Geen inspraak bij de keuze van de buren

Vijfentachtig procent van de Nederlanders heeft geen probleem met een psychiatrische patiënt als nieuwe buurman, aldus een onderzoek dat het nieuwe vaktijdschrift Psy vorige week bekend maakte. Goed nieuws dus voor de beleidsmakers die bezig zijn om psychiatrische patiënten zoveel mogelijk zelfstandig in een gewone omgeving te laten wonen. Iets minder tolerant toont de Nederlander zich volgens het onderzoek van Bureau Intomart voor ex-daklozen, alcoholisten en drugsverslaafden als nieuwe buren. De meerderheid ziet dat niet zitten. Maar als ze begeleid worden, dan wil 85 procent toch wel naast een alcoholist wonen en 70 procent kan dan wel leven met een drugverslaafde die zijn leven aan het beteren is.

Toch zijn deze fraaie enquêtegegevens moeilijk te rijmen met de ervaring van mensen die bezig zijn om beschermende woonvormen of asielzoekershuisvesting in steden van de grond te krijgen. Zo gauw buurtbewoners er lucht van krijgen, klontert de onrust samen in opgewonden vergaderingen waar nog maar weinig van het tolerante Nederland te bespeuren valt. Buurtbewoners van alle rangen en standen weten inmiddels dat hoe harder ze schreeuwen, hoe groter de kans is dat de plannen niet doorgaan. Het is het klassieke ‘niet in mijn achtertuin’-dilemma. In theorie zijn we heel welwillend, zeker als een aardige juffrouw van een onderzoeksbureau ons opbelt, maar in de praktijk is de wereld te klein.
De bestuurlijke reactie op dit dilemma blinkt vooral uit in voorzichtigheid. Er wordt veel energie gestoken in het 'optimaliseren van de procedure’. De betrokken buurt wordt zo omstandig mogelijk voorgelicht voor er een besluit wordt genomen. Niet zelden mag dat niet verhinderen dat de vlam toch in de pan slaat en er - juist wegens de commotie - van de plannen wordt afgezien, waarna de beleidsverantwoordelijken zich nog maar eens over de stadsplattegrond buigen om een nieuwe locatie te zoeken.
Maar zelfs als zo'n inspraakprocedure wel werkt, gebeurt er iets vreemds. De betrokken bewoners - druggebruikers, psychiatrische patiënten of asielzoekers -, van wie het de bedoeling was dat ze zouden 'normaliseren’, staan in hun nieuwe omgeving meteen als afwijkend bekend. Hun woning heeft een brandmerk, is in de omgeving al bij voorbaat een nieuwe institutie geworden - vergelijkbaar met de afzondering van de vroegere instellingen temidden van bos, duin en heide.
Daarom is de vraag of mensen bezwaar hebben tegen een psychiatrische buurman op zichzelf al veel zorgwekkender dan welke uitkomst van zo'n onderzoek dan ook. Het bevestigt het beeld dat bewoners in zo'n beslissing een stem hebben. Dat is een gevaarlijke gedachte. Of onze nieuwe buren zwart of wit zijn, wel of niet gemanierd, wel of geen harde muziek draaien, al dan niet gestoord zijn, daar hebben we niets over te vertellen en dat moet vooral zo blijven.
Het enige waar de hulpverlenende instanties in het geval van beschermende woonvormen in woonbuurten garant voor moeten staan is dat de bewoners van hun voorzieningen zich betamelijk gedragen. Maar dat is een eis die natuurlijk voor iedereen in de buurt geldt.