Geen gelukkige tijd

HET BEGON in de zomer van 1942. Toen vanuit Westerbork de transporten naar de vernietigingskampen begonnen en joden de eerste oproepen ontvingen om zich te melden, wendden enkele bevriende joden zich tot mr. K.J. Frederiks, de toenmalige secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken. Of hij niet voor een vrijstelling van de Arbeitseinsatz kon zorgen. Frederiks vroeg aan Rauter, de Höhere SS- und Polizeiführer, toestemming om een aantal ‘verdienstelijke joodse Nederlanders’ van deportatie te vrijwaren. De fanatieke jodenhater Rauter weigerde. Frederiks bezocht daarna Schmidt, de vertegenwoordiger van de NSDAP in Nederland, en die zei wel ja.

Volgens Abel Herzberg, die zelf een van de uitverkorenen van Frederiks was, ging Schmidt akkoord omdat er een ‘bittere vete’ bestond tussen hem en Rauter: 'Rauter was ertegen dus was Schmidt vóór.’ Jacques Presser geeft in zijn Ondergang een andere verklaring. Het was, stelt hij, Duits beleid om 'de neiging tot verzet’ te kanaliseren door hier en daar een klein beetje toe te geven.
Wat die zomer begon als een overzichtelijk lijstje met vijf namen groeide in een paar maanden uit tot een lijst waarop honderden geprivilegieerden stonden. De 'lijst-Frederiks’ was een loterij met zo'n zevenhonderd hoofdprijzen, maar met nog veel meer nieten. Het bestaan van de Sperre had zich als een lopend vuurtje verspreid en duizenden joden schreven de secretaris-generaal een wanhopige smeekbrief. De meesten werden afgewezen. Het criterium om voor de lijst in aanmerking te komen bleek rekbaar. Er stonden hoogleraren op, juristen, musici, toneelspelers, artsen en industriëlen met hun gezin, maar ook leraren, bibliothecaressen, verpleegsters en veel rijksambtenaren. Officieel ging het om joodse prominenten, in de praktijk was het ook vaak een kwestie van 'ons kent ons’.
Lijsten en stempels waren typerend voor de perfide verdeel-en-heerspolitiek van de Duitsers. De Diamantlijst, Puttkammerlijst, Palestinalijst en lijst-Frederiks: ze beloofden alle vrijstelling van deportatie, 'bis auf weiteres’. Aan het eind van 1942 waren ruim veertigduizend joden gesperrt. Maar terwijl de ene na de andere lijst platzte, bleef de lijst-Frederiks wel bescherming bieden. 'Het uitverkoren volkje van Frederiks’, zoals Presser de joden op de lijst van de secretaris-generaal later zou noemen, overleefde vrijwel geheel de oorlog.
DE DRIE VROUWEN die wij spreken, hebben van alles geprobeerd om aan de greep van de Duitsers te ontkomen. Althans, hun ouders deden dat. De Weinreblijst, onderduiken, vluchten naar het buitenland - veel is overwogen en onderzocht. Ze kwamen uiteindelijk op de lijst-Frederiks terecht. De vader van Bettie Veldman kende Frederiks van zijn studie in Leiden en vroeg hem in een persoonlijk onderhoud om een plaats. De vader van Cornelie de Jong stond als medisch generaal vanzelfsprekend op de lijst; zelf kwam ze er via een kennis op. De familie van Debbie Klein was opgepakt en naar de villa van Fischer, het Haagse hoofd van de Sichterheitsdienst, gebracht. Via de buren werd een tante gewaarschuwd die contact opnam met de chef van haar vader, de directeur-generaal van landbouw. Die telefoneerde met Frederiks.
'Tot onze stomme verbazing’, vertelt Debbie Klein, 'kwam om vier uur ’s middags opeens Fischer de kamer binnen waarin wij zaten te wachten. We wisten niet anders dan dat we diezelfde avond naar Westerbork zouden worden gebracht. Fischer zei: “Die Kleins können gehen.” We hadden geen idee waarom. We pakten onze koffers en liepen alsof we vlogen. Later hoorden we dat we op de Frederikslijst waren geplaatst.’
