Geen gelijkspel, maar ook niet 0-2

Na het uitkomen van de graphic novel Kraut in 2001 werd Peter Pontiac (pseudonym van Peter Pollmann) opeens omarmd door een groot publiek.

Medium styx 157

In dat veelgeprezen boek rekende de tekenaar in een lange brief in stripvorm af met zijn foute vader. Het wordt door sommigen de ‘beste Nederlandse graphic novel aller tijden’ genoemd en misschien is dat ook wel waar. Pontiac had eindelijk een onderwerp gevonden waaraan hij zijn superieure tekentechniek ondergeschikt kon maken. Tot die tijd maakte hij soms erg drukke illustraties of korte verhalen, die vooral een klein publiek bereikten dat geïnteresseerd was in ‘underground-strips’. Toen Kraut uitkwam interviewde ik hem voor het tijdschrift ZozoLala en was verrast door zijn openheid, verlegenheid en relativerende gevoel voor humor. Hoe zwaar het onderwerp ook is, Pontiac weet je tijdens het lezen aan het lachen te maken door zijn zelfrelativerende verteltoon en grappige details. Dat is hem zelfs met zijn laatste, niet voltooide boek gelukt.

Styx is een boek dat wat onderwerp betreft meer dan topzwaar is. Pontiac wilde als opvolger van Kraut een boek schrijven over de dood, maar liep tegen een onoverkoombaar writer’s block aan. Hij had het zijn uitgever beloofd, maar moest telkens nee verkopen en viel stil tijdens een radio-interview. Toen hij het tegen zijn broer Joost Pollmann vertelde, merkte die op: ‘Hm… Ben je niet bang dat je daarmee de dood oproept?’ En dat waren profetische woorden, zo bleek later. Pontiac praat weliswaar stoer over zijn nieuwe boek in wording, maar ondanks een flinke bibliotheek vol boeken over de dood krijgt hij geen ‘lasso om het onderwerp geworpen’. Hij geeft dan maar op. Tot hij enige tijd later enorm dikke voeten krijgt, ‘stripvoeten’, noemt hij ze, omdat ze lijken op de voeten die Robert Crumb altijd tekent. Het is het begin van het einde, want de diagnose is hepatitis C. Die ziekte liep hij tijdens zijn drugsverslaving in de jaren zeventig op door een vervuilde naald. Er is geen afdoende remedie voor gevonden, al worden er wel allerlei behandelingen geprobeerd. Een aantal van zijn vrienden is al aan de ziekte overleden, dus tekent Pontiac zichzelf fietsend met een enorm zwaard van Damocles boven het hoofd.

Pontiac tekent zichzelf fietsend met een enorm zwaard van Damocles boven het hoofd

En opeens is zijn voornemen om een boek over de dood te schrijven weer actueel, want wat volgt is Pontiacs worsteling met de ziekte. Die tekeningen zijn eerst nog netjes geïnkt, maar gaan over in ruwe potloodschetsen. Tot bladzijde tachtig, dan is de tijd op en eindigt het stripverhaal. Tot het laatste moment heeft Pontiac gewerkt aan het boek, maar hij kwam maar tot halverwege de beoogde 160 bladzijden. Met een uiterste krachtsinspanning heeft hij nog zijn veertien staties afgemaakt, de laatste zijn alleen geschetst. Daarin zien we hoe de dood in plaats van een kruis een doodskist draagt, beginnend met: ‘De dood wordt gehaat’ en eindigend met: ‘De haat wordt gedood.’ Met een brok in je keel leg je dan het boek weg.

Maar er is nog meer: de andere helft van deze ‘Unvollendete’ bestaat uit e-mails, die Pontiac verstuurde tijdens zijn ziekte en werken aan het boek. Het hoofdstuk ‘Groeten uit ziekenland’ wordt ingeleid door zijn broer Joost. Deze correspondentie, of eigenlijk monoloog, want we lezen alleen de e-mails die Pontiac verstuurde, niet de antwoorden, is een nog intiemer leeservaring dan de strip. Zonder schroom vertelt Pontiac in zijn e-mails over de behandelingen waar hij bang voor is en die hem steeds verder verzwakken. Over een dikke buik waarin zich twaalf liter vocht heeft opgehoopt (‘een krat bier!’), over een kuur die hem zo verzwakt dat die moet worden gestopt, vreselijke jeuk die maar niet wil overgaan, alternatieve genezers en talloze bezoeken aan het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis. Maar ook over een autorit die moet worden onderbroken om een spinnetje te redden dat zich aan de auto had vastgeklampt. En toch ook wat geluksmomenten tijdens zijn bivak in een huisje in Friesland waar hij hoopte ongestoord te kunnen werken.

Styx is natuurlijk niet het boek geworden dat Pontiac graag wilde maken. Hij vertelt dat, als het hem zou lukken het boek af te krijgen voor zijn dood, het 1-1 zou worden. Een echt gelijkspelletje is het niet geworden, maar ook geen 0-2, want het boek ligt nu toch maar mooi in de winkels. Styx is een bijzonder boek en een heftige leeservaring, omdat het onderwerp en de vorm zo beladen zijn door de ziekte en de dood. Het is niet zo’n goed stripboek als Kraut. Dat autobiografisch getinte verhaal over zijn vader stond iets verder van de tekenaar af dan zijn eigen dood. Die afstand gaf de tekenaar ruimte om het verhaal bewuster en rustiger te vertellen. Styx is zo topzwaar van melancholie, ondanks de relativerende toon die Pontiac soms aanslaat in zijn strip en in zijn e-mails, dat je het niet in één keer kunt uitlezen.

Het is een schrale troost dat op een van de laatste geïnkte pagina’s Peter wordt toegejuicht in de Grote Kerk in Breda. Hij ontvangt daar de Marten Toonderprijs en er wordt een expositie rondom zijn boek Rhythm geopend. Eindelijk erkenning voor Peter Pontiac! Een publiek dat hem smachtend aankijkt, tekstballonnen met ‘Peter!’ en hartjes eromheen. Het jubelmoment is hem gegund, het is jammer dat hij er maar zo kort van kon genieten.