Geen gewone indische mensen

Over het oude Indië horen we veel. Maar voor de half miljoen Indo’s die hier wonen, is opvallend weinig aandacht. Terwijl zij de grootste gekleurde minderheid vormen. Sinds kort hebben Indo’s van de tweede generatie zich verenigd in het Indisch Netwerk. Vijf van hen vertellen over hun motieven. ‘Ik had best wel bewondering voor die Molukse kapers.’
‘WAT IK plezierig vond aan het verschijnen van de allochtonen in Nederland was het ogenschijnlijk vanzelfsprekende recht dat ze opeisten om te zijn wie ze waren’, vertelt Lucky Oudkerk Pool. ‘De Indische groep en een gedeelte van de Surinaamse groep waren vanuit hun koloniale achtergrond zeer Europees georiënteerd, maar in de andere allochtone groepen gold dat juist niet. Als zij die ruimte kunnen vragen, waarom kan ik dat dan niet?’

Wendela Gronthoud: ‘In werksituaties was ik vaak afwachtend. En dat werd door Hollanders gezien als initiatiefloos. Ik begon me steeds meer te realiseren dat dat afwachtende iets was waarmee ik was opgevoed. Dat je anderen ruimte wilde geven, niet meteen op de voorgrond wilde treden. Er werd thuis gezegd: je moet je aanpassen. Maar als je te direct zou zijn geweest, zou men zeggen: doe niet zo grof.’
Jim de Vries: 'Je kunt maatschappelijk wel succesvol zijn, maar het gaat uiteindelijk om je persoonlijke welbevinden. Bij mij zaten daar wat steekjes los. Tot ik erachter kwam dat dat te maken heeft met een achtergrond die onderbelicht is gebleven. Ik heb de nodige opleidingen gevolgd, ook in hulpverleningsland. Cursussen, workshops en weet ik veel afgelopen. Aan mezelf gewerkt. Als ik mijn mondje maar wist te roeren.’
Mirjam Moll: 'Door die cursussen werd je gedwongen nog westerser te worden. Dus je raakte nog meer vervreemd van jezelf.’
Wendela: 'Je wist niet dat je het miste.’
Jim: 'Het is heimwee naar het onbekende.’
Linda Leeuwendal: 'Altijd heb je een acclimatiseringsverschijnsel. Je bent altijd een ritme te laat. Nederlandse mensen vind ik waanzinnig snel en gevat. Ik vond mijn Indische neven en nichten altijd… Nee, dat mag er niet in!’
WAT LINDA OVER haar neven en nichten wil gaan zeggen, is kennelijk al bij voorbaat zo herkenbaar en beschamend dat het ten onder gaat in bulderend gelach. Het is een soort lachen dat ik als blanke Nederlander vaak moeilijk weet te plaatsen wanneer ik met Indo’s te maken heb. Soms is het gewoon het alledaagse bevrijdende, cynische, agressieve, ontspannende weet-ik-veel-lachen, maar ineens kan er achter dat lachen een boodschap schuilgaan die je niet vat. Het heeft iets te maken met het snel corrigeren van zaken die de orde kunnen verstoren. Dat lachen betekent: ho, stop, je bent te ver gegaan, nu ben je grof, nu verbreek je de code. Het is gechoqueerd lachen, er hangt een dreiging in. Maar wat had ik dan helemaal gezegd? Niks toch? Pijnlijk. Je denkt iemand goed te kennen en ergens is dat dus helemaal niet zo. Er gapen hier continenten van verschil.
Ik zit met vijf Indo’s aan tafel. Generatiegenoten van elkaar en van mij, opgegroeid in hetzelfde Nederland. Beschaafde intellectuelen met interessante banen die hun Nederlands zelfs ietsje correcter uitspreken dan ik dat doe. Zeg maar op z'n Adriaan van Dis’. Niks allochtoons dus, zou je denken, als die meer en minder Aziatisch getinte gezichten er niet waren en als je niet aan een rijke Indische maaltijd zat in een Indisch gedecoreerde eetkamer. Ineens, door zo'n geheimzinnig lachsalvo, voel je je buitengesloten. Terwijl het helemaal niet kwaad bedoeld was. Er moest alleen een rimpeling worden gladgestreken. Dat gaat vaak nog ongemerkter dan gelach. Bijvoorbeeld door middel van dit soort dialogen:
Jim: 'Er waren momenten dat ik totaal van slag raakte als ik met een Indo en een Hollander te maken had, in bijvoorbeeld een werksituatie. Dan had je twee codes. Je Indische kant geneert zich bijna en je Hollandse kant zou er nog een schepje bovenop willen doen, qua grofheid.’