De plaats op de lijst was een geschenk uit de hemel. Achteraf gaan sommigen die dankzij Frederiks de oorlog overleefden, gebukt onder gevoelens van schuld en schaamte. 'Ik weet niet hoe de anderen het ervaren hebben, maar ik geneerde me destijds al zeer over onze uitzonderingspositie’, zegt Bettie Veldman. 'Ik kon er met mijn joodse vrienden en vriendinnen niet vrijelijk over praten. Ik kon toch niet zeggen: “Mijn vader is zo belangrijk dat wij op een speciale lijst komen en niet worden doorgestuurd.” Met als impliciete mededeling dat anderen minder belangrijk waren en wel vermoord mochten worden.’
HET CONTRAST was ook groot. Toen in de winter van 1942 grootscheepse razzia’s plaatsvonden en het ook voor de 'Frederiks-joden’ te gevaarlijk werd om thuis te blijven, werden ze ondergebracht in kasteel De Schaffelaar in Barneveld. Het neogotische kasteel verkeerde in een nogal bouwvallige toestand: het was hol, leeg, onverwarmd, zonder goede stookvoorzieningen en sanitair. Het was, in de woorden van Presser, niettemin 'een oase’. Er lag een bos om het kasteel en een biljartlaken van een grasveld. Er was geen afrastering waardoor de 'Barnevelders’, zoals de Frederiks-joden al snel gingen heten, enigszins een illusie van vrijheid konden koesteren. Er was ook geen Duitser te bekennen.
De eerste families die in december 1942 arriveerden, namen bovendien hun huisraad mee. In de kale zalen van het kasteel werden met meegebrachte meubels, tapijten, schilderijen en klokken eigen huiskamers en zitjes getoverd. In februari en maart 1943 kwamen er zo veel mensen aan dat naast De Schaffelaar het nabijgelegen landhuis De Biezen in gebruik werd genomen.
Binnen de kortste keren werd er van alles georganiseerd. Er was een school voor de kinderen, er waren huisconcerten door de leden van het Concertgebouworkest die via hun dirigent Mengelberg op de lijst waren gekomen, er werden cursussen gegeven door de aanwezige wetenschappers, en er werd een bibliotheek gevormd van de meegebrachte boeken. Zo goed en zo kwaad als het ging probeerden de Barnevelders hun gewone leven te immiteren.
'Er waren grammofoonconcerten, dat was heerlijk’, herinnert Debbie Klein zich. Zij was dertien toen ze in Barneveld kwam en zat met haar familie in De Biezen. 'Er waren wedstrijden waarbij je moest raden wat er gespeeld werd. Er heerste een redelijk goede sfeer. De mensen zetten zelfs een beetje de bloemen buiten. Allerlei paren verwisselden van partner. Er was ook niet veel anders te doen. Het was echt een beetje een vrolijke boel. Ik had weliswaar niet het vriendje dat ik wilde hebben, ik had een noodvriendje.’
BETTIE VELDMAN was ook ondegebracht in De Biezen. Ze was achttien en had haar eindexamen hbs net afgerond. In Barneveld volgde ze lessen kunstgeschiedenis en Engels. 'Het was’, vertelt ze, 'een heel gemengd gezelschap bij de Engelse conversatieles. Sam Swaab, de beroemde violist, deed er ook aan mee. Hij dacht dat hij Engels sprak, maar hij sprak geen Engels, geen Duits, geen Frans. Hij koeterwaalde met een grote zelfverzekerdheid. Geen buitenlander zou iets van zijn mengelmoesje hebben verstaan, maar ze zullen ongetwijfeld in alle talen “Ja, meneer Swaab” hebben gezegd.
Iedereen zette zich in om er het beste van te maken. Je probeerde je tijd zinnig te vullen. Als je iets wilde, zocht je een paar mensen bij elkaar die hetzelfde wilden, en een vakbekwame leraar of begeleider erbij. Die waren er volop. Er was een cultureel leven dat uniek was. Er werd ook veel gelachen. We aten aan vaste tafels. Iedereen kon z'n oude mopjes weer kwijt waar het eigen gezin allang op was uitgekeken. Als het twee jaar langer had geduurd, was het veel grimmiger geworden.’
Maar hoe veel er ook werd gelachen en hoe stralend mooi de zomer van 1943 ook was, het was volgens Bettie Veldman afschuwelijk in Barneveld. 'Iedereen die zegt: “Ik was er zo gelukkig” is kortzichtig en dom. Je was door de moffen geïnterneerd en het was beangstigend en bedreigend. Een gevangenis met een roze randje is ook een gevangenis. Je leefde in doodsangst voor familieden en vrienden en op termijn voor jezelf.’
