Geen groot verhaal

Herman Koch, Eindelijk oorlog. Uitg. Meulenhoff, 190 blz., f32,90 ‘Een kind wil steeds opnieuw hetzelfde verhaal horen, voorgelezen uit een boek, of uit het hoofd verteld, tien keer, honderd keer, het maakt niet uit, zolang het maar hetzelfde verhaal is.’
Aangeschoten mensen in een cafe, die vertellen vaak hetzelfde verhaal, of je het nu wilt horen of niet, tien keer, honderd keer, het zal ze een zorg zijn. Als je maar luistert. Een verhaal over een neef van een tante van een opa van mijn vorige vrouw, en dat daar dan iets mee was. Iets heel belangrijks, althans voor de verteller zelf.

In Eindelijk oorlog, de tweede roman van Herman Koch, tracht de ik-verteller en hoofdpersoon een geschiedenis te construeren die een stuk heroischer is dan de werkelijke. In zekere zin is Herman een typisch postmodern mens: als hij ergens aan lijdt, is het de afwezigheid van ‘grote verhalen’ in zijn bestaan. Hij beschouwt zichzelf als een 'bejaarde wees’: iemand zonder overgebleven familieleden, alleen op de wereld, maar al veel te oud om nog kind te zijn. Aangezien hij op gezette tijden wordt overvallen door aanvallen van claustrofobie en intense angst, besluit hij tot zelfonderzoek naar de wortels van zijn probleem. Zijn vriendin A. heeft hem ervan overtuigd dat het tijd is professionele psychologische hulp in te roepen.
Na veel 'kleine verhalen’ (als jongetje een speelgoedtank geleend van het buurjongetje en met het schrikwekkende voertuig zijn grootmoeder de stuipen op het lijf gejaagd, de dodenherdenking bij een standbeeld van drie mannen voor het vuurpeloton, de avontuurlijke grootvader die wegkwijnde in het cafe dat hij op latere leeftijd begon) de revue te hebben laten passeren, besluit Herman dat zijn ongeluk is begonnen met de mand waarin hij als pasgeborene moest liggen: een mand die tijdens Operation Market Garden in 1944 uit een Engels vliegtuig werd geworpen. Hij, geboren in 1953, lag in een wieg waarin al het geweld en alle opwinding van de Tweede Wereldoorlog zich hadden geconcentreerd. Want de oorzaak van zijn ietwat mislukte leven is: de afwezigheid van een interessante, tot de verbeelding sprekende, persoonlijke geschiedenis.
Hermans tante Mies, zijn enige nog levende familielid, heeft, zo vermoedt hij, in de oorlog een Grote liefde gekend. Haar man is echter jammer genoeg omgekomen, reconstrueert Herman, in de slag om Arnhem. Dan weet Herman hoe het zit: eigenlijk is hij dat kind, dat kind dat tante Mies had moeten krijgen. Maar Herman is dat niet. Herman is van na de oorlog. Zijn persoonlijke geschiedenis is ontdaan van alle heroiek en opwinding. Zijn leven is zogezegd een aaneenschakeling van kleine, op zich niets betekenende verhalen.
In Eindelijk oorlog lijdt de lezer aan hetzelfde probleem als Herman: hij volgt een reeks van oninteressante, kleine verhalen, en moet alles wat zou moeten lijken op het 'grote verhaal’ dat de roman bijeenhoudt en zin geeft, zelf (re)construeren. Net als Herman zelf moet hij of zij de leugen daarbij niet uit de weg gaan, het verzinsel als correctie op de teleurstellende werkelijkheid. De lezer verzinne dus maar: een stilistisch meesterschap, een boeiende vertelling, een relativerende humor en literaire zeggingskracht. Want Eindelijk oorlog doet vooral wensen dat alles net even anders zou zijn dan het is. Maar binnen hetzelfde verhaal, ook al weet je de afloop, blijf je hopen dat het de volgende keer misschien net iets anders is: dat voor een keer niet de prins de draak doodsteekt, maar dat juist de prins eindelijk eens tussen de kaken van de draak vermalen wordt.