Rian Malan en de verborgen geschiedenis van Zuid-Afrika

Geen land voor mietjes

Het nieuwe boek van de Zuid-Afrikaanse schrijver Rian Malan, Resident Alien, is vlijmscherp en tegendraads. De politiek weinig correcte onderzoeksjournalist fileert, ontrafelt en onthult. ‘Dat belachelijke idee dat we Europeanen zijn…’

‘THE WALKING DEAD’ noemt hij zichzelf. En dat slaat niet zozeer op zijn hedonistische levensstijl als wel op het personage dat hij vertegenwoordigt: de erudiete blanke Zuid-Afrikaan van middelbare leeftijd - ooit krachtig en invloedrijk, nu een outsider, 'ronddolend als een geestverschijning in de post-koloniale schemer’.
Rian Malan (1954) geldt als een van Zuid-Afrika’s topjournalisten, de rocker onder zijn vakbroeders, die regelmatig wordt vergeleken met Hunter S. Thompson. Hij heeft een internationale bestseller op zijn naam, My Traitor’s Heart, en onlangs verscheen een nieuwe bundel, het lovend ontvangen Resident Alien, met werk uit onder meer The Spectator, The Observer, Rolling Stone en Esquire.
Als we elkaar op een zaterdagse namiddag spreken op de veranda van het huis van een vriendin in Johannesburg wordt binnen het avondeten bereid en komt de vriendin af en toe bijschenken. Malan, aantrekkelijk op een elegantly wasted manier, roept bij vrouwen nog altijd moedergevoelens op. 'Rian, je hebt je trui niet alleen binnenstebuiten aan, maar ook achterstevoren’, zegt de vriendin, om na inspectie van het label toe te voegen: 'O, je wilde laten zien dat het een Hugo Boss is.’
'Tweedehands gekocht’, mompelt hij.
My Traitor’s Heart verscheen in 1990. Het was een verontrustend boek waarin Malan zijn verwrongen Afrikaner geschiedenis vermengde met de empathie en angst voor zwart in een land dat aan de vooravond stond van een ramp of een sprookje. Met zijn indringende reportages hoopte hij de vastgeroeste opinies van 'hogepriesters van cultuur’ in het Westen te beïnvloeden. Het boek liet een andere kant van Zuid-Afrika zien en plaatste stevige kanttekeningen bij de mythe van het nobele, non-raciale ANC en de onvervaarde zwarte vrijheidsstrijd. 'Ik wilde verwarring zaaien, want de toestand in Zuid-Afrika in de jaren tachtig leek me tamelijk verwarrend’, zegt hij.
Het boek werd in elf talen vertaald, waarna Malan in een dal belandde waarvoor de term writer’s block tekortschiet. Hij leek een eendagsvlieg, die zijn kruit had verschoten met die ene dystopische, semi-autobiografische bestseller. Maar nu, twintig jaar later, is er dan eindelijk een tweede boek uitgegeven met daarin zo'n dertig reportages, essays en columns die in de afgelopen twee decennia van hem zijn verschenen.
Gefeliciteerd, zeg ik. Hij haalt zijn schouders op: 'Als dit boek voor mij een betekenis heeft, dan is het dat ik heb geaccepteerd dat ik van generlei waarde ben voor deze samenleving.’ Voor Malan is Resident Alien als een graftombe voor breedvoerige, goed geschreven onderzoeksjournalistiek, zijns inziens de enige manier om het land te begrijpen en uit te leggen. Maar daar is geen animo meer voor. De afgelopen twee jaar hebben vrijwel alle serieuze Zuid-Afrikaanse tijdschriften waarvoor hij schreef het loodje gelegd. 'Dit is een land waar mensen niet lezen, zeker geen Engels. Ik ben irrelevant, The Walking Dead.’ Met een wrang lachje voegt hij toe: 'Daar zit wel weer een soort poetic justice in.’
Het past bij hem, die heroïsche slachtofferrol, de last man standing, als een Boere-generaal in de 21ste eeuw.

