Geen kwartier (iii)

Er zijn van die dingen die je echt niet wilt weten. Als de presentatrice van een zondagmiddagpraatshow verhit aankondigt dat zij, zodra de camera’s zich afgewend hebben, met alle aanwezigen haar hoofdgast uitgebreid zal gaan zoenen, zet ik mij die avond met lange tanden aan mijn avondmaal.

Zo kan het me ook heel weinig schelen, bij het lezen van een boekbespreking, of de recensent bijzonder geil was tijdens het schrijven. Ik ben niet benieuwd naar des recensenten stoelgang, de schrale ups and downs van zijn liefdesleven of zijn middelbareschooltijd. Toch is een opmerkelijk groot aantal boekbesprekers er om onnaspeurbare redenen van overtuigd dat ik graag over hen lees. Voordat zij hun oordeel prijsgeven, weiden zij eerst uit over de racefiets die ze nooit kregen, de kaassausjes van hun moeder en hun bevlogen maar een tikkeltje onfris ruikende middelbareschoolleraren.
Neem de nostalgicus die twee weken geleden in deze krant zijn recensie begon met: ‘In de tweede klas begon de heer Boulogne het proza van Caesar te behandelen. Irritante pubertjes met verkeerd lang haar waren we, en we hadden echt wel iets anders aan ons hoofd dan de correcte weergave van een ablativus absolutus.’
Ik ken die meneer niet. Dat hij een irritante puber was wil ik best geloven, want dat waren we allemaal, maar dat zijn haar vroeger 'verkeerd lang’ was, wat moet ik daarmee?
Dezelfde dag sla ik het boekenkatern van het NRC op en een dame begint ongevraagd te vertellen: 'Als klein meisje las ik vaak in de kinderbijbel van Anne de Vries. De verhalen waren prachtig, en de illustraties ook.’ Alsof je bij je oude tante op de doorgezakte bank zit en wéér het hele fotoalbum moet doornemen.
Een recensent kan niet saai genoeg zijn - net levendig genoeg om de hele recensie te willen uitlezen, maar niet zo aanwezig dat je, in plaats van het boek waar je nieuwsgierig naar was, voortdurend het bakkes van de criticus voor ogen hebt. Je wilt weten wat een professioneel lezer ervan vond, wat er met dat boek aan de hand is, maar in plaats daarvan krijg je een bord vol zompige jeugdtrauma’s en doodgekookte kliekjes. Daarboven zweeft de frons van de recensent, of erger nog, zijn gelukzalige orgasmegrijns na het lezen van een boek dat hij gunstig beoordeelde omdat hij er zoveel van zichzelf in terugvond.
De enige die onlangs reden had om terug te blikken was de criticus van HP/De Tijd. Bitter constateerde hij dat hij twintig jaar lang voor niks had gelezen en geschreven, want al twintig jaar was het huilen met de pet op, er was geen schrijver bijgekomen die er ook maar iets toe deed. Kijk, dat zijn persoonlijke zaken waar je graag bij betrokken raakt, als lezer. Je bloed begint ervan te koken. Het is een schande dat de redactie van HP/De Tijd hun employé zo laat lijden. Hebben jullie geen hart, daar op de Herengracht? Folter die man toch niet langer! Twintig jaar lang elke week twee pagina’s vol moeten schrijven over boeken die het bespreken niet waard zijn, dat doe je een hond nog niet aan.
En als de redactie er niet flink genoeg voor is, arme criticus, trek dan zelf de stoute schoenen aan! Gooi al die rotboeken het raam uit. Leg néér die pen. Zwijg stil, klap toe die mond, en kom over twintig jaar weer eens terug als het literair klimaat in Nederland een beetje opgeknapt is. Ik zeg: áls.