Geen gewone mensen

Joachim Fest
Ich nicht: Erinnerungen an eine Kindheit und Jugend
Rowohlt, 366 blz., € 19,90

Beleeft Duitsland een herfst van jeugdherinneringen? In ieder geval bevinden zich onder de boeken die de afgelopen weken op de markt zijn gedwarreld twee autobiografieën van Duitse schrijvers, wier jeugd samenviel met de jaren van nazi-dictatuur en oorlog. Na Beim Häuten der Zwiebel van Günter Grass (besproken in De Groene Amsterdammer van 1 september) is er nu Ich nicht van Joachim Fest. Deze bekende Duitse publicist en groot kenner van het Derde Rijk stierf op 11 september. In zijn nalatenschap bevond zich nog dit nieuwe werk.
Grass en Fest behoren tot de generatie die in de oorlog uit de schoolbanken werd gehaald om te helpen bij het bedienen van het luchtafweergeschut, dienst te doen bij de Reichsarbeitsdienst en ten slotte soldaat te worden. In 1945 volgde dan voor kortere of langere tijd krijgsgevangenschap.

Grass en Fest hebben, ieder op zijn eigen manier, mede het beeld van de West-Duitse Bondsrepubliek bepaald, maar vrienden zijn ze nooit geweest. Daarvoor waren ze te verschillend. Grass is een kunstenaar en schrijver van maatschappelijk relevante romans, alsmede een geëngageerde linkse sociaal-democraat die graag moraliseert. Fest was als schrijver van onder meer biografieën van Hitler en Speer zeker niet de mindere van Grass, maar zijn persoonlijkheid was een geheel andere. Hij was een conservatieve burger die zocht naar verklaringen en de wereld niet bij voorbaat indeelde in links en rechts, goed en kwaad. Zo bood Fest in de jaren tachtig, in zijn toenmalige hoedanigheid als een van de uitgevers van de gezaghebbende Frankfurter Allgemeine Zeitung, de omstreden Duitse historicus Ernst Nolte ruimte om zijn these te publiceren dat het fascisme niets anders is geweest dan een reactie op het bolsjewisme. Dit leidde in Duitsland tot de bekende Historikerstreit.

Bij lezing van hun herinneringen dringt de vraag zich op of de twee schrijvers zo verschillend waren omdat beider jeugd zo verschillend was. Grass groeide op in een milieu van kleine middenstanders; vader partijlid en zoon Günter bijna vanzelfsprekend lid van de Hitler Jugend, een jongen die geen vragen stelde en voor wie de Waffen-SS niets afschrikwekkends had. Grass schaamt zich voor dit verleden. Fest daarentegen groeide op in een gezin waarin ‘twijfel als de belangrijkste burgerlijke deugd’ werd gezien en de nazi-ideologie werd verafschuwd. Mede dankzij zijn moedige en integere vader hoefde Joachim Fest zich persoonlijk na 1945 nergens voor te schamen.

Deze vader staat in Ich nicht centraal, en terecht. Hij behoorde tot de intellectuele burgerij in Berlijn en was voor 1933 actief in de Reichsbanner, een militante organisatie ter verdediging van de republiek van Weimar. Als vrome katholiek was hij eveneens actief binnen het Zentrum, de katholieke partij. In tegenstelling tot vele andere intellectuele burgers was hij na het aan de macht komen van Hitler niet bereid zijn principes op te geven en zich aan te passen. Dit leidde ertoe dat vader Fest in april 1933 door de nazi’s werd ontslagen als directeur van een Berlijnse school. Armoede en sociaal isolement waren het gevolg, maar dit alles bracht hem niet aan het wankelen. Toen moeder Fest, die met zeer bescheiden middelen voor een groot gezin moest zorgen, in 1936 een voorzichtige poging deed hem er alsnog toe te brengen voor de schijn lid van de nazi-partij te worden, stuitte ze op graniet. Op haar argument dat huichelen en de onwaarheid zeggen van oudsher de middelen van de gewone man zijn, antwoordde hij: ‘Wij zijn geen gewone mensen. Niet in deze dingen.’ Met deze ‘bende misdadigers’ wilde hij niets te maken hebben.

De autobiografie is een goed geschreven, lezenswaardig boek. De titel Ich nicht is ontleend aan een citaat uit de bijbel: ‘Al laat iedereen u in de steek – ik niet.’ Vader Fest gebruikte dit citaat bij de vorming van een kleine huiselijke kring van ingewijden, waar vrijelijk over alles kon worden gesproken. Of toch over bijna alles. Veel Duitsers hebben na 1945 beweerd van de vele nazi-misdaden niets te hebben geweten. Vader Fest wist echter al midden 1943 dat in Oost-Europa de joden werden vermoord. Maar hij vond het moeilijk om daarover te spreken. Hij voelde zich machteloos en wanhopig, want hij moest erkennen dat het gezien de massamoorden in Rusland, Polen en elders niet mogelijk was goed en oprecht te leven in een slechte, verdorven samenleving. Woedend merkte hij eens op dat onder de huidige omstandigheden geen scheiding meer mogelijk is tussen goed en kwaad: ‘De lucht is vergiftigd. Die besmet ons allen. (…) Niemand kan ons vrijspreken.’

Dat zwijgen heeft vader Fest volgehouden tot aan zijn dood begin jaren zestig. Na de oorlog zei hij: ‘We zwijgen allen. Uit schaamte, angst en beklemming. Ik zwijg ook. Het is ongepast te spreken.’ Het verzoek van zijn zoon zijn memoires te schrijven wees hij af. Dat zou hem op een voetstuk plaatsen en dat wilde hij niet. Joachim Fest heeft dat nu toch in zekere zin gedaan. In de autobiografie schrijft hij uiteraard veel over zichzelf, maar vader en moeder zijn, soms op de voor-, soms op de achtergrond, steeds present. Dat maakt Ich nicht tot een klein monument voor de voorbeeldige houding van deze ouders.