OOK AL ONTBEERT Resident Alien het dwingende narratief dat My Traitor’s Heart zo meeslepend maakte, het is vlijmscherp tegendraads materiaal dat moedig in de Zuid-Afrikaanse ziel peurt. Malan ontpopt zich als een rasverteller, die op zijn best is als hij als politiek weinig correcte onderzoeksjournalist de op geld beluste aidsindustrie fileert, het opportunisme van het ANC ontrafelt, of onthult hoe geslepen Amerikanen schatrijk zijn geworden van Zuid-Afrika’s beroemdste vijftien noten die de basis vormen van The Lion Sleeps Tonight, terwijl componist Solomon Linda er nooit een cent voor heeft ontvangen.
Fraai is ook de beschrijving van zijn speurtocht naar de laatste Afrikaner in Tanzania, de onverwoestbare tannie Katrien Odendaal. Het is een steeds terugkerend thema in zijn werk: zoeken naar een alternatieve geschiedenis van de Afrikaners, weg van het calvinisme en racisme. Afrikaners, betoogt Rian, waren vooral een ruig frontier-volk, met talloze helden, freaks en buitenstaanders. Daarom maakte hij werk over de achttiende-eeuwse vagebond Coenraad Buys die op alle manieren met Xhosa assimileerde, en over zanger David de Lange die in de jaren veertig furore maakte met gewaagde volksliedjes die honderdduizenden mensen plezier verschaften, totdat de puriteinen hem in de ban deden.
'De gangbare verhaallijnen zijn zo vreselijk saai, dat gedoe met bedevaarten, werk en kerk. Ik probeer de verborgen geschiedenis van de Afrikaners te schetsen, die van meid naai en drinken, dubbelen en dagga (marihuana). In de twintigste eeuw is dat volledig afgedekt door machtige belangenorganisaties als de Broederbond. Dat belachelijke idee dat we Europeanen zijn… Het is belangrijk voor Afrikaners om een ander beeld te krijgen van wie ze zijn en waar ze vandaan komen en wat ze zoal hebben uitgespookt de afgelopen driehonderd jaar’, zegt Malan, die dankzij zijn Engelstalige moeder een minder verkrampte opvoeding genoot dan het gros van zijn Afrikaner tijdgenoten.
Daarnaast kent het boek luchtigere stukken, onder meer over Malans tragikomische rock-'n-rollcarrière. Op de grens van amusant en pijnlijk wiebelt het interview met J.M. Coetzee, die iedere hem gestelde vraag eerst opschrijft, er dan uitgebreid over nadenkt, en uiteindelijk antwoorden geeft die je op z'n best als weinig gevatte oneliners kunt bestempelen (Vraag: 'Van welke muziek houdt u?’ Antwoord, na twee minuten peinzen: 'Muziek die ik nog niet eerder heb gehoord’). Malan: 'Geen enkele vriendelijkheid, alleen maar een kille, afstandelijke aanwezigheid. Hij neemt zichzelf duidelijk erg serieus. Allemaal gimmick, volgens mij.’
Het boek eindigt met een reportage die voortborduurt op de afsluiting van My Traitor’s Heart. Daarin werd de idealistische ontwikkelingswerker Neil Alcock in Zoeloeland vermoord nadat hij vrede had proberen te bewerkstelligen tussen strijdende clans. Het gelaagde verhaal draait om de hamvraag: is er wel plek voor een blanke in Afrika? Het antwoord leek 'nee’.
In Resident Alien komen Alcocks twee zoons aan het woord. Beiden blijken over de juiste mate van hardheid en flexibiliteit te beschikken om zich tussen de stedelijke gangsters en rurale clans staande te houden. Ze symboliseren de blanke overlever: een hybride menssoort dat vloeiend Zoeloe spreekt, rondrijdt met een pistool en elke bullshitter, of hij nou blank of zwart is, een koekje van eigen deeg geeft. Voorwaar een 'optimistisch’ einde, met als impliciete boodschap: je kunt je hier staande houden, maar dit is geen land voor mietjes.

