Geen helden, maar feiten

Onlangs ging de grote Maaskantprijs naar de Haven van Rotterdam. Nee, niet naar het Gemeentelijk Havenbedrijf of een handvol havenbaronnen, maar naar de hele haven, van de Maasvlakte tot aan de kades van Venlo. Dat hele systeem van overslag en logistiek, van distributie en bedrijfsvoering, werd tot laureaat gekroond.

Althans, net niet gekroond, want het bestuur van de Stichting nam de voordracht van de jury niet over. Voor het effect van dit opzienbarende feit maakt het echter niets uit: er was toch niemand die de lauweren in ontvangst kon nemen en niemand hoeft zich ook slachtoffer van het conflict te voelen.
Op het eerste gezicht is het prijzen van de Rotterdamse haven hetzelfde als het bewieroken van een voldongen feit of het feliciteren van de loop der dingen. De jury heeft afscheid genomen van het idee dat architectonische kwaliteit alleen tot stand komt dank zij de inzet van prijzenswaardige individuen. In plaats daarvan wordt een anoniem proces als een uiterst vruchtbare inspiratiebron in het zonnetje gezet. De haven is ‘een buitengewoon leerrijk en inspirerend voorbeeld van een moderne omgeving’, dat het bereik van 'vertrouwde concepten van planning en stedebouw’ verre te buiten gaat.
Het geven van een prijs aan een situatie, aan een context voor een vruchtbare reflectie op architectuur die de persoonlijke of institutionele verdienste ver te boven gaat, is een ongehoorde stap en raakt aan de fundamenten van het prijzenwezen. De jury wilde geen prijs geven aan uitzonderlijkheid, maar 'aan de betekenis van de haven als dynamische omgeving - artefact, techniek en dienstverlening - voor de condities van de ontwerpende disciplines’.
Aan een ervaringsfeit dus, en als stimulans dit feit ook in de Nederlandse architectuur eindelijk eens onder ogen te zien. De jury liep dus vooruit op een mogelijke stimulerende architectuurontwikkeling in de toekomst.
Hoewel het in het persbericht niet wordt uitgesproken, zou het mij niet verbazen indien het bestuur het juryvoorstel helemaal geen stimulans voor de architectuur vindt. De jury zet in haar rapport een aantal heilige huisjes op het spel die zich niet zonder slag of stoot laten slechten, en waarvan ook het doel van de sloop allesbehalve onbetwist is. Kern van de zaak is dat het hele begrip 'voorbeeldigheid’ wordt gedepersonaliseerd. Niet meer handelende individuen zijn de drijvende krachten van onze omgeving, maar zelfgenererende systemen.
Op zichzelf is dat geen nieuw inzicht, maar voor het architectuurdebat, dat voornamelijk lijkt te bestaan uit kritiekloze bewondering voor gearriveerde of opkomende supersterren, is het baanbrekend.
De Rotterdamse haven kan voor zo'n produktief systeem bij uitstek model staan. Zij is, aldus de jury, 'een voorbeeld van een omgeving die inzichtelijk maakt hoe, op welke wijze en met welk resultaat, in de toekomst aan de inrichting van de rest van Nederland zal moeten worden gesleuteld’. De jury zet zich expliciet af tegen de theoretische lauwheid die de praktijk, het debat en het onderwijs hier te lande kenmerkt. Wat dat betreft kan vrijwel iedereen in Nederland zich dit rapport aantrekken, zelfs de algemene opinieleiders, die zich regelmatig laten horen bij het veroordelen van de hedendaagse architectuur, maar zelden zijn te betrappen op kennis over de omstandigheden waaronder die architectuur in deze tijd tot stand komt.
De kwesties die na de bewustwording opdoemen, zijn echter niet tot nader order uit te stellen. Die komen in dezelfde adem mee. De feiten van de Rotterdamse haven zijn inderdaad niet te negeren, net zo min als die van het groeiende luchtverkeer, de automobiliteit, of de alomtegenwoordigheid van de computer. Het is alleen de vraag of een erkenning van dit soort onontkoombare feiten voor de toekomst van de architectuur voldoende is.
Natuurlijk is het altijd goed de kleren van de keizer te doorzien en de naakte waarheid aan het licht te brengen. Maar dan begint het pas. Wakker worden is één ding, wat je van de dag gaat maken is een tweede. Een banaal realisme ligt op de loer. Nog altijd is voor de toekomst van de architectuur niet alleen een beroep op de werkelijkheid genoeg, maar ook een antwoord daarop.