CORNELIE de Jong herinnert zich nauwelijks iets van haar tijd in Barneveld. Ze was 27 toen ze er aankwam. Ze weet nog wie er tegenover haar op de slaapzaal sliep en het bezoek van een paar studievriendinnen uit Leiden heeft diepe indruk gemaakt. Ze hadden koekjes bij zich, ze waren de buitenwereld. 'Voor de rest’, fluistert ze, 'is het een groot gat in m'n geheugen. Ik weet niet meer wat ik er deed. Nu ben ik oud, toen was ik jong. Ik weet alleen dat het vreselijk was. Een gevangenis. Ik maakte me zorgen om kennissen en familie. Barneveld was maar een onderdeeltje. Ervoor was het al beroerd, erna werd het nog veel beroerder. Het was geen gelukkige tijd.’
HET HEEFT haast iets grappigs dat zich binnen de elite weer een elite aftekende. Zowel Debbie Klein als Bettie Veldman herinneren zich het verschil tussen het chique kasteel en de 'meer volkse’ villa De Biezen. Presser spreekt in Ondergang van 'het siervissenaquarium’ en 'de goudvissenkom’. 'In De Biezen’, zegt Debbie Klein, 'zaten niet van die ontzettend belangrijke, verwende intellectuelen als in De Schaffelaar. Er waren genoeg mensen die door de elite niet als elite werden gezien. De kak die sommige mensen onder die omstandigheden wilden volhouden, vond ik weerzinwekkend. Het ridicule van hun houding: het spreekt eigenlijk vanzelf dat we hier zitten.’
'De elite in het kasteel keek vol afschuw naar De Biezen’, vertelt Bettie Veldman. 'Zij voelden zich de beste Barnevelders. Ik geloof dat men zich kleedde voor het diner en zich uitdoste voor de huisconcerten alsof men in Den Haag naar een concert ging. Je had mensen in De Schaffelaar die verdrietig waren vanwege hun centrale verwarming of hun privébadkamer en die zich tekort gedaan voelden. Er schijnen ook mensen naar Frederiks te hebben geschreven over de ontberingen die ze leden. Zevenhonderd mensen zijn zevenhonderd karakters. Er waren aardige mensen en vervelende mensen. De aardige waren ver in de meerderheid.’
Legendarisch vervelend, of moet je zeggen: vulgair, was een van de rijke industriëlen. Debbie Klein: 'Die man was nu eenmaal self made. Een ontzettend dikke, brede man die heel veel ruimte nodig had. En hij sprak plat, dat lag natuurlijk niet goed. Tegenwoordig nemen ze les in plat praten.’ Bettie Veldman weet nog hoe hij in De Biezen kwam pochen dat hij iedere week uit een van de dorpen een kilootje paling voor zijn kinderen liet komen. 'Dat je dat doet is één, maar dat je dat vertelt aan hongerige mensen die in geen twee jaar paling hebben gegeten, is twee. Het tekent zijn beschaving. Niet iedereen heeft dezelfde kinderkamer gehad, zouden mijn ouders zeggen.’
DE BARNEVELDERS voelden zich betrekkelijk veilig. 'Ten onrechte waren veel mensen niet bang genoeg’, zegt Debbie Klein. Zelf heeft ze nooit het idee gehad dat de internering in Barneveld blijvend was. 'Ik denk niet dat ik er erg over heb nagedacht of de lijst echt veilig was’, bekent Bettie Veldman. 'Voor een bom schuilen, is dat veilig? Op straat is het onveiliger, dus verschans je je in huis. Je zoekt de minst onveilige plek. Je durfde niet te veel aan de toekomst te denken.’
Aan het begin van de herfst van 1943 was het zover. Beschermheer Schmidt was onder mysterieuze omstandigheden gestorven en Rauter had al maanden de wegvoering van de Protektionsjuden bepleit bij Seyss-Inquart. Dankzij Seyss-Inquart, die de belofte aan Frederiks gestand wilde doen, werd het Westerbork en niet Bergen-Belsen. Op 29 september ontruimden de Duitsers De Schaffelaar en De Biezen. Bijna dertig Barnevelders wisten te vluchten.
