Juliana (1909-2004)

Geen gewone koningin

In wezen was prinses Juliana de ultieme hippie-koningin, en in geen enkel opzicht een «gewone» vrouw. Haar koninginneschap was evenmin gewoon. Het was van meet af aan een uiterst hachelijke onderneming, die culmineerde in een politieke en persoonlijke tragedie van oud-Griekse proporties.

«Juliana, de gewone koningin», kopt Trouw. «Een baboeska met haar op de tanden», aldus de Volkskrant. «Een lieve oma met bloemetjesjurk», herinnert het Algemeen Dagblad zich. De afgelopen dagen heeft de vaderlandse pers zich in alle bochten gewrongen om te beklemtonen hoe ontzettend gewoon de op zaterdag 20 maart op 94-jarige leeftijd overleden prinses Juliana is geweest. Het is ongetwijfeld bedoeld als een compliment. Uiteindelijk: een gewone koningin, is dat niet het schoolvoorbeeld van oud-Hollandse calvinistische waarden? De monarchie mag op zich misschien een tikkeltje excentrieke staatsvorm zijn, zij werd door Juliana op voorbeeldig kleinburgerlijke wijze gedirigeerd, aldus de beroepsuitwuivers in hun commentaren en necrologieën, en die veronderstelde bescheidenheid benoemen zij unisono dan ook als de belangrijkste reden van Juliana’s mateloze populariteit.

Het is waarschijnlijk goed bedoeld, maar de overledene wordt er bepaald geen recht mee gedaan, sterker nog: haar nagedachtenis wordt met dit soort dooddoeners een zware historische verminking toegebracht. Welbeschouwd is het zelfs een vorm van majesteitsschennis. Het koninginneschap van Juliana was allesbehalve gewoon. Het was van meet af aan een uiterst hachelijke onderneming, zoals iedere vorm van rebellie, en het culmineerde in een politieke en persoonlijke tragedie van oud-Griekse proporties, een fenomenaal treurspel van noodlot, list en geknakte ambities, een drama van on-Hollandse proporties, waar het koninkrijk nu nog van natrilt. Het is dat Nederland zo klein is, anders was het leven van Juliana al lang door Hollywood vastgelegd als sterrenvehikel voor Elisabeth Taylor in haar loopbaan na Cleopatra en Who’s Afraid of Virginia Woolf (en wat zou Richard Burton een mooie Bernhard hebben neergezet!).

Het heeft trouwens ook maar een haar gescheeld: de eerste poging om het leven van Juliana voor het nageslacht vast te leggen — afgezien van de talloze hagiografische broddelwerkjes uit de folkloristische school van het Hollandse Oranjologengilde — werd gedaan in de Verenigde Staten, en wel met het boek Queen Juliana: The Story of the Richest Woman in the World (1979) van bestsellerauteur William Hoffman. Hollywood nam een optie op de rechten op het boek, maar tot een daadwerkelijke verfilming kwam het niet, anders dan in het geval van andere werken van de in politieke biogra fieën gespecialiseerde Hoffman.

Tot aan 1948, het jaar dat zij wordt ingehuldigd als koningin, verraadt niets aan het gedrag van Juliana dat zij zal uitgroeien tot een rebel. Haar jeugd is er een van opperst isolement. Paleiswachten salueren als het kindermeisje met haar in de wieg passeert. Overal waar ze komt buigen de mensen als knipmessen. Oude hofdames fladderen op uit de donkere hoeken van paleis Noordeinde en maken de verplichte buiging wanneer het kind door de lange donkere gangen loopt. Wilhelmina ziet er streng op toe dat het koningskind krijgt wat het toekomt, opdat zij beseft in welke uitzonderlijke positie zij verkeert. Het meisje wordt afgeschermd van de rest van de wereld. Wilhel mina’s vrees dat de kroonprinses ziek zal worden — het trieste lot van haar drie halfbroers indachtig — mondt uit in een zucht tot afscherming. Ook koningin-moeder Emma, die haar dochter met Spartaanse tucht had opgevoed, er vanuit gaand dat dat het enige middel was ter beteugeling van het wilde Romanov-bloed dat door de aderen van de Oranje-dynastie kolkte, doet een stevige duit in het zakje.

