Besnijden in Holland

Geen genitaal pardon

Vrouwenbesnijdenis: niemand weet precies om hoeveel gevallen het in ons land gaat, en wie de glasscherf hanteert om het tussen de benen «netjes» te maken.

Ayaan Hirsi Ali, VVD-kamerlid, heeft met haar voorstel om vrouwenbesnijdenis harder te bestrijden grote beroering teweeggebracht. Zij vindt dat de huidige aanpak geen zoden aan de dijk zet en pleit ervoor meisjes uit de risicogroep (afkomstig uit Somalië, Eritrea, Egypte en Soedan) verplicht periodiek genitaal te laten onderzoeken. Alleen al de juridische kant van dit voorstel werpt veel vragen op. Mag je bijvoorbeeld op basis van etnische selectie iemand dwingen tot controle? Laat staan dat er helderheid bestaat over het verschijnsel zelf.

In het vorige week verschenen onderzoeksrapport Strategieën ter voorkoming van besnijdenis bij meisjes, uitgevoerd door de sectie Gezondheidszorg en Cultuur van het Medisch Centrum aan de VU in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken, wordt aangedrongen op betere voorlichting. Het rapport stelt bovendien voor om de dubbelstrafbaarheid op te heffen: ook al wordt de ingreep in een land gepleegd waar het niet is verboden, toch moeten de ouders, eenmaal met hun dochter(s) terug in Nederland, vervolgd kunnen worden. Dit punt heeft Hirsi Ali overgenomen in haar plan van aanpak. De belangrijke vraag om hoeveel meisjes het in Nederland gaat en door wie de ingreep wordt verricht, wordt door de onderzoekers echter niet beantwoord, omdat «epidemiologisch onderzoek naar dit gebruik heel ingewikkeld is».

Wie van het thema kennisneemt, kan een gevoel van afschuw niet onderdrukken. Er zijn vijf varianten van besnijdenis: de milde vorm is incisie, een klein sneetje in de clitoris of in de voorhuid daarvan. De meest verregaande vorm, infibulatie, komt neer op pure marteling: de clitoris wordt uitgeschept, de grote en kleine schaamlippen worden ruw gemaakt of weggesneden, waarna de wondranden aan elkaar worden gehecht tot een opening ter grootte van een luciferhoutje of rijstkorrel als toegestane uitgang voor urine en menstruatiebloed. Dit alles vindt zonder verdoving en in een niet-steriele omgeving plaats en wordt uitgevoerd met een stuk glas of een scheermesje. Los van het psychische trauma zijn de lichamelijke risico’s enorm. Meisjes (het gebeurt meestal tussen het zevende en veertiende levensjaar) kunnen doodbloeden, besmet raken met hiv en infecties oplopen aan de nieren, het spijsverteringsstelsel en de baarmoeder. Ze krijgen vaak gezwellen, etterbuilen en zweren. Plassen, menstrueren, geslachtsgemeenschap en het baren van kinderen blijven de rest van hun leven een kwelling.

Geschat wordt dat ongeveer 135 miljoen meisjes en vrouwen in de wereld een besnijdenis hebben ondergaan, waarvan een groot deel infibulatie. De vorm van verminking wisselt per cultuur; in Somalië bijvoorbeeld is het percentage geïnfibuleerde vrouwen 98 procent. Het gaat om een pre-islamitisch gebruik dat zich soms heeft vermengd met vage uitspraken over de positie van de vrouw in de koran. Het paradoxale is dat deze ingreep de basis vormt van het «vrouw-zijn». Het onderzoeksrapport noemt het een markerings ritueel: het meisje wordt van een sekse neutraal wezen een geslachtelijk wezen waarmee ze haar sociale identiteit binnen de gemeenschap verwerft. Moeders leven in de veronderstelling dat ze het beste met hun dochters voorhebben.

Met de komst van de eerste grote groep Somalische vluchtelingen (officieel ruim 27.000) kwam begin jaren negentig het verschijnsel naar ons land. Artsen werden in hun spreekkamer geconfronteerd met een beeld waarvan sommigen zeggen dat ze daar wel eens nachtmerries over hebben gehad: een totaal dichtgenaaide, gladde schaamstreek die bij een bevalling verandert in een «gruwelijke brei van bloed, urine en pus».