ZELF VERLIET Rian Malan Zuid-Afrika in de jaren zeventig om aan zijn dienstplicht te ontkomen. Hij schreef daarna voor Amerikaanse tijdschriften. Begin jaren negentig kwam hij terug, omdat hij de lokroep niet kon weerstaan van zijn complexe vaderland waar 'zich iedere week wel een crisis aandient die een Europese regering ten val zou brengen’ en waar 'iedere interactie dubbele bodems heeft’. Hier kan hij werken als contrarian, volgens het aloude adagium dat een goede journalist geen vrienden heeft. Zelf afficheert hij zich het liefst als 'reactionair’. Dat is een affectie. Hij is veel meer een verstokte romanticus die de onvermijdelijke desillusie afwendt met behulp van het nodige cynisme.
Ooit, pakweg dertig jaar geleden, was Malan zelfs uitgesproken links. 'Maar op een avond stond ik een joint te roken op iemands achterplaats in San Francisco, en er was een kerel met een bril en een leren jack die me van alles over Zuid-Afrika vroeg. Ik vertelde hem dat de revolutie onvermijdelijk, ja zelfs noodzakelijk was. En hij begon me uit te lachen. Dat bleek David Horowitz te zijn, het enfant terrible van het Amerikaanse New Left, die op zijn 22ste al hermetische boeken schreef over marxistische theorie. Maar toen ik hem ontmoette had hij een omslag van 180 graden gemaakt en was hij een rechtse Republikein. Horowitz zei tegen me: linkse politiek is geen politiek, dat is een indoctrinerende religieuze cultus.’
Zoals veel ex-linksen probeert Malan de vermeende jeugdzonden goed te maken door fel van leer te trekken tegen alles wat naar 'rood’ ruikt. Communisme heeft meer schade aangericht dan apartheid, meent hij: 'Vroeger had ik regelmatig gesprekken met een dochter van de Zuid-Afrikaanse communistenleider Joe Slovo. Dan hadden we het over de blinde vlekken van onze vaders. De mijne steunde de Nationale Partij en de hare was in hart en nieren communist. En dan vroegen we ons af over hoeveel lijken je moet stappen om je politieke overtuiging te kunnen behouden. De vergelijking viel vrij nadelig uit voor Slovo…’
Een ander geliefd doelwit zijn de 'prissy white left liberals’, en hun bestaan in de lommerrijke suburbs, die hij in zijn boek terugbrengt tot het prototype Nadine Gordimer. 'Die bedreven vooral anti-Afrikaner racisme omdat dat modieus was. Ze maakten Afrikaners belachelijk en zouden nooit op de Nationale Partij stemmen. Maar stiekem waren ze blij met apartheid en vonden ze het geen probleem alle voordelen uit te buiten. Zij dachten dat apartheid plaats zou maken voor iets ordelijks en Brits en liberal. Ze hebben geen stamina voor de chaos en wanorde.’
Hij staart voor zich uit, naar de bomen en de vogels, Suburbia. Zijn ogen versmallen zich tot streepjes. 'Fuck, ik evenmin, dude. Dit is zo'n moeilijk land om in te wonen en te blijven.’

DE VRIENDIN vult de glazen bij. Honden stoeien in de tuin. Gasten druppelen binnen voor de dinner party later vanavond. Kaapse wijnen worden ontkurkt. De iPod speelt Afro-jazz. In de verte klinken politiesirenes. Altijd weer die precaire balans tussen euforie en wanhoop. Zijn stukken hebben het, hij heeft het, het hele land is manisch-depressief. En dat is precies wat ze in het buitenland willen horen. 'Óf ze willen Mandela en de happy vibe, en dat Afrikanen zo graag zingen en lachen en zo aardig zijn, óf ze willen verhalen dat het hier totaal hopeloos is. Ik kan beide typen aanleveren. En ze zijn allebei waar’, zegt hij.
'Maar ik denk wel dat het gros der blanken op het noordelijk halfrond, al zullen ze het niet toegeven, Afrika inmiddels geheel heeft afgeschreven, ons incluis. Er gebeuren te veel rare dingen, er is te veel geweld. Daar zijn wij ook debet aan; wij zijn erin geslaagd een vertekend beeld van wie we zijn in de buitenlandse verbeelding te planten, dankzij de nadruk op de zonden van apartheid en de misdaad. Luister, ik ben net terug van vakantie. Het was fantastisch. De deuren hoefden niet op slot, we dronken en werden stoned, we stopten in de townships. Dat is allemaal nog heel goed mogelijk…
Maar voor hetzelfde geld word ik straks op weg naar huis doodgeschoten.’

Rian Malan, Resident Alien, Jonathan Ball Publishers SA, 336 blz.