Naast het isolement is er vooral de angst voor de massa. Revolutie hangt in de lucht, monarchen zijn nergens veilig. In april 1918, bij een officieel bezoek aan Amsterdam, staat de koninklijke familie doodsangsten uit als het hongerige volk in Kattenburg de konin k lijke koets bekogelt met rotte veenaardappelen. Later die dag is het raak in de hoofd stedelijke Staatsliedenbuurt, waar een kleine volksopstand uitbreekt nadat Juliana een plaquette in de Nassaukerk heeft onthuld. De massa probeert de koninklijke koets te kantelen. Ternauwernood weet de koninklijke familie te ontkomen.

De angst om in het openbaar te verschijnen, toch al geen geliefde bezigheid der Oranjes, wordt in het revolutiejaar 1918 groter dan ooit, zeker wanneer bekend wordt dat tsaar Nicolaas II (directe familie van Wilhelmina en van prins Hendrik), tsarina Alexandra en hun kinderen zijn geëxecuteerd. Het einde van de wereld lijkt nabij als Kaiser Wihelm II op 10 november als politiek vluchteling aanklopt bij de Nederlandse grensplaats Eysden. Bij het temmen van de revolutionaire furie speelt Juliana een belangrijke rol. Tijdens het strak geregisseerde «spontane huldeblijk» van het Nederlandse volk aan het Oranjehuis, op het Haagse Malieveld, wordt het prinsesje als een heiligenbeeld boven de massa getild.

Van een normale jeugd is op geen enkele wijze sprake, ook niet als Juliana met de grootste moeite uiteindelijk toestemming krijgt om te studeren. Wilhelmina had zich met hand en tand tegen deze wens van haar dochter verzet, en prefereerde privé-onderwijs. Twee jaar studeert Juliana aan de Universiteit van Leiden. Op het lesprogramma staan oud-vaderlands recht, algemene geschiedenis, adat-recht van Nederlands-Indië en volkerenrecht, Nederlandse letterkunde, Franse letterkunde, godsdienst geschiedenis en ook, opvallend genoeg, Germaanse mythologie. Tal van prominente geleerden zetten zich aan de vorming van de toekomstige vorstin — zoals schrijver Albert Verwey en historicus Johan Huizinga, een favoriet van de prinses. Tijdens haar studententijd woont Juliana met enkele medestudenten «op kamers» in een villa even buiten Katwijk. Het is haar eerste kennismaking met de buitenwereld, en die verloopt niet altijd even schokvrij. In de kleedkamers van de roeivereniging wordt ze uitgelachen om haar ouderwetse ondergoed. Tijdens een roeiwedstrijd van haar studentenvereniging VVSL raakt ze volkomen in paniek als haar medestudenten haar boot laten omkieperen. Wilhelmina grijpt in. Na twee jaar studie volgt een eredoctoraat. Wilhelmina kan het idee niet verdragen dat haar dochter door een onderdaan zou worden geëxamineerd.

Ook over haar aankomende huwelijk heeft Juliana weinig te vertellen. Het is een staatsaangelegenheid en dus is moeder degene die stuurt. Juliana is nog maar net dertien als De Telegraaf melding maakt van een huwelijks arrangement met een lid van de Britse aristocratie, viscount Trematon, zoon van de graaf en gravin van Athlone, haar oom en tante. Vier jaar later gonst het van de geruchten over reeds vergevorderde plannen om de kroonprinses uit te huwelijken aan de Belgische prins Karel. Wilhelmina denkt met een Belgische schoonzoon te kunnen voorkomen dat de zuiderburen delen van Limburg en Zeeuws-Vlaanderen annexeren. Een andere kandidaat is de Duitse prins van Stolberg-Stolberg, een potentiële bruidegom waar vooral Wilhelmina haar zinnen op had gezet omdat deze prins een nakomeling was van Juliana van Stolberg, de moeder van dynastiegrondlegger Willem de Zwijger. Maar op het laatste ogenblik deinst ook deze prins terug voor een verloving met de Nederlandse prinses en trouwt vervolgens zeer undergebürtig met de dochter van een houtvester van zijn familie. Nadat ook de hertog van Kent is afgeketst, wordt de Zweedse prins Karel gepolst. In Nederland worden al boekjes gedrukt ter viering van de verloving. Deze premature koorts over Juliana’s huwelijk verraadt hoezeer haar moeder gepreoccupeerd is met de zorg voor het nageslacht en de Oranje-dynastie, en minder met de kwaliteit van haar dochters leven.

