Geen kwartier

Stel dat ze mij hoofdredacteur van dit blad hadden gemaakt. Niet meteen gaan giechelen, doe even mee. Stel dat ze tegen alle andere kandidaten hadden gezegd: ‘Dames, heren, hartelijk dank, maar wij hebben al de perfecte kandidaat. U komt er wel uit?’ Als hoofdredacteur zou ik op een gegeven moment een nieuwe literatuurcriticus moeten aannemen. Mijn eerste vraag zou zijn: ‘Heeft u in uw jeugd wel eens vliegen de vleugels uitgetrokken? Met een windbuks op vogeltjes geschoten? Een spons gebakken voor de hond van de buren? De mixer in de goudviskom gezet?’

Een sollicitant die op al deze vragen ontkennend zou antwoorden zou ik niet aannemen. Wreedheid is geen aantrekkelijke eigenschap, maar voor sommige beroepen is een nietsontziend karakter nu eenmaal vereist. Generaals, admiraals, rattenvangers, sluipschutters, de wereld zou een slechtere plaats zijn als zij niet grondig en genadeloos te werk zouden gaan. Een criticus mag niet aarzelen, zelfs als hij beseft wat een vernietigende kritiek kan aanrichten bij schrijvers.
Mensje van Keulen schrok ooit zo van een slechte recensie dat ze maandenlang geen woord meer schreef. Joost Zwagerman beleefde de presentatie van zijn nieuwe roman met twee dolken in zijn rug en verse littekens op zijn gezicht. Bekend is het verhaal van de aanval die W.F. Hermans pleegde op het werk van C. Buddingh’, een aanval zo meedogenloos dat Buddingh’ er nooit meer helemaal van herstelde.
Hetzelfde gebeurde schilder en dichter Dante Gabriel Rossetti. In een artikel in de Contemporary Review (1871) werd hij hardvochtig aangevallen door dichter Robert Buchanan, die hem beschuldigde van (o.a.) decadentie, moreel verwerpelijke opvattingen en een ziekelijke obsessie voor het carnale. In dat vertederende tijdperk werd een schrijver er nog op aangekeken als hij zich te veel met seks bezighield.
Rossetti werd nooit meer de oude. Hij verviel in somber gepeins, ging zich te buiten aan verdovende middelen en leed in toenemende mate aan paranoïde denkbeelden. Zo was hij ervan overtuigd dat Lewis Carrolls nonsens-ballade The Hunting of The Snark (1876) geschreven was om hem te bespotten. Hij stierf toen hij 54 was.
Deze column is te kort om in te gaan op de beweegredenen van een criticus die een schrijver de grond in schrijft, maar in ieder geval is op het principe - dat ieder het recht heeft om een ander in geschrifte aan de martelpaal te spijkeren - niets aan te merken.
Geloof het of niet, ik sta in deze kwestie onvoorwaardelijk aan de kant van de schrijvers. Sinds ik weet wat het is om een boek te schrijven ben ik ervan overtuigd dat iedereen, zonder uitzondering, die in staat is gebleken om een boek te voltooien, recht heeft op groot ontzag. Maar evenzo ben ik ervan overtuigd dat van een slecht boek gezegd moet worden dat het een slecht boek is, omdat het in het belang van alle schrijvers is dat een prulschrijver hardhandig op zijn vingers wordt gemept. Sommige mensen kunnen echt beter niet meer schrijven, maar wie vertelt ze dat? Op familie en vrienden hoef je niet te rekenen.
Een schrijver zou zich eigenlijk, uit hoofde van zijn vak, moeten verheugen op een respectabele beul, met liefde voor zijn métier en een scherp wapen. Helaas word je vaker onder handen genomen door klungels met botte bijlen, die niet kunnen mikken.