Het waren vooral Boris Dittrich (D66) en Femke Halsema (GroenLinks) die dit vraagstuk eind jaren negentig op de politieke agenda zetten en bleven hameren op actieve strafvervolging. Het Centrum Gezondheidszorg Vluchtelingen in Utrecht, Pharos, werd aangewezen als centraal kenniscentrum. In 1992 stelde dit centrum het onderzoeks rapport ’s Lands wijs, ’s lands eer samen ter aanbeveling aan de overheid.

In hulpverleningskringen werd ondertussen gediscussieerd over een dilemma: totaal verbieden of incisie toestaan (en dit zelfs opnemen in het ziekenfonds) om erger te voorkomen. Multicultureel georiënteerde politici en hulpverleners (met name onder de vroedvrouwen) verloren het pleit. Zij waren voorstander van de kleine ingreep, om erger te voorkomen. Volgens Agnes Verhulst van Pharos stond de medische wereld in die periode totaal op z’n kop. «Wij waren er voor om het kleine clitorisprikje toe te staan, zodat het verdoofd en steriel zou kunnen gebeuren. Het idee was ook om met deze groep in gesprek te blijven.»

In 1993 kwam Nederland tot een officieel regeringsstandpunt dat tot op heden geldt: er wordt geen onderscheid gemaakt tussen mutilerende en niet-mutilerende vormen van besnijdenis bij vrouwen. Ook het tolereren van een lichte variant leidt tot de instandhouding van het gebruik. Er is opsporingsbeleid nodig: na een melding aan de Geneeskundige Inspectie van het ministerie van Volksgezondheid moet er via het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek worden gelast. Besnijdenis valt in het Wetboek van Strafrecht onder «opzettelijke mishandelingsdelicten» en onder «het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst». Artsen die meewerken aan vrouwenbesnijdenis (inclusief een herstel van de oude situatie na de bevalling: her-infibulatie) kunnen bovendien bij het Medisch Tuchtcollege ter verantwoording worden geroepen.

Wat is er sindsdien gebeurd? Dat is moeilijk te zeggen, blijkt uit een rondgang langs deskundigen en hulpverleners. Het onderwerp blijft ongrijpbaar en niet in kaart te brengen. Voor de doelgroep is praten over dit onderwerp totaal taboe.

Agnes Verhulst van Pharos: «Het verbod heeft ertoe geleid dat de Afrikaanse gemeenschap zich sloot. Toch zie je dat er langzaam een mentaliteitsverandering op gang komt. De vraag is nu: hoe kun je het nog meer verboden maken.»

Leyla Hersi, afkomstig uit Somalië, is een voorbeeld van iemand bij wie voorlichting zin heeft gehad. Ze is zelf besneden en kwam als twintigjarige naar Nederland: «Hier hoorde ik voor het eerst over de medische risico’s. Ik werd me bewust hoe gruwelijk het eigenlijk is.» Ze geeft nu voorlichting aan haar landgenoten en aan Nederlandse vroedvrouwen. Ze zal haar eigen twee dochters nooit aandoen wat haar is overkomen, maar weet dat het doorbreken van de lange traditie «loodzwaar» is. Ze gelooft in bewustmaken, maar wel omzichtig: op een thema-avond voor Afrikaanse vrouwen praat ze over gezondheid, en via allerlei kwalen komt ze voorzichtig uit op besnijdenis. «Je ziet opeens vrouwen knikken: ze zijn het eens met mijn uitleg over de gevaren en de pijn. Niemand praat erover, terwijl iedereen precies weet wat er in de gemeenschap speelt. Ik ben daarom voor hardere controle vanuit de overheid.»

Ook binnen de medische wereld neemt de aandacht voor dit onderwerp toe. Twina Gornas, een niet-besneden vrouw uit Soedan die bijna klaar is met haar opleiding gynaecologie in het Leids Universitair Medisch Centrum, kent vanuit haar achtergrond de problematiek goed. «Ik kom uit een hoogopgeleide, medische familie. Als kind was ik jaloers op de andere meisjes: ze krijgen nadat ze zijn ingewijd een feestje dat vergelijkbaar is met een huwelijk. Ze mogen henna en make-up gebruiken, ze krijgen mooie cadeaus, geld, goud, extra lekker eten en veel aandacht. Ze horen erbij. Ik kreeg niet zo’n feestje. Ik werd uitgescholden met termen die neerkomen op ‹wandelende schaamlippen›. Je bent meteen een slet.»