De Amsterdamse bankier Ernst Heldring noteert in 1934 in zijn dagboek over de huwelijkskansen van de vorstin: «Ik vrees dat men haar moet toewensen ongehuwd te blijven. Ze mist nu eenmaal fysieke bekoring, hoe eenvoudig, lief en misschien ook intelligent zij moge zijn, en dit gepaard gaande aan de toch al moeilijke positie van prins-gemaal in Nederland levert een al te goede basis voor een ongelukkig huwelijk.» Bernhard komt in Juliana’s leven via een veredeld sollicitatiegesprek met haar moeder. De onderhandelingen spitsen zich toe op inkomenspositie en rechtspositie van de prins. Dat de bruidegom tijdens de bruiloft nog de facto lid is van de NSDAP is geen beletsel. Adolf Hitler is uiteindelijk nog een bevriend staatshoofd. Via Bernhard komt Juliana terecht in een andere wereld, een mondain milieu dat ze zich gretig en snel eigen maakt.

Van een schrikbarend gebrek aan kennis van de actuele politieke verhoudingen getuigt Juliana’s brief van 8 mei 1940 aan de in de Verenigde Staten woonachtige Nederlandse historicus Hendrik van Loon, die haar zijn villa op Long Island had aangeboden voor het geval dat de koninklijke familie zou moeten uitwijken:«Als geboren Nederlander en kenner van de Nederlandse geschiedenis behoorde u te weten dat vijf eeuwen lang het Huis van Oranje voor geen enkel gevaar op de vlucht is geslagen. Onze plaats is hier in Nederland, of er gevaar dreigt of niet. We zullen onze post nooit verlaten», schrijft Juliana gepikeerd. Vier dagen later zit ze met haar moeder en echtgenoot op de boot naar Engeland.

Tijdens de oorlog worden Juliana en haar kinderen in Canada ondergebracht, streng bewaakt door een militaire lijfwacht, die er vooral voor moet zorgen dat de prinses geen verkeerde vrienden maakt. Het moet een leeg bestaan zijn geweest voor Juliana. President Roosevelt probeert haar ogen te openen voor de noden van de nieuwe tijden, maar geeft het verbitterd op als hij merkt dat de tegenkrachten in de hofhouding te groot zijn.

Een geheel andere Juliana doet zich kennen vanaf 1948. De schok die het opvolgen van haar diep gerespecteerde moeder met zich meebrengt, zorgt voor een persoonlijkheidstransformatie. «Wie ben ik dat ik dit doen mag», zijn de historische woorden waarmee ze het hoogste ambt aanvaardt. Tegelijkertijd heeft Juliana zich voorgenomen een ander soort koningin te worden dan Wilhelmina. De verplichte révérence sneuvelt. De houwdegens van koloniaal Nederland krijgen een bittere pil te verwerken met de kerstrede van de nieuwe vorstin in 1948. Terwijl ginds de dessa’s worden platgebrand en kapitein Westerling in naam der koningin op Zuid-Celebes een slachtpartij aanricht, spreekt de vorstin op de radio: «Het is mij een behoefte een groet te brengen aan allen die in dat verre, goede land aan het strijden zijn. Het kan niet anders of onze gedachten gaan ook uit naar degenen, die zij daarbij tegenover zich vinden. Onze zuiverste wensen gaan naar hen allen uit.» Met andere woorden, ook de onafhankelijkheidsstrijders van Soekarno krijgen de complimenten van de vorstin. Het is een staaltje hogere dialectiek waar menige militair in «de Oost» braakneigingen bij krijgt.

De dekolonisatie van Nederlands-Indië werd al door Wilhelmina tijdens de oorlog beloofd als beloning voor verzet tegen «de Jappen», maar de oude vorstin kon zich niet zetten aan het proces dat nodig was voor de uitvoering daarvan. Het was een van de belangrijkste redenen geweest om een stap terug te doen voor het koninginneschap van haar dochter. Juliana geloofde in de onttakeling van het koloniale imperium. Die uit te voeren was voor haar een vervulling van de hooggestemde idealen die ze had meegekregen van haar Leidse tijd.