Linda: 'Ik vind dat heel persoonlijk. Dat geldt niet voor ons allemaal, hoor.’
Meteen vallen de anderen in en leiden het gesprek verder af van wat kennelijk een brandhaard had kunnen worden. Ik had het ook ter plekke niet eens in de gaten en het was heel goed mogelijk dat mijn tafelgenoten zich niet bewust waren van wat er gebeurde. Pas toen ik later de band afluisterde, kwam ik die momentjes tegen waarop er iets bloot leek te komen liggen, er misschien wel een conflict in de lucht hing. Met enkele soepele bewegingen werd daarop geroutineerd de lucht geklaard.
Jim de Vries, van beroep supervisor, schreef voor het vaktijdschrift Supervisie in Opleiding en Beroep een artikel waarin dit soort sociale mechanismen aan de orde komen. Hij benoemt het met Indische begrippen als aloes (verfijnd), en kasar (grof): 'Vanuit de Indische adat (conventies, gedragscodes) zijn veel Hollandse gedragingen pijnlijk kasar.’ En: 'In de Indische wereld wordt er bij voorkeur van uitgegaan dat de leden zich aloes gedragen. De harmonie mag niet verstoord worden. Wie de adat overtreedt, toont geen respect voor de harmonie. Door de overtreder met alle hormat (eerbied, respect) tegemoet te treden, wordt hem de gelegenheid geboden de harmonie alsnog te respecteren.’
IEDER LID van de groep heeft natuurlijk zijn of haar eigen verhaal als het erom gaat wat dat betekent: een tweede-generatie-Indo te zijn in Nederland. Al zijn de overeenkomsten misschien nog wel frappanter.
Linda: 'Het speelde als ik thuis was, bij mijn ouders. Op verjaardagen, waar altijd ontzettend veel Indische mensen kwamen. Mijn ouders vierden de verjaardagen voor de Nederlandse kennissen altijd apart van de Indische kennissen. En de Indische verjaardagen waren natuurlijk altijd veel gezelliger. Op een gegeven moment ging ik antropologie studeren en toen kwam voor het eerst het besef dat ik sporen droeg van een andere cultuur. En dat ik daarom ook altijd een buitenstaandersgevoel had gehad. Ik wilde mijn proefschrift schrijven en ik had heel veel moeite om dat op mijn manier gedaan te krijgen.
Ik ben toen gaan werken. Heel toevallig brachten mijn ouders mij op de stichting Pelita, die oorlogsgetroffenen uit Nederlands Indië begeleidt. Daarvoor hadden ze rapporteurs nodig die mensen interviewen. Het was fascinerend om op zo'n grote schaal Indische mensen te ontmoeten, van verschillende pluimage en leeftijdsgroepen, komend uit verschillende gebieden van Indonesië. Met allemaal diezelfde rode draad in hun leven: de oorlog, de onafhankelijkheidstrijd erna, oftewel de Bersiap-tijd, de emigratie naar Nederland, de integratieproblematiek. Dus ik kreeg als het ware op een presenteerblaadje mijn roots aangeboden.’
Lucky: 'Wat je vaak hoorde: Indië bestond niet meer. Een groot gedeelte van mijn familie is ook nooit meer terug geweest. Maar zeker bij mijn ouders was er wel behoefte om terug te gaan naar het land van hun jeugd. En ze wilden dat heel graag delen met hun kinderen. Ik kan me ook nog wel herinneren dat je uitgescholden werd op school, door de plaatselijke inheemsen. Dan was het “neger”. Of “bonen”. Kinderen onder elkaar hebben niks heftigers dan dat. Ik kwam niet geschokt thuis. Naarmate het aantal kleurlingen in Nederland toenam, werd je een van die velen. Het is voor mij een politieke keuze dat je dat gaat gebruiken. Ik werk nu bij de stichting Interculturele Jeugdzorg Amsterdam, die bewust een keuze heeft gemaakt voor het aannemen van allochtoon personeel. Toen ik daar anderhalf jaar geleden werd binnengehaald, werd er gezegd: die Lucky is toch geen allochtoon! De algemene mening is dat wij een onderdeel zijn geworden van de blanke dominantie. Maar juist omdat er andere allochtone groeperingen zijn, kan mijn Indisch-zijn nog meer geprofileerd worden.’