In Westerbork kwamen de Barnvelders als groep binnen. De journalist Philip Mechanicus noteerde het in zijn dagboek: 'De Barnevelders, de nobelen, die door hun aartsvijanden op een gouden schaaltje waren gezet en die zich in de zoete droom wiegden dat hun niet zo gauw iets gebeuren kon, waren met een slag tot dezelfde paupers verlaagd als het profanum vulgus, dat geen bijzondere verdiensten kon doen gelden en rechtstreeks uit zijn huizen was gesleurd en in de modder gesloten.’
Hoezeer de Barnevelders ook moesten ploeteren in de modder, hun uitzonderingspositie bleef gehandhaafd. Debbie Klein: 'Er was ruimte genoeg om ons in twee barakken te doen, maar om ons te pesten werden we met z'n allen in één barak gestopt. Een van de alte Kampfeinsässen, die al heel lang in Westerbork zat en veel macht had, zei: “Hoffentlich liegt Barneveld in die Ferne bald.” Hij en veel anderen waren woedend dat ze ons niet meteen mochten doorvoeren.’
De Barnevelders waren nog steeds vrijgesteld van de deportaties die elke dinsdagochtend in Westerbork plaatsvonden. 'In onze barak’, zegt Bettie Veldman, 'leefde op maandagavond niet de angst dat ze zouden binnenstormen om de namen op te lezen van wie mee moesten op transport. Iedereen had relaties in andere barakken over wie je in angst zat, maar in onze barak werd geslapen en heerste rust. Dat is op zichzelf een onvoorstelbaar elitegevoel.’
'Natuurlijk besefte je dat je in een uitzonderingspositie zat’, weet ook Debbie Klein. 'Het heeft mij ontzettend aangegrepen dat mijn makkertjes in het kamp op transport moesten.’
Cornelie de Jong herinnert zich dat haar vader in Westerbork nog in de strafbarak heeft gezeten. 'Mijn vader werd afgesnauwd door een Nederlandse SS'er. “Godverdomme, weet je wel wie ik ben!” zei hij. “Ik ben generaal!” Hij werd toen in het gevang gegooid. De mensen in de strafbarak werden het eerste op transport gezet.’ Omdat haar vader bij de Barneveld-groep hoorde, liet de kampleiding hem verder ongemoeid.
De Barnevelders moesten net als de andere gevangenen in Westerbork werken. Over hun uitzonderingspositie praatten ze niet. 'Ik vertelde mijn makkertjes niet dat ik bij de Barnevelders hoorde’, vertelt Debbie Klein. 'Het tuinbouwgroepje waar ik in werkte, had een grote samenhang en solidariteit. We hebben het er nooit over gehad dat de een beter zat dan de ander.’
'Als je de transporten zag met baby’s en gebrekkigen en bejaarden had je weinig illusies’, zegt Bettie Veldman. 'Wat moest je daarover praten? Je maakt elkaar alleen maar zieker. Je praatte over kleine dagelijkse zorgjes.’
HET WERD nog erger. Tot hun grote schrik werd de Barneveld-groep, ondanks protest van Frederiks, in september 1944 toch nog op transport gezet. Naar Theresienstadt. Het voormalige garnizoensstadje was in ieder geval mooi. Bettie Veldman praat er bijna lyrisch over: 'In Westerbork wou geen boompje groeien, geen grasje, het was een kale, afgetrapte vlakte. Prikkeldraad en steen en modder en zand. Of het waaide, en dan waren er zandverstuivingen, of het regende en baggerde je door de modder. In Theresienstadt had je die wallen en oude huizen. Er groeiden oude bomen, het was er groen. Er was een park. Je kon er heerlijk in het gras in de zon liggen.’
In Theresienstad bestond de Barneveld-groep nog steeds. De oude veten werden voortgezet, het gemeenschapsgevoel ook. Bettie Veldman: 'We waren geen ratten, we stonden elkaar niet naar het leven. Ik weet dat ik professor Meijers, een grootheid onder juristen, met een pannetje bij de gaarkeuken achter in de rij zag aansluiten in de hoop dat hij de gamel mocht leeglikken. Ik moest huilen dat professor Meijers zo'n honger had. Ik vond dat het einde van de vernedering: professor Meijers die van honger dreigt te sterven en toch nog een hapje probeert te krijgen.’
