Clinton leverde hij zo een van zijn afbeeldingen van de Amerikaanse dollar. Dollars die, net als de andere onderwerpen in Kaufmans werk, bevroren zijn tot iconen van de twintigste eeuw.
Op Kaufmans’ dollars staat Franklin afgebeeld, een gestalte van negentiende-eeuwse grandeur. Een portret dat in alle opzichten sprekend op het gelaat van Kaufman lijkt. Een icoon van de twintigste eeuw.