WENDELA: 'Ik was altijd het enige Indische meisje. In de klas, op straat. Wat in mijn geval parten speelde was dat je niet de bescherming had van een grote familie waar je in kon wegduiken. Ik was ook in het gezin alleen, omdat ik een nakomer was. Ik behoor tot die groep die werd uitgescholden. Het geijkte “pinda pinda poepchinees”. En ik had niet het alerte, wat misschien Lucky had, om me te verdedigen. Zoals ik ook al heel snel volwassen sprak, van huis uit. Je hoorde gewoon keurig te praten.
Ik ging studeren en kreeg een kind. Mijn partner, blond haar, blauwe ogen, nam me eens mee naar de Pasar Malam. Daar lag voor mij wel wat gêne over. Ik was er als kind wel eens geweest, maar in onze familie deed je dat niet echt, die Pasar. Ik vond het een openbaring. Toen kwam ik in aanraking met een vereniging die belangen behartigt van Indische Nederlanders die de Japanse bezetting en de Bersiap hadden meegemaakt. Ik kwam veel oudere Indische Nederlanders tegen, die het maatschappelijk allemaal niet zo goed voor mekaar hadden als mijn ouders. Die hadden hun trots, wilden het er niet over hebben. Er is denk ik vaak sprake geweest van een afgebroken schoolopleiding van de jonge jongens die op school zaten toen de oorlog uitbrak. Daarna was het vaak een moeizaam bestaan met kleine baantjes. Dat soort zaken. Ik heb het vermoeden dat dat strijdig is met het beeld dat de Hollanders hier zo graag willen vasthouden. Zo van: het is allemaal wel goed gekomen met die Indische groep.’
Lucky: 'Toen de generatie van mijn ouders naar Nederland kwam, moesten ze aan de staat opgeven wat hun spaargeld was. En de eerste opdracht was: dat maakt u dan maar op. Ook toen ze ondersteuning kregen voor bijvoorbeeld de woninginrichting, moest dat tot de laatste cent terugbetaald worden.’
Wendela: 'Ik ben nu coördinator voor een project voor allochtone ouderen in Amsterdam. Daar houd ik me vooral bezig met Turkse, Marokkaanse en Surinaamse ouderen. Wat ik grappig vind: als je aan een Nederlander vertelt dat je Indisch bent, krijg je vaak als reactie: ja, je bent wel donker, maar dat hadden we niet gedacht. Terwijl Turkse of Marokkaanse collega’s het meteen zien.’
Mirjam: 'Wij zijn in het oosten van het land terechtgekomen, in Goor. Daar waren wij het enige gezin met een kleurtje. Daar werd je toen nog gepest zoals in Amsterdam waarschijnlijk vijftien jaar eerder gebeurde. Ik had dan nog het voordeel dat ik lekker licht was. Ze wisten niet wat je was. Italiaans, Frans, Spaans? Heel identiteitsloos. En dan heet ik Mirjam, dus dat gaf de schijn van joodse identiteit, wat me ook wel werd aangemeten. Dat liet ik maar. Je kunt jarenlang als een kameleon door het leven gaan, maar dat houdt op een gegeven moment op.
Ik heb fiscaal recht gestudeerd. Ben alleen niet als zodanig werkzaam. In dat hele bewustwordingsproces heb ik besloten opnieuw te gaan studeren. Kunstgeschiedenis deze keer.’
Jim: 'Als je kijkt naar mijn familie. De een, uitgesproken donker, de ander hartstikke licht. Er is zo'n verscheidenheid. Hoe definieer je jezelf? Daar komt dan een stuk onzekerheid vandaan als anderen je anders gaan definiëren dan je je voelt. Als iedereen tegen jou gaat zeggen: waar kom jij vandaan, wie ben je? Nu ben ik relatief licht. Maar als zesjarig jongetje was ik “die zwarte”. En dat in Amsterdam. Mijn reizen naar Indonesië hebben veel verhelderd.’