De Barnvelders waren nog niet aangekomen in Theresienstadt of er waren grote transporten naar Auschwitz, zogenaamd voor werkverschaffing. Alledrie herinneren ze zich dat ze werderom waren vrijgesteld. 'Ik zie ons nog op de appèlplaats staan’, zegt Cornelie de Jong. 'Er werd expliciet gezegd dat de Barneveld-groep zich niet moest aanmelden. Het was een cruciaal moment.’ 'Het is een volkomen onbegrepen wonder’, zegt Bettie Veldman.
In februari 1945 vond er een tweede wonder plaats. Er werd een transport naar het neutrale Zwitserland aangekondigd waar je op kon intekenen. Je werd verhoord of je ervoor in aanmerking kwam. De 'kandidaten’ mochten niet te lang in Theresienstadt zijn geweest, ze moesten gezond zijn en niet te belangrijk. 'Mijn vader gaf op dat hij advocaat was’, zegt Bettie Veldman. 'Daarmee waren zijn kansen verspeeld. Hij had sjouwerman moeten zeggen, of putjesschepper of tuinman. Alle mensen die iets verstandigs konden vertellen, werden geweigerd.’
HET HEEFT iets ironisch dat de prominente Barnvelders zich opeens heel eenvoudig moesten voordoen. Cornelie de Jong zei dat ze Sekretärin was. De vader van Debbie Klein, die voor de oorlog directeur van het Veterinaire Virusinstituut in Schiedam was, noemde zich Tierarzt. Allebei gingen ze mee.
'Je moest nette kleren aan’, herinnert Debbie Klein zich. 'Keurige koffers kreeg je ineens. Die waren natuurlijk van andere mensen geweest. We reden door het kapotte Duitsland en het kon ons niet kapot genoeg zijn. Voor de Zwitserse grens werd de trein op een dood spoor gezet. De Duitsers die ons begeleidden, zeiden: “Abmachen!” We moesten onze sterren afdoen.’
Cornelie de Jong: 'We kregen vitaminepillen in de trein en er waren blikken Ovomaltine die het Zweedse Rode Kruis had gestuurd maar waar we nog nooit wat van hadden gekregen. De mannen moesten zich scheren en de vrouwen zich opmaken. Het was een gok, we wisten niet waar we terecht zouden komen. Toen de trein op dood spoor stopte, dacht ik: het gaat verkeerd. Je denkt dan niet zoals je nu denkt. Je kunt niet navertellen hoe je reageert als je leven wordt bedreigd.’
De trein ging werkelijk naar Zwitserland. Voor Debbie Klein bracht dat een groot gevoel van bevrijding met zich mee. 'De bevolking van Kreutzlingen waar de trein binnenkwam, was geweldig. Ze stonden in grote massa’s langs de rails en juichten en zwaaiden met vlaggetjes en brachten ons chocoladrepen en sigaretten. We stapten in Sankt Gallen uit. Daar heb ik voor het eerst weer een wc gezien zoals ik niet meer wist dat ze bestonden. Zo luxe, het was niet te geloven. Prachtig! Schoon! Met papier. Een bril. Een slot erop. Die wc was voor mij het summum van bevrijding.’
Voor Cornelie de Jong en Bettie Veldman bleef het gevoel van bevrijding uit. Cornelie de Jong maakte zich in Zwitserland zorgen over haar verwanten: 'Mijn ouders zaten nog in Theresienstadt en mijn zuster zat in een jappenkamp. Hoe kon je je nu bevrijd voelen?’
Ze kwam in een keurige Zwitserse familie terecht. 'De vrouw was geloof ik een Finse prinses. We zaten er keurig aan tafel met vingerkommetjes. Als je zo verwilderd bent, weet je helemaal niet meer wat een vingerkommetje is.’
BETTIE VELDMAN was achtergebleven in Theresienstadt, waar ze door de Russen werd bevrijd. 'Ze kwamen in de nacht, het hele kamp was in rep en roer. Ze hebben ook naast mijn legerstee gestaan en geroepen: “De Russen zijn er!” Ik heb gezegd: “Als de Russen er nu zijn, zijn ze er morgenochtend ook nog.” Ik heb me omgedraaid en heb doorgeslapen. Ik was uitgeput. Het sterke verhaal is: de volgende ochtend waren er geen Russen. Ze waren alleen maar door Theresienstadt heen gereden. In de loop van de dag kwam een volgende lichting die is gebleven.’