Wanneer de eerste troepen terugkeren uit de Oost staat de vorstin op de kade klaar met wenken voor de Nieuwe Tijd. «Misschien is het goed dat wij allen beseffen dat het gevoel van het ineenstorten van een ideaal — zo wij dit gevoel hebben — alléén kan bestaan wanneer de doelstelling van het ideaal niet begrepen wordt, omdat de doelstelling ‹vechten› als vechten op zichzelf natuurlijk verderflijk is en consequenties heeft die altijd weer tot gewelddadigheid voeren, zodat de kans voor het ideaal verdwijnt als ideaal.» Juliana-biografen M.G. Schenk en Magdaleen van Herk in Juliana, vorstin naast de rode loper (1980): «Het is de vraag of de soldaten, ooit vertrokken voor ‹koningin en vaderland›, met een mentaliteit van ‹hojo, hojo, het zeegat uit›, maar nu uitgeput en fysiek of psychisch gehavend, dergelijke volzinnen van hun koningin begrepen hebben.»

Na de ondertekening van de soevereiniteitsoverdracht van 27 december 1949, waarbij Nederland eindelijk de Indonesische onafhankelijkheid erkent, komt Juliana wederom met mooie retorische zinnen, passend bij de historische allure van de handeling: «Niet langer staan wij gedeeltelijk tegenover elkaar. Wij zijn nu naast elkaar gaan staan, hoezeer ook geschonden en gescheurd en vol van littekens en spijt.»

Inmiddels heeft de vorstin Greet Hofmans leren kennen, een relatie die haar gedachtegoed over de wenselijkheden van de nieuwe tijd aanzienlijk verdiept. Hofmans is veel méér dan alleen de helderhorende die wordt geconsulteerd om de oogziekte van prinses Marijke te verhelpen. De relatie doet inderdaad denken aan die tussen de laatste tsarina en Raspoetin: het wederzijds vertrouwen is even groot en ook de mystieke component ontbreekt niet. Hofmans is een door het leven getekende vrouw, afkomstig uit de Amsterdamse arbeiderklasse. Via haar moeder is ze van jongs af aan geschoold in de mysteriënleer van Helena Blavatsky, Annie Besant en Jiddu Krishnamurti, kopstukken van het theosofische denken, dat als uitgangspunt de versmelting van alle wereld religies heeft. Op de jaarlijkse Sterren-kampen in Ommen, waar de Indische goeroe Krishnamurti zijn boodschap van universele vrede predikt, is Greet Hofmans in de jaren dertig trouw van de partij. In de oorlog neemt ze deel aan het verzet, ze is onder meer actief in een lijn om joodse kinderen uit de Hollandse Schouwburg in Amsterdam te bevrijden. Na de oorlog doet ze afstand van alle aardse begeertes, en krijgt aan de lopende band «doorgevingen» uit een andere dimensie.

Aan Friedrich Weinreb, met wie ze een innige vriendschap ontwikkelt, vertrouwt Hofmans eens toe dat ze haar opzienbarende positie in het Nederland van de jaren vijftig niet aan zichzelf te danken heeft: «Ik wil helemaal niet genezen; ik heb het alleen maar met de mensen te doen, ik leef met hen mee. Maar medelijden heb ik nooit gehad. Wat is medelijden nu helemaal? En hoe lang duurt het, hoe lang houdt het aan? Het vervluchtigt snel. Een mens kan niet zoveel medelijden opbrengen. Maar ik merkte dat datgeen wat uit mijn mond kwam, niet van mij kwam, het ging mijn verstand zelfs te boven, ook de taal zelf, dat was niet ik zelf. Door Juliana kwam ik in aanraking met de hogere kringen, waar de mensen in Amsterdam of Friesland niets van af weten. Die mensen hebben psychische problemen, of problemen die te maken hebben met de hoge politiek, of economie. Van die terreinen weet ik niets. Maar de antwoorden kwamen op precies dezelfde manier binnen (…) Ik ben zelf, zoals u wilt, een slachtoffer van deze doorgevingen. Waarom ik weet ik ook niet. Want ik ben noch bijzonder goed noch intelligent.»