Met zo'n kleine half miljoen vormen de Indo’s de grootste allochtone groep in Nederland, op de voet gevolgd overigens door een groep waarover je nog minder hoort: de in Nederland woonachtigen van Duitse afkomst. Er wonen ongeveer twee tot drie keer zoveel Indo’s in Nederland als Surinamers, Turken of Marokkanen. De meeste (media-)aandacht gaat naar de laatste drie groepen. Die presenteren zich dan ook het duidelijkst.
Hoewel relatief veel Indo’s nog steeds in Den Haag wonen en daarnaast bijvoorbeeld in de buurt van Arnhem, valt vooral de geografische spreiding op. Die is veel sterker dan bij de Surinamers, Turken of Marokkanen. De Nederlandse overheid heeft dan ook bewust een rigide spreidingsbeleid uitgevoerd. Dat leidde al snel tot assimilatie - zeg maar: het onzichtbaar maken van de groep.
In de studie Indische Nederlanders en gerepatrieerden, van Ellemers en Vaillant, worden er naast de geografische spreiding drie andere verschijningsvormen van de Indo-assimilatie genoemd: 'De spreiding onder de verschillende beroeps- en inkomenscategorieën. Een relatief sterke neiging om zich op de Nederlandse maatschappij te oriënteren, vaak ten koste van een oriëntatie op de “eigen” Indische achtergrond en de “eigen” organisaties. En een relatief groot aantal huwelijken en verbintenissen met personen die niet tot de eigen categorie van Indische Nederlanders en gerepatrieerden behoren.’
De groep heeft zich zo effectief laten opzuigen door de Nederlandse spons dat in het later geformuleerde 'minderhedenbeleid’ de Indo’s al niet eens meer als specifieke minderheid werden aangemerkt. En zodoende waren er voor hen ook geen speciale voorzieningen. Tegen de keer in bleven sprietjes Indo-cultuur opkomen. Als, om wat voorbeelden te geven, de Indo’s niet af en toe het onderwerp zouden zijn van wetenschappelijke studie, er niet met zekere regelmaat boeken verschenen van Indo-schrijvers als Tjalie Robinson, Marion Bloem, Ernst Jansz of Jill Stolk, als er niet zoiets als Indo-rock bestaan had en als er niet vanaf 1959 ieder jaar tienduizenden Indische mensen naar de Pasar Malam Besar in Den Haag kwamen (een gigantische overdekte markt met veel lekkere hapjes, zoete muziek, toneel, lezingen en een zware lucht van heimwee) dan was het bestaan van die half miljoen Indo’s in Nederland een honderd procent binnenkamergebeuren geworden. Sowieso is de fragmentarisering al zo ver voltrokken dat een van de Indo-schrijvers, Roy Piette, een bundel verhalen uitbracht met als titel Tempo doelloos, een persiflage op tempo doeloe: de goeie ouwe tijd in Indië. De gefragmenteerde Indo is typisch de postmoderne mens van de toekomst.
DE ASSIMILATIE is ook voor de tafelgenoten een belangrijk onderwerp van gesprek. Dat drie jaar geleden het Indisch Netwerk werd opgezet, is een reactie op die voortsluipende assimilatie.
Mirjam: 'Ik had altijd de ingebouwde neiging om me aan te passen. Dat gaf soms een minderwaardigheidsgevoel. Je zou nooit aan degene die je meer waard vond, vragen dat die zich moest aanpassen.’
Wendela: 'Ik denk dat dat voortkwam uit dat vooroorlogse Indië. Waar je een beetje zat te kijken van: hoe houd ik me staande in deze gesegmenteerde samenleving?’
Linda: 'Je ouders moesten zich heel erg aanpassen vanaf het moment dat ze hier waren. Het verzet zit dan in de persoonlijke ontwikkeling. Dat begon op de middelbare school. Mijn hele anti-loopbaan is gewoon verzet. Ik ben van school gestuurd, weer naar een andere school, enzovoort.’
Wendela: 'Altijd zakte ik een eerste keer. En toen ging ik geen rechten studeren in Leiden, maar meldde ik me in de meest linkse sociaal-wetenschappelijke hoek op de Universiteit van Amsterdam.’
