Geen grote klootzak

tekening: Dick Tuinder

Adriaan van Dis
De wandelaar
Augustus, 219 blz., € 17,90

Medium mars 20in 20labour 20def

Romans waarin mensen hun medemens van de ondergang willen redden of willen beschermen tegen allerlei onheil zijn vaak hartverscheurend. Simon Vestdijk schreef in 1948 met De redding van Fré Bolderhey een schoolvoorbeeld. De jeugdige held Eddie hoort tijdens een familiebijeenkomst dat zijn neefje Fré Bolderhey ziek is, hij lijdt aan schizofrenie en bevindt zich in een gesticht. Eddie neemt zich voor dit ongelukkige familielid van de ondergang te redden en vervolgens maken we de smartelijke lijdensweg van Eddie mee, die zelf ten onder gaat aan gruwelijke hallucinaties. Zonder het met zoveel woorden te zeggen bracht Vestdijk hier pregnant en magnifiek het thema in kaart over de blinde die de lamme probeert te helpen en zich verstrikt in zijn eigen problematiek. Minder indringend en dramatisch maar zeker net zo overtuigend en vooral geestig behandelde bijvoorbeeld ook Mark Twain dit klassiek literaire thema in The Adventures of Huckleberry Finn (1884). Huck Finn probeert de gevluchte slaaf Joe van de ondergang te redden, maar brengt hem in feite steeds meer in de problemen. Wat moet je doen om anderen te helpen of te redden? Daar gaat het om. En vooral: is redding wel mogelijk? Op meer politiek niveau schreef V.S. Naipaul met Guerrillas (1973) een ander voorbeeld. In deze grimmige en cynische roman liet hij zien waartoe goed bedoelde maar weinig overdachte en zelfs egoïstisch te noemen steun aan verzetsbewegingen in een koloniaal gebied kan leiden.

Adriaan van Dis brengt in zijn nieuwe roman een figuur op de planken – hij heet Mulder – waarin we allerlei trekjes van zijn uit interviews bekende biografie kunnen herkennen. Hij woont in Parijs, maakt daar lange wandelingen, houdt van mooie dingen en gaat zich op zijn tijd te buiten aan lekker eten en drinken. Op een dag ontfermt hij zich over een hondje dat gevlucht is uit een in brand gevlogen pand in de buurt. Via dit hondje maakt hij kennis met een aantal meestal illegale en arme bewoners. Wat kun je doen om deze mensen te helpen? Met deze vraag ging de schrijver aan de slag en laat hij zijn held tobben en peinzen. Het hondje ontpopt zich meer en meer als het hoofdpersonage van de roman, hij is de verbinding tussen alle verworpenen en vertrapten, hij kent ze allemaal en zij kennen hem.

Dit idee werkt wonderwel uit, het geeft Van Dis de gelegenheid zijn humanitaire en warme gevoelens voor mensen niet al te larmoyant op de voorgrond te zetten, hij kan ze op dit hondje projecteren. En via dat hondje kan hij toch een portret geven van illegalen in Parijs. Je maakt als lezer een wandeling – de titel van de roman is treffend – langs allerlei armoedzaaiers en vluchtelingen: de verstoten vrouw, de bedelaar, de asielzoeker. Plus langs allerlei andere figuren die bij deze wereld betrokken zijn: de Albanese maffia die voor papieren zorgt, nuffige studenten uit de betere kringen die betogingen houden, politieagenten en vooral Père Bruno, de priester uit de buurt die zich krachtig voor de vertrapten inzet. Mulder deinst terug voor de halfzachte religieuze bevlogenheid van deze figuur en kiest voor een algemeen humanitaire oplossing: ‘Maar we kunnen nog wel wát doen in de geringe ruimte die we hebben.’ Iets verderop keert hij zich tegen de religieuze grondslag van Père Bruno’s hulpverlening en bekent hij zich tot een humanistische visie: ‘Ik geloof niet in plannen van boven. De mens is zijn eigen plan.’

Deze roman is een ideeënroman waarin Van Dis zijn aarzelingen over hulp aan anderen voorzichtig naar voren brengt, hij wil niet te hard op allerlei tenen trappen en komt regelmatig niet veel verder dan algemene statements als dat je toch best wel iets zou moeten doen. Waarom niet af en toe geroepen dat ze wat hem betreft allemaal kunnen barsten met die zelfmedelijdende armoekoppen? Al die neparmen en nepvertrapten. Zijn voorzichtigheid brak me soms op, ik had graag onder die asielzoekers en vluchtelingen ook een grote klootzak aangetroffen die van iedereen en alles misbruik maakt. En dat de held Mulder even gauw een nummertje maakt met die lieve Mevrouw Sri en zich dus ontpopt als een enorme huichelaar. Dan krijg je een pijnlijke roman, maar zo ver wilde de schrijver het niet laten komen. Hij heeft gelijk, denk ik, ik moet ook niet altijd zo zeuren en waarom kan ik niet gewoon van sentimentele boeken houden? En dat hondje vond ik mooi en lief.

De roman is het best wanneer Van Dis de kern ervan in dubbelzinnige zinnen weet te vangen. Dan komt zijn persoonlijke problematiek die aan zijn hele werk ten grondslag ligt en die berust op mensenschuwheid en afweer van maatschappelijke verhoudingen ineens scherp en fraai in het licht te staan. ‘Schuilen voor zichzelf. In kerken kon hij denken zonder te weten waaraan hij dacht. Uren. In dat vreemde geroezemoes, in dat prachtige licht. Zonder een klacht van zijn hond. Hij dwaalde en hij schaamde zich.’