Geen gezicht

‘Het levende gezicht is de belangrijkste en geheimzinnigste uiterlijkheid waar we mee te maken hebben’, schrijft Daniel McNeill in het voorwoord van zijn boek Het gezicht. Op de achterkant staat een foto van zijn eigen gezicht. Ik kan niet vaststellen of hij een laag voorhoofd heeft omdat hij een pet draagt. Zijn ogen staan dicht bij elkaar, dat is volgens dit boek genetisch bepaald en zegt niets over het innerlijk. Hij heeft een ringbaardje en lacht. Wat schrijft hij over baarden? ‘Er is een gezegde dat een kus zonder baard “een ei zonder zout” noemt en de Deense filoloog Christopher Nyrop dacht dat vrouwen de voorkeur gaven aan een kus van een man met een baard.’ Het lijkt me sterk maar ik wil niet zeuren.

Lacht Daniel een echte lach? Ik vergelijk zijn lach met die van de foto op bladzijde 176. ‘De echte lach’ staat eronder. Een meisje ontbloot haar tanden in mijn richting, dit kan geen 'echte’ lach zijn, omdat het de lach is van iemand die weet dat er een lach wordt gefotografeerd en dus doet alsof ze lacht. Vragen bestormen me. Wanneer is iets precies een echte lach? Ik kijk naar een leuke film op de televisie, er is niemand in de kamer met een fototoestel, ik denk er niet aan dat ik straks ga lachen, en ik lach, door niemand opgemerkt, dit is de echte lach. De echte lach is de lach die niet aan lachen denkt. Dit boek vindt het niet nodig dat we een gezicht hebben. 'Vele wezens, zoals zee-egels, zeesterren, schelpdieren, kwallen en protozoa, achten zoiets ver beneden zich.’ Ik moet niet al te lang door blijven lezen, denk ik, omdat ik hoofdpijn begin te krijgen. Wij hebben dus wel een gezicht en kwallen niet en dat is niet erg. Of wel? Wat was er eigenlijk eerder: iets wat wij een gezicht noemen, of dingen die wij een neus, twee ogen en een mond noemen? Hoe weten we precies dat iets een gezicht is? We kunnen het alleen weten wanneer iemand dat tegen ons gezegd heeft. Of zou zoiets toch níet op een afspraak berusten? Maar hoe werkt het dan wel? Ik probeer me kwallen voor te stellen die iets ver beneden hun stand vinden. De koppijn neemt toe. Verderop staat dat gezichten niettemin verbazingwekkend normaal zijn in het dierenrijk. Omdat zoogdieren bijvoorbeeld twee ogen hebben, een mond en een neus? Waarom zij wel en kwallen niet? 'Dit is de evolutie’, zegt McNeill eenvoudig. Zijn betoog berust op de cirkelredenering dat we iets een gezicht noemen wat op een gezicht lijkt en dat we alles wat daar niet op lijkt geen gezicht noemen. Maar hoe weten we dat iets een gezicht is? Ik kom er niet meer uit. Ik ga voor de spiegel staan en probeer mijn eigen gezicht te zien. Het lukt niet, ik kijk naar mijn iemand-kijkt-naar-mijn-gezicht-gezicht. Dus niet naar mijn eigen gezicht. Hoe kan ik mezelf zien zonder te weten dat ik naar mezelf kijk? In het boek staat hier niets over. Hoe kan ik zichtbaar worden? Wie ben ik?