Linda: 'Als je kijkt naar de Molukkers, dan zie je dat zij lang in hun groep hebben gezeten en zich wel hebben verzet tegen de Nederlandse regering en de aanpassing. In dat verzet zijn ze succesvol geweest en daardoor waarschijnlijk maatschappelijk juist niet.’
Lucky: 'De gijzeling herinner ik me nog goed. Ik zat toen net in dienst en je hoorde al die verhalen over donkere Indo’s die werden uitgescholden.’
Jim: 'Ik had wel bewondering voor die kapers.’
Wendela: 'Op school was een jongen, ik dacht dat het een Indische jongen was, maar volgens mijn moeder was het een Molukse jongen, en die was heel dominant aanwezig op school. We kwamen wel bij elkaar thuis, aten tosti’s met mayonaise. Mijn moeder vond het vreselijk dat we met elkaar omgingen. Dat moet ook in de periode van die kaping zijn geweest.’
Lucky: 'Molukkers vonden ons vaak te aangepast.’
Linda: 'Er was een duidelijke scheiding Indisch-Moluks. Maar tegen de Nederlanders was het weer samen.’
JIM: 'Ik kwam geleidelijk op de gedachte: alle minderheden organiseren zich en onze generatie Indo’s niet. Toen zijn we een netwerk begonnen. Eerst in eigen kring. Mensen mondeling aanspreken. Dat waren bij de eerste bijeenkomst al meteen dik vijftig mensen. Nu, in het derde jaar, is het echt uitgegroeid tot een landelijk netwerk. In het netwerk zie je mensen waar je heel veel en ook niets mee hebt. In je eigen familie heb je familietrauma’s, geheimen, noem maar op. En hier kun je de positieve kanten spiegelen.’
Mirjam: 'Mijn familie was vooral Timorees, een apart taalgebied. In onze familie ben ik me er bewust van dat ik het Timorees alleen passief beheers. En op een gegeven moment zul je dat met Maleis ook gaan krijgen. Ik heb voor mezelf ontdekt dat het Indisch Netwerk voor mij van belang is, bijvoorbeeld omdat ik geen Indische partner heb. Ik kom dan wel uit een grote familie die nog steeds vrij hecht is. Verschillende neven en nichten zijn dan weer wel met Indische partners getrouwd. Dus hun familie hoort dan weer vanzelfsprekend bij mijn familie. Daar zeg ik oom en tante tegen, ook al ken ik die mensen verder niet zo goed. Ik ga naar hun feesten en zo. En dat proces stokt natuurlijk als je kiest voor een Hollandse partner. Ik vind het ook heel leuk als mijn mede-Indo’s kennis maken met mijn ouders, terwijl dat met Hollanders toch altijd een beetje lastig is. Altijd het gevoel alsof je op de wip zit.’
WENDELA: 'Als ik binnen het Indisch Netwerk iets zeg over de sociale stratificatie van mijn ouders in Indië, wordt dat hier gelijk begrepen, omdat zoiets van zo'n groot belang was. Maar als je daarover praat met Nederlanders, weet je nooit of ze wel snappen wat je bedoelt. Voor je het weet zullen ze denken: wat is dat voor snob.’
Lucky: 'Er was absoluut een cultuurshock bij de Indo’s in Nederland. Hier konden ze zien dat blanke mensen het vuilnis ophaalden. Indo’s zijn noodzakelijkerwijs altijd zeer statusgevoelig geweest. Er gold: hoe lichter, hoe beter. Men was er op uit om goede huwelijken te sluiten, zoals dat heette. Men deed ook alles aan het handhaven van de etiquette en het navolgen van wat in Europa in de mode was.’
Wendela: 'En, zoals met de moeder van Mirjam en mij, die dan in de oorlog buitenkampmeisjes waren. Het verdoezelen ervan later. Een Nederlander kan ik nooit uitleggen wat dat betekent.’
Mirjam: 'Als ik aan mijn Hollandse vriend vertel dat mijn moeder buitenkampkind was, dan gaat hij zeggen: “Hier had iedereen die niet in Westerbork zat toch buitenkamp?” Dan krijg ik weer iets van: ojee, ik wil niet aan jullie geschiedenis en leed komen. Ben ik in één keer weg. Terwijl het me weken gekost heeft om dat onderwerp aan te snijden.’
