Geen kwartier (ii)

Een schrijver die beweert dat slechte kritieken hem niet deren, liegt dat-ie scheel ziet. Wie het interview met Leon de Winter, vorige week in De Groene, heeft gelezen weet dat. De Winter heeft niet te klagen, zou je zeggen: op het omslag poseert hij met een manshoge stapel eigen werk, zijn laatste boek is een aantal keren gunstig besproken, hij wordt zoetjesaan multimiljonair van de verkopen, iets wat maar heel weinig Nederlandse schrijvers gegeven is, maar uit het artikel blijkt dat de haat tegen de critici hem stevig in de houdgreep heeft. De interviewer was zo attent de slechte kritieken die zijn vrouw voor De Winter verstopt had aan hem voor te leggen. Zijn reacties zijn gesneden koek voor psychologen.

Michaël Zeeman, een ‘zieke schoft’, wordt aangemoedigd zich te verhangen; Jaap Goedegebuure heeft 'verbijsterend stupide’ stukken geschreven. Duidelijk geval van manische woede, lijkt me.
Razend is hij dat de critici niet zien dat zijn werk 'het duidelijkste, het brutaalste voorbeeld van een koersverandering in het Nederlandse proza’ is. Een dergelijke waan is ook geconstateerd bij Harry Mulisch, de Homerus van de Lage Landen.
Als er wordt gesproken over een gunstige kritiek van zijn boek, zegt De Winter: 'Leuk. Maar toevallig.’ Daarop ontvouwt hij de fijnzinnige theorie dat Carel Peeters het vanwege de dood van Joop van Tijn te druk had om een vernietigende recensie te schrijven, en dat hij het moest overlaten aan de, De Winter welgezinde, criticus Jeroen Vullings. Een dergelijk complot blijkt ook te bestaan bij de Volkskrant, waar Arjan Peters het taboe op De Winter levend houdt. Wat denkt u, dokter? Een evidenter geval van paranoia zul je zelden aantreffen.
Het zou te makkelijk zijn om hieruit te concluderen dat De Winter niet goed bij zijn hoofd is; ik voel me daar niet toe geroepen. Daarbij heeft De Winter verwoord wat veel schrijvers door het hoofd speelt bij het lezen van recensies over hun werk, en paranoia en grootheidswaan zijn sowieso weinig schrijvers vreemd. Interessanter is het om te achterhalen wat De Winter tot zo'n razernij heeft weten op te zwepen.
In Nederland bestaan, grofweg, twee scholen van recensenten: zij die op lange stelten door de literaire polders wandelen en hun kritieken in het rond roepen, onverstaanbaar voor mensen van normale lengte, en zij die op hun hurken zitten als ze schrijven. Deze laatste groep vinden we bijvoorbeeld bij Het Parool: daar werden de recensies tot voor kort geschreven door een groep neo-infantielen, ook wel de Jofelemonen genoemd. Jofelemonen kennen twee conclusies - een boek is jofel of een boek is kut. Verdere kenmerken: een kinderlijke redeneertrant en een voorliefde voor de lichamelijke toestand van de recensent. Zo verklaarde de Parool-recensent die een erotisch boek besprak dat hij het 'met één hand’ uitgelezen had. Boven een recensie van de poëzie-Jofelemoon stond ooit de kop: 'De recensent had een fijne dag’.
Ook zullen de Jofelemonen nooit nalaten om te refereren aan hun eigen werk: vaak doet het besproken boek ze denken aan wat ze zelf geschreven hebben. Hun eigen tofheid is het belangrijkste onderwerp van hun recensies.