Ook Bernhard maakt gaarne gebruik van de doorgevingen van het medium Hofmans, zij het vooral ter optimalisering van de prestaties van zijn Olympische springpaard No no Nanette. In het geval van Juliana is er sprake van een kruisbestuiving. Door Greet Hofmans krijgt zij de kracht om van haar ambt een missie te maken met mondiale allure. De speeches van Juliana in de jaren vijftig getuigen van een soort bevrijdingstheologie avant la lettre, ze zijn radicaal in hun afwijzing van het verleden en visionair in hun toekomstverwachtingen. Tot een gehoor van Franse studenten spreekt ze in mei 1950 in Parijs: «Kijk niet te veel naar het verleden, al is het interessant om te leren hoe het niet te doen. Beschouw het gerust als een boze droom. De voorafgaande geslachten, hoewel zij ook waren bezield door de brandende wil de wereld te verbeteren, hebben gefaald, omdat zij niet definitief ‹halt› hebben gezegd tegen de krachten der vernietiging. Dit te doen is nu precies de taak van de tegenwoordige generatie.»

Het vurig uitgedragen internationalisme van Juliana, dat niet beperkt bleef tot Europa alleen, had een intensiteit die anderen pas decennia later, toen het globaliseringsvraagstuk zijn opwachting maakte, wisten te doorgronden. Haar vermaningen aan het adres van het Congres van Afgevaardigden in Washington, waar ze Amerika vergeleek met het Romeinse Rijk, getuigden midden in de Koude Oorlog van grote moed. De Duitse Abendpost schreef: «Wij zouden bijna onze republikeins-democratische deugden overboord werpen en monarchisten worden (…) natuurlijk slechts voor een koninkrijk, waar dergelijke gedachten werkelijkheid zouden worden.»

Die Amerikaanse reis luidt echter ook de val van de tandem Juliana-Hofmans in. Het Parool deelt de eerste klap uit: «In elke speech (van de vorstin — rz) is met meer of minder nadruk gesproken over een blijkbaar acuut geacht oorlogsgevaar, waartegenover dan op nogal duistere wijze een beroep gedaan werd op begrippen, die herinneringen oproepen aan redevoeringen en geschriften van Nehroe en Krishnamurti en van denkbeelden, die men bij pacifisten, mensen van de ‹derde weg› en bij sommige mystici pleegt aan te treffen.»

Juliana was natuurlijk een voorstandster van de Derde Weg, zoals alle belangrijke leiders van de Europese sociaal-democratie en de Amerikaanse president Clinton vier decennia later dat ook zouden worden. Haar noodlot was dat van de pionier: ze was te vroeg, of beter: de anderen kwamen te laat. Wat volgde was een interne paleiscoup, met medeweten van de politiek, waarbij Juliana langzaam maar zeker in een opperst isolement werd gedreven, na aanvankelijk de wens te hebben uitgesproken zich van Bernhard te laten scheiden. Die stap had in de breekbare politieke verhoudingen van die tijd zeer zeker het einde van het instituut monarchie betekend.

Dat Juliana uiteindelijk heeft afgezien van die fatale stap is het geheim dat ze meeneemt naar haar laatste rustplaats in de Oranje-grafkelder van de Nieuwe Kerk in Delft. Zoals bekend nam Juliana uiteindelijk op last van de regering afscheid van Greet Hofmans en iedereen in de hofhouding die met haar sympathiseerde. Daarmee nam ze ook afscheid van haar meest ambitieuze periode. Tegenover zijn biograaf Alden Hatch zou Bernhard later verklaren dat Juliana in zijn ogen in die tien jaren met Greet Hofmans «gehersenspoeld» was. Geruchten over een dreigende opname van Juliana in de Sint-Ursulakliniek zijn nooit bevestigd, maar bleven hardnekkig verbonden aan het droeve relaas van de paleisoorlog die als de «Greet Hofmans-affaire» de boeken zou ingaan.

Vanaf 1958 — het jaar dat Juliana in naam van de monarchie een einde maakt aan haar grote project en voortaan op aanzienlijk bescheidener schaal zal opereren — is het gedaan met de grootse vergezichten. Juliana offert haar eigen natuur op voor de continuïteit van het instituut dat haar vorstin heeft gemaakt. De dubbele houding tegenover haar ambt wordt kristalhelder in een van haar betere uitspraken: «Als ik geen koningin was geweest, was ik ook republikein.» De strijd die zij in de jaren vijftig bijna moederziel alleen voerde in een land dat psychisch verlamd uit de oorlog was gekomen, werd in de jaren zestig gemeengoed. Haar spiritueel adviseuse Greet Hofmans zag het met grote instemming aan. Juliana hield zich meer op de vlakte. Maar in wezen was zij natuurlijk de ultieme hippie-koningin.