Geen koe, maar kie

Joke van Leeuwen, Iep! Uitgeverij Querido, 150 blz., 324,90
Joke van Leeuwen is een vrouw van weinig woorden. In combinatie met een snelle tekenpen en een grillige geest maakt haar bij uitstek tot een auteur voor kersverse lezers.

Als iets te ingewikkeld is voor woorden, tekent ze het en wanneer de bruikbare woorden op zijn, gaat ze een beetje goochelen. Dan blijkt het zwart-witte beest dat ‘bie’ zegt, geen koe maar een kie en dat is weer eens heel iets anders.
Ook in haar verhalen van langere adem - Deesje (1985) en Het verhaal van Bobbel (1987) -, zijn de sporen van Van Leeuwens minimal writing terug te vinden. Direct op de eerste bladzijde zit de lezer midden tussen de meest merkwaardige personen, die dito avonturen tegemoet gaan. Over het menselijk bestaan worden snelle, rake vaststellingen gedaan. Figuren zie je in één zin voor je: 'Hij was een beslommerd man en zo zagen zijn hoofd en zijn broeken er ook uit’ (een te drukke vader).
Maar het meest eigene is Van Leeuwens onvoorspelbaarheid. Je hebt geen flauw idee wat zich achter de bocht van de volgende zin verborgen houdt.
Haar nieuwste boek laat Joke van Leeuwen ontstaan uit bijna niets: 'Neem drie lijnen. Buig ze een beetje om. Schuif ze tegen elkaar. En hier is het landschap waarin dit verhaal begint.’ Onder elk zinnetje zie je de lijntjes van plaats veranderen. Ook de titel heeft weinig om het lijf: Iep!
Het is het eerste woordje dat de kleine hoofdpersoon uitspreekt. Ze lijkt familie van eerder genoemde kie, want later zegt ze ook 'piepie’ en 'miemie’ of 'ik miet un bieteriemetje mit pindekies’, en ze heet Viegeltje. Ze wordt gevonden onder een struik en aangezien voor een gevallen engeltje. Maar nee: 'Dit was een vogel in de vorm van een meisje. Of een meisje in de vorm van een vogel. Of iets daartussenin.’
Liefdevol ontfermt een kinderloos echtpaar zich over haar. De pleegouders hebben het niet eenvoudig: hoe houden ze het afwijkend gedrag van hun vondeling verborgen voor de buurt, hoe leer je een gevleugeld mensenkind eten met mes en vork en vooral, hoe verhinder je haar weg te vliegen?
Dat lukt natuurlijk niet. Het vogelmeisje ontsnapt door een wc-raam, zaait verwarring en onrust in een wereld die van Viegeltjes geen weet heeft en ook geen plaats voor ze heeft.
Vanaf dat moment - ongeveer op een derde van het boek - ontsnapt ook het verhaal uit het kader dat de auteur leek te hebben aangebracht: de (machts)verhouding tussen ouders c.q. volwassenen en kinderen, ook in Van Leeuwens eerdere werk een terugkerend thema.
Binnen de beslotenheid van hun huis raken de nieuwbakken vader en moeder aandoenlijk in de war over het gedrag en de verlangens van hun ongewone spruit. Je voelt de spanning groeien, want er worden letterlijk en figuurlijk verschillende talen gesproken en dat moet een keertje fout gaan.
Na Viegeltjes vlucht echter laten vreemde gebeurtenissen en figuren de vertelling uitwaaieren tot een vrolijk avontuur, dat naar behoefte langer of korter had kunnen worden. Ook al is de toon luchtig en de vorm grappig, Van Leeuwen zet ernstig in: krijgt iemand die een beetje anders is, de vrijheid om zijn vleugels uit te slaan? Door de geschiedenis te veel te laten verlopen, wordt dat vliegen mij net iets te fladderig.