Lucky: 'Er is ondertussen wel een heel grote groep Indo’s van onze generatie die het absoluut niet interesseert waar wij mee bezig zijn.’
Wendela: 'Of er zelfs helemaal kriebelig van worden. Maar dan toch wel vragen; hoe is het dan met jou gebeurd?’
Mirjam: 'De rest stapt ogenschijnlijk vrolijk door het leven, gaat naar Indonesië op vakantie. En komt dan bijvoorbeeld ineens hartstikke ziek terug. En zegt: ik wil daar nooit meer naar toe.’
Mirjam Moll (Amsterdam, 1956)
'Ik ben een ratjetoe, een mengelmoesje. Mijn oma van moeders kant komt van een heel klein eilandje voor de kust van Timor, Roti. Hoe klein ook, het telde wel zeventien koninkrijkjes. Dus mijn oma was van adel. Dat sprak wel tot mijn verbeelding. Die Timorese oma is op haar zestiende gehuwd met een Amsterdamse Knil-militair. Mijn opa Blok. De andere kant, de Mollen-kant, dat zijn de andere koloniën. Mijn opa Moll is een creool, geboren in Suriname. Hij werd voor zijn studie naar Nederland gestuurd, op de zeevaartschool, kwam op de grote vaart terecht en van daaruit bij de KTN, in Indië.
De Mollen behoorden in Suriname tot de groep die al heel vroeg was vrijgemaakt van slavernij, ver voordat de slavernij werd afgeschaft, omdat er iemand zo goed was geweest om zijn kind te echten. Mijn familie Moll heeft nog zelf slaven gehouden, schijnt. Die opa Moll kwam op Timor, waar inmiddels een Hollandse onderwijzeres was, gedetacheerd aan de eerste Europese lagere school. In hun huwelijksregister prijkte de gelukwensende handtekening van mijn andere grootouders. Dus voor mij liggen op dat eiland mijn wortels.
Mijn moeder is geboren in 1938, in Malang, net voordat de Japanse bezetting uitbrak en de daarop volgende Bersiap, de Indonesische bevrijdingsstrijd. Zij zijn buiten het kamp gebleven op grond van hun Indisch-zijn. Die buitenkampsituatie, het vogelvrij zijn heeft diepe wonden geslagen, in ieder geval in het leven van mijn moeder. Tijdens de Bersiap zijn ze wel in kampen gestopt, door de Indonesiërs. Die situatie was zeer ernstig. Dat heeft er ook voor gezorgd dat ik allesbehalve Indisch wilde zijn. Want Indisch was voor mij heel erg verbonden met die pijn en de gekte die in mijn familie tastbaar waren.’
Lucky Oudekerk Pool (Assen 1951)
'Ik ben toen ik een half jaar oud was naar Indonesië gegaan. Mijn vader werd opnieuw uitgezonden. Hij was militair instructeur. Er bestond een afspraak dat Nederlandse instructeurs zouden helpen bij de opbouw van het Indonesische leger. Mijn vader stamt uit een geslacht van land- en zeeofficieren, ambtenaren en kooplieden en zij hadden sinds de helft van de achttiende eeuw contact met Indië. Ik was dacht ik twee toen wij terugkwamen. Mijn ouders hebben zich toen in Limburg gevestigd en daar ben ik verder ook opgegroeid. Naar de gebruiken in Indië was je als kind helemaal niet geïnteresseerd. Wel naar oorlogsverhalen. Ik heb het voordeel gehad. Tot in de gruwelijkste details werd alles verteld. We konden daar als kinderen geen genoeg van krijgen. Mijn moeder is Sumatraans-Armeens. Beiden waren actief in het publieke leven in Limburg. Mijn moeder was bijna tien jaar gemeenteraadslid in Roermond. Voor mij een goed voorbeeld van integratie.’
