Geen kwartier (iv)

Heeft u wel eens de aandrang gevoeld om, als u thuiskwam en u trof uw vrouw bezig de piepers te jassen, haar te begroeten met de woorden: ‘Zo lieverd, ik kan wel zien dat het kookplezier weer van het aanrecht spat.’ (Als u een vrouw bent: vervang ‘aanrecht’ door ‘modelspoorbaan’).

Alleen een idioot zou zoiets zeggen - of een literatuurcriticus. Ik schat dat in één op de dertig recensies de zin voorkomt: ‘Net als in zijn vorige werk spat het schrijfplezier weer van de pagina’s.’
Wat wil een recensent hiermee zeggen? Dat de auteur met consumptie schrijft? Dat je, voor je het boek openklapt, beter eerst een zuidwester kunt opzetten? Of moeten wij ons proberen voor te stellen hoe de schrijver achter zijn bureau zit, met beide handen in een soort glutineuze massa kletsend, zijn hele gezicht zit onder, het hangt hem om de oren, het schrijfplezier, kijk dan toch!
Ik geloof dat we veilig kunnen aannemen dat dat niet is wat recensenten bedoelen. De boodschap is: deze schrijver heeft duidelijk schik gehad in het schrijven. Waarom dat op zo'n lachwekkende manier wordt opgeschreven, ik weet het niet, maar belangrijker is de vraag: hoezo schrijfplezier?
Knopjes indrukken en lettertjes maken geeft geen bijzondere lichamelijke sensatie. Dat kan het niet zijn. Het bouwen aan een dialoog, het verzinnen van scènes, het creëren van een personage is een heel bijzondere ervaring, maar het woord 'schrijfplezier’ is daar te enen male ongeschikt voor. Bloemschikplezier, prima. Landschildpaddenplezier, voor mijn part. Maar wie het woord 'schrijfplezier’ gebruikt moet tuinboeken gaan bespreken, geen literatuur.
Elk beroep heeft zijn eigen jargon en zijn eigen clichés, en net als bij sportpresentatoren en politici zijn slechte recensenten te herkennen aan de vaalheid van hun stoplappen. 'On-Hollands goed’, 'kon het boek niet neerleggen’, 'beeldend geschreven’, 'aanstekelijk’, 'zich loszingend van’, 'een geraffineerd spel’, het lijkt iets maar het zegt niets. Het zijn radeloze termen, hol galmende kreten van hen die niet in staat zijn te benoemen wat zij lazen.
Overigens, over benoemen gesproken: er is me nu al verscheidende malen gevraagd waarom ik mensen niet bij hun naam noem in deze kolommen. Maar waarom zou ik? Ik ben er niet op uit een enkele recensent te bekritiseren; ik bespreek een manier van werken. Ik kan me voorstellen dat als ik iemand een 'hersenloos, pootloos weekdier van afzichtelijke proporties’ noem, u graag wilt weten wie ik daarmee bedoel (heb ik overigens nog niet gedaan; volgende week pas). Maar het schelden op individuen zou de aandacht maar afleiden van waar het om gaat. De namen die onder recensies staan zijn niet belangrijk - enkel het werk dat zij beoordelen, en of zij dat naar behoren doen. Alle aandacht die recensenten krijgen behoort eigenlijk toe aan de besproken schrijvers. Het is hun belangrijkste taak, de reden van hun bestaan: de aandacht vestigen op boeken, op de progressie of afgang van schrijvers.
Is er iets op tegen om voortaan de naam van de recensenten onder besprekingen weg te laten? Laat ze alleen herkenbaar zijn aan hun schrijfstijl - laat het schrijfplezier maar eens van hun stukken afspatten. Namen van recensenten zijn alleen nuttig als ook hun adres erbij staat, voor het toesturen van bloemstukken, fruitmanden en dozen met drollen.
Het voorbeeld van Dexter Gordon zou navolging verdienen in de literatuur, maar helaas zijn er geen muzikanten die even goed schrijven als spelen.