Terug in Nederland, na een lange en ijzingwekkende repatriëring, voelden ze zich ook niet bevrijd. 'We kregen een verschrikkelijke klap toen we hoorden wat er in Auschwitz was gebeurd’, zegt Cornelie de Jong. 'Ik heb toen niet gedacht: “O God, ik ben er nog.” Dat kwam waarschijnlijk later. Je kon nergens over praten. Als je zei dat je in een concentratiekamp had gezeten, was de reactie: “O, wat erg.” Ik was vijftien jaar de kluts kwijt. Ik voelde me nergens thuis.’
'In de zomer van 1945, toen de omvang van de ramp werkelijk tot me doordrong, was ik het liefst dood geweest’, zegt Bettie Veldman. 'Dáár hoorde ik, dat was mijn kring. Het is heel moeilijk geweest om weer te leven. En ik lijd nog altijd aan de schuldgevoelens van het overleven. Puur het feit dat je leeft. Dat je tot die paar duizend mensen behoort die het overleefd hebben. Het is belachelijk, dat weet ik.’
Met het schuldgevoel van het overleven worstelen veel joden die de oorlog zijn doorgekomen. Voor sommige Barnevelders komt er een schuldgevoel bij: ze hebben als elite overleefd. Dat werd hun ook ingewreven door de naoorlogse historici. 'Waardoor zij wel en anderen niet?’ vroeg Presser in Ondergang. Ze hebben het gered, schrijft hij bitter, 'onder bescherming van een ambtenaar op grond van geen ander criterium dan te behoren tot de joodse intellectuele bourgeoisie, aldus een klassenscheiding markerende die tot de afschuwelijkste bladzijden van de historie van het Nederlandse jodendom in bezettingstijd behoorde.’
NA DE OORLOG slikten de Barnevelders hun verhaal in en nog steeds zwijgen veel van hen liever over hun geprivilegieerde geschiedenis. De selectie van de Barnevelders was er een van zeer vele; iedereen klampte zich vast aan elke strohalm die zich voordeed. Hun veroordeling achteraf laat vooral zien dat de Duitse verdeel-en-heerspolitiek nog steeds doorwerkte.
'Ik denk altijd dat meteen wordt gedacht: dat zijn die elitaire mensen die de oorlog hebben overleefd’, zegt Cornelie de Jong. Ze is even stil: 'Ik heb geluk gehad of ik heb geen geluk gehad. Ik heb niet zulke erge dingen meegemaakt als de mensen die in Auschwitz zijn geweest. Waarschijnlijk houdt het schuldgevoel verband met het feit dat de Barneveld-groep een elitaire groep was.’
Bettie Veldkamp is beslist: 'Ik vind niet dat Frederiks het had mogen doen. Hij was een van de hoogste Nederlandse autoriteiten en hij had nooit mogen zeggen: “Ik ken vijf joden die niet vermoord mogen worden.” De anderen hadden ook niet vermoord mogen worden. Hij had geen onderscheid mogen maken. Dat vond ik ook toen al. Ik heb daar toen ruzie met mijn vader over gemaakt. Ik weet dat iedere ethiek in dit soort situaties belachelijk is en een luxeprobleem. Er was helemaal geen sprake meer van ethische motieven, het was catch as catch can en wees blij dat je als muis uit de klauwen van de kat blijft.
Maar ik blijf erbij dat je niet in getallen mag werken met mensen. Daarom vind ik dat je de geschiedenis van de Barneveld-groep niet moet oprakelen. Het is niet het mooiste deel van de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. Na vijftig is het nog steeds een probleem. Wat mag je een ander aandoen om jezelf te redden?’
'Ik heb nooit gezegd: Ik ben een Barnevelder met schuldgevoel’, zegt Debbie Klein. Ze stelt dat het overleven van de Barnevelders in hoge mate door toeval is bepaald. Als de oorlog langer had geduurd, waren zij ook aan de beurt gekomen. 'Wat moet je dan doen? Net als Etty Hillesum weigeren onder te duiken omdat je het lot van je volk wil delen? Dat leidt tot nul overlevenden en niemand die het kan vertellen. Het is het eeuwige probleem of je helemaal principieel bent en daaraan overlijdt, of dat je denkt: zo lang ik er een ander geen kwaad mee doe, mag het.’