In Nederland is Gornas door een verkeerd geciteerde uitspraak in het tijdschrift Contrast (het orgaan van Forum) te boek komen te staan als een arts die verzoeken van patiënten zou honoreren om het na de bevalling tussen de benen weer «netjes» te maken. Naar aanleiding hiervan zijn in 2001 kamervragen over haar gesteld door de VVD. Bij navraag blijkt ze het tegendeel te vinden: ze is fel tegenstander van iedere vorm van besnijdenis. Zij gelooft in tactische voorlichting. Ze legt zwangere vrouwen die besneden zijn aan de hand van een tekening uit hoe de bevalling zal gaan. In haar Leidse huiskamer tekent ze («niet schrikken hoor») de situatie vóór de bevalling, de grote knip die ze moet maken omdat normale uitdrijving van de baby niet mogelijk is, en de veel grotere opening die ze achterlaat na het hechten van de grote wond.

Twina Gornas: «Vrouwen willen graag hun vertrouwde situatie terug. Maar als ik ze, lang voor de bevallingsdatum, uitleg wat de voordelen zijn van een grotere opening, zijn ze opgelucht. Dat doe ik altijd in overleg met de man. Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand weigert. Iedereen is bang. Maak het eerst bespreekbaar. Dat is al een hele stap.»

En, zegt Gornas tevreden: «Soms boek je een kleine winst. Onlangs kreeg ik een meisje van negentien dat haar dichtgenaaide toestand open wilde laten maken. Dat doen we onder lokale verdoving. Zij zal haar dochters niet laten mutileren. Ze is ontzettend dapper.»

Artsen en vroedvrouwen zien in hun praktijk weliswaar volwassen vrouwen die reeds besneden zijn in het land van herkomst, maar niemand weet hoe het jonge meisjes uit die gemeenschap precies vergaat. Er worden nooit meldingen gemaakt. Naar schatting gaat het om «tientallen gevallen per jaar die zeker niet door Nederlandse artsen worden uitgevoerd». Uit het geruchtencircuit komt wel een beeld naar voren. Soms worden er traditionele vroedvrouwen ingevlogen om «een rondje besnijdenis te doen in huiselijke kring». Of ouders met een Nederlands paspoort reizen met hun dochters naar landen van herkomst (besnijdenistoerisme) of naar Engeland of Italië, waar het volgens Leyla Hersi «heel makkelijk kan, omdat daar door het koloniale verleden het verschijnsel onder artsen al lang bekend is». Volgens haar is dat een van de redenen dat zoveel Somaliërs vanuit Nederland naar Engeland verhuizen. In Engeland geldt overigens ook een verbod.

Volgens Anke van der Kwaak, een van de auteurs van het rapport Strategieën, is het verbod in ons land de reden dat het hier niet wordt uitgevoerd. «Het gebeurt in het buitenland, uit angst dat er medische complicaties zijn en het wordt ontdekt.» Ze pleit ervoor het bespreekbaar te maken. «Besneden vrouwen weten niet dat hun medische complicaties voortkomen uit hun besnijdenis op jonge leeftijd. Ook beroepsgroepen ontberen goede klinische informatie. Voor hen moeten er protocollen en richtlijnen worden ontwikkeld. Binnen de jeugdgezondheidszorg is daar interesse voor. Een heel dure ingreep om meisjes verplicht te controleren is niet meteen nodig. Het is een moeizaam proces om een culturele traditie van eeuwen om te buigen.»

Toch zijn er kleine indicaties dat er in Nederland iets aan het veranderen is. Bij de IND komen steeds vaker verzoeken binnen van Afrikaanse ouders om een verblijfsvergunning te krijgen op grond van het gegeven dat «terugkeer onmogelijk is zonder genitale verminking van de dochters te ontlopen». Deze verzoeken worden gehonoreerd. Maar als de ouders later alsnog met de meisjes afreizen naar het moederland voor «een lange vakantie» onttrekt zich dat vooralsnog aan het oog van de welwillende hulpverlenende instanties. En daar ligt Hirsi Ali’s punt.