Jim de Vries (Amsterdam, 1956) 'De naam De Vries bestaat in de bloedlijn eigenlijk niet. Een Dajaks dorpshoofddochter kreeg een relatie met een Poolse arts. Ze kregen een dochter. Toen zij weer zwanger raakte van die arts is hij met zijn dochter vertrokken. Ze kreeg toen een zoon. Dat is een grootvader van me. Die is erkend door ene De Vries. Dat werd later door een tante ontdekt en kwam op papier. Dat die naam zo eigen geworden is, gaf de mogelijkheid aan de familie om naar Nederland te komen.
Mijn vader is geboren in Soerabaja. Tijdens de oorlog waren hij en zijn familie buitenkampers. Dus min of meer vogelvrij. Toen de Bersiap uitbrak werden ze tijdens een razzia opgepakt, hij en twee broers. Een broer wist te ontsnappen, die werd verderop weer opgepakt. Die heeft toen gezworen dat hij Indonesiër was. Toen werd gezegd: als je Indonesiër bent, kun je ook voor Soekarno vechten. Hij heeft een Indonesische naam aangenomen en daarna carrière gemaakt in het Indonesische leger. Mijn vader is bij de Koninklijke Luchtmacht gegaan. Hij is in Nederland getrouwd met een Hollandse. Voor veel Indo’s bestond er een scheiding tussen de familie en de buitenwereld, maar voor mij speelde zich dat allemaal binnen het eigen gezin af. Van jongsafaan was voor mij het hele leven een groot vraagteken. Ik kende al die codes niet. En wel.’
Wendela Gronthoud (Monster, 1958)
'Ik ben de jongste van drie kinderen. Mijn zus is nog geboren in Batavia en mijn broer al in Jakarta. Van beide kanten kom ik uit typisch Indische families, tot generaties terug. Het gemengdbloedige zit dus tot in mijn kleine teen. Mijn moeder stamt af van de vorst van Solo. Mijn vader komt uit een geslacht van koopvaardij-officieren en Indische ingenieurs. Er zaten ook nog perkeniers op Banda tussen.
De Japanse bezetting en de Bersiap was voor mijn ouders erg traumatisch. Mijn moeder was een buitenkampse. Mijn vader werd meteen in 1942 doorgestuurd naar de scheepswerven in Nagasaki. Drie jaar later was de helft van het kamp daar bezweken. Op een dag zag mijn vader een grote bom naar beneden komen, bedacht zich geen moment en dook meteen een scheepsruim in. Zo overleefde hij op krap twee kilometer afstand de atoombom. Na de capitulatie, hij woog nog 37 kilo, werd hij meteen weer opgeroepen. Hij werd als tolk betrokken bij de opsporing van Japanse oorlogsmisdadigers.
In 1950 zijn mijn ouders met de Johan van Oldenbarneveld naar Nederland gevaren.’
Linda Leeuwendal (Soerabaja, 1955)
'Mijn ouders zijn allebei Indisch. Mijn vader is echt gemengdbloedig, wat wil zeggen dat hij al generaties lang van Indische afkomst is en behoord tot de Indische tussenlaag van het koloniale Indië. Mijn vaders vader was een hoge ambetenaar, dus hij mocht naar Nederland op verlof. Hij was dertien toen de oorlog begon. De ontplooiingskansen werden daardoor geremd. Pas later heeft hij een technische opleiding gevolg. Mijn moeder is halfbloed, dus niet gemengdbloedig. Mijn oma van mijn moeders kant was een Nederlandse hoofverpleegster en ontmoette mijn opa, die een Ambonese arts was, in een ziekenhuis. Toen ze trouwden betekende dat dat zij gelijk werd ontslagen en ook haar pensioenrechten verloor. Het was verboden voor Nederlandse vrouwen met een inlandse man te trouwen, ook al was het de arts uit het ziekenhuis. Mijn ouders hebben elkaar ontmoet na de oorlog, in de jaren vijftig. We hebben nog een jaar op het eiland Lombok gewoond. Daar heb ik duidelijke herinneringen aan. Dat ik op het strand speelde. Mijn meeste herinneringen komen via bepaalde sferen en geuren die met warmte te maken hebben. En ik heb herinneringen aan dat we op de boot gingen. En de boottocht. Toen ik bijna vier werd, ben ik naar Nederland gegaan. We kwamen aan in Amsterdam. De eerste beelden van Nederland waren grijs en kaal en met een dijk. Iedereen keek geagiteerd naar buiten en zag alleen maar iets grijs. En mist.’