Opheffer

Geen leven

Ze wist dat hij niets meer om haar gaf, maar ook dat hij niet buiten haar kon; er was te veel dat hen beiden bond: het dode kind, het huis, de wederzijdse schoonouders (zijn vader was nu ziek) en, stom genoeg, ook de hond.

Ze aaide de hond terwijl ze op hem wachtte.

«Dit duurt nu al acht jaar, Nelis», zei ze tegen het beest dat zijn hoofd op haar schoot legde.

«Ik wou dat ik met jou was getrouwd.» Verdomd, ze zat meer aan het beest dan aan hem.

De telefoon ging.

Ik neem niet op, dacht ze, laat hem nu maar eens denken dat ik weg ben, dat ik een ander heb. Laat hem nu maar eens wachten en twijfelen. Laat hij het rothumeur oplopen.

Ze telde het aantal keren dat de telefoon ging: zestien keer.

Meteen werd er weer gebeld.

Het werkt, dacht ze. Maar onmiddellijk namen andere gedachten beslag van haar: misschien heeft hij wel een ongeluk gehad. Waarom denk ik dat nu? Waarom denk ik dat altijd, terwijl er nooit een ongeluk met hem gebeurt? Ze liep naar de keuken waar ze de telefoon iets minder hard hoor de.

Dit is toch geen leven zo.

Op de kalender die tegen de koelkast hing, zag ze dat ze zelf haar eigen verjaardag in een feestelijk handschrift had opgeschreven: «Maja wordt 36!» Ze vroeg zich af of hij het had gezien, en wist eigenlijk zeker van niet.

Waarom geef ik mezelf voor mijn verjaardag niet een ongelooflijke vrijpartij cadeau? Ze bleef de vraag in zichzelf herhalen en zonder dat ze het doorhad, herhaalde ze: maar met wie, met wie, met wie?

Terwijl de telefoon bleef gaan, ging haar geestesoog langs een aantal mannen.

Alles en iedereen was saai en onbetrouwbaar — het had misschien met de leeftijd te maken.

«Ik wil geneukt worden, domweg met iemand vrijen.»

Ze wilde de staat van opwinding waarin ze verkeerde eigenlijk kwijt, maar ook weer heel duidelijk niet, maar hij verdween toen ze dacht: na acht jaar weet ik eigenlijk ook niet meer hoe ik mijn eigen man moet versieren.

Ze merkte dat ze eigenlijk niet meer aan hem kon denken: alle erotiek was verdwenen. Het was alsof ze constant de penetrante lichaamsgeur rook die hij ’s ochtends altijd verspreidde als hij het bed verliet. Dit mag toch eigenlijk niet te lang duren, dacht ze, dit kan toch niet meer jaren zo doorgaan?

Weer begonnen haar wangen te gloeien.

«Ik ben geil, ik ben verdomme geil.» Ze keek op haar horloge. Het was half zeven. Hij had al een half uur thuis moeten zijn. Ze overwoog of ze zou gaan douchen om zichzelf te bevredigen.

Ik ben geil en ik ben treurig.

Weer ging de telefoon en ze besloot op te nemen.

«Hoi… ik ben het… ik kom pas heel laat thuis. We hebben cursus, dat heb ik vergeten door te geven… Nou ja… dan gaan we van het weