Geen hamster

De pathologische neiging om noodvoorraden aan te houden had ik al. Van mijn moeder.

Ik dacht ineens weer aan Conway’s Game of Life, een digitale simulatie waarin cellen zich volgens een vaste set regels ontwikkelen, vermenigvuldigen of sterven. Conway ontwikkelde het in de jaren zeventig op een Go-bord, maar al snel verschenen er computerprogramma’s en toen de jaren negentig aanbraken zaten nerds zoals ik hele middagen met blokjes en hokjes te knoeien om te kijken wat er gebeurde als je een glider losliet op een pulsar. Sommige aanvangstoestanden brachten duizenden generaties voort. Alsof het levensvormen waren. Of virussen.

Ik leef al drie weken min of meer geïsoleerd van de wereld. Of beter: meer geïsoleerd van de wereld, want ik sta al niet bekend om mijn uitbundige sociale leven. Mijn 93-jarige buurvrouw heeft in een maand meer sociale contacten dan ik in een jaar. Als kind moest ik al vechten tegen de aansporingen van mijn moeder om ‘lekker buiten te gaan spelen’, wat sowieso nogal een merkwaardige opmerking was voor een vrouw die zelf het liefst thuis zat en een broertje dood had aan menselijk contact. Als mijn vader in het weekend met z’n allen in een bos wilde wandelen, keek ze hem aan alsof hij had voorgesteld dat we gezinsgewijs harakiri zouden plegen.

Ik had een zware verkoudheid opgelopen die gepaard ging met onbedaarlijke hoestbuien en hoofdpijn. Of het corona was, wist ik niet, maar het zou kunnen. Een huisgenoot van mijn dochter was teruggekomen uit China toen de uitbraak daar op zijn hevigst was. Het leek mij verstandig om voorlopig geen mensen te zien.

‘Zelfisolatie?’ zegt mijn vriend Harry.
‘Semi’, zeg ik. ‘Er is nauwelijks verschil met mijn normale staat van zijn.’
‘Heb je genoeg eten thuis?’ zegt mijn oudste zuster.

Zij weet ook wel dat dat een overbodige vraag is. Van mijn moeder heb ik niet alleen haar afkeer van sociale interactie geërfd, maar ook een pathologische neiging om noodvoorraden aan te houden. Als er vroeger vrienden langs kwamen, hielden ze in de bijkeuken altijd halt bij de aanblik van de planken met levensmiddelen die mijn moeder daar had opgetast. ‘Denkt ze dat er oorlog komt, of zo?’ zei er ooit een. ‘Het is geen denken’, zei ik, ‘maar weten.’

Had ik maar een roman geschreven over een pandemie

Hamsteren kun je het dus niet noemen, wat ik doe. Mijn voorraad is van alle tijden. Een noodsituatie is dichterbij dan je denkt, een ongeluk zit in een klein hoekje en als het kalf verdronken is, dan weet je het wel. Ik begrijp dan ook niets van mensen die nog even boodschappen moeten doen omdat ze anders niets te eten hebben. Heeft je moeder je dan helemaal niets geleerd, schreeuwt het in mij. Weet je dan niet dat je altijd… En dan volgt er een inwendige opsomming van levensmiddelen die immer, op straffe van toekomstige verhongering, voorradig dienen te zijn.

Wat Conway’s Game of Life mooi laat zien is hoe onopgemerkt een virus zich begint te verspreiden, hoe het explodeert en dat het uitdooft. Het laat niet zien hoelang dat allemaal duurt. En ook niet wat er gebeurt als een virus muteert, wat virussen graag doen. De data die worden genoemd als mogelijke momenten waarop het normale leven weer kan worden opgepakt, zijn dan ook nattevingerwerk. Net als die begeerde groepsimmuniteit. Dat is een mooi ding, maar je weet niet wanneer het is bereikt, laat staan wat er gebeurt als we allemaal weer naar buiten gaan. Worden de afgeschermde burgers dan alsnog besmet door die ene drager?

Ondertussen het ene bizarre bericht na het andere. Dat dieven duizenden mondmaskers stelen uit een Keuls ziekenhuis, dat modellen twintigduizend doden in Groot-Brittannië voorspellen, dat zzp’ers ten onder mogen gaan (minister Wiebes) omdat ze ervoor hebben gekozen om eigen baas te zijn. Wat dat laatste betreft vraag ik me af of dat niet ook voor de KLM geldt, of de banken die met gemeenschapsgeld uit de crisis zijn gered. Een bekende van mij catert schoolkantines. Zijn voorraad heeft hij weg kunnen gooien, inkomen is er de komende maand, of langer, niet. Zonder hulp van familie en vrienden gaat hij kapot. Ik loop nu al pakweg tweeduizend euro mis, omdat bijeenkomsten, lezingen en optredens zijn afgezegd. Soms denk ik dat het goed zou zijn als al die zelfgenoegzame vvd’ertjes ook eens een paar jaar zzp’er zijn. Het is verdomd makkelijk om vanuit een vaste baan te praten over de mensen die werk doen dat door neoliberale lulkoek niet meer als vast dienstverband bestaat.

Ondertussen is er tijd om Daniel Defoe’s A Journal of the Plague Year en Philip Zieglers The Black Death te herlezen, boeken die ik ooit las omdat ik wel een roman voor me zag die gesitueerd was in tijden van pandemie. Had ik die maar geschreven. Dan lag-ie nu in grote stapels in de boekhandel.

Destijds had ik diep nagedacht over de techniek van het overleven in tijden van schaarste. De inspiratie was een voorval uit mijn jeugd, toen een vriendje mij de berging toonde waarin zijn grootouders balen met luciferdoosjes hadden opgeslagen. Ooit gehamsterd om in de oorlog nooit zonder vuur te zitten en nu ten prooi aan langzaam verval. Het vocht was in de zwavelkoppen getrokken waardoor de meeste lucifers alleen een rozerode pap achterlieten op het strijkvlak. Verkeerd gehamsterd, dus.

Misschien schrijf ik een boek over de kunst van het voorraden aanleggen. Misschien wil Albert Heijn het wel sponsoren. Het eerste exemplaar is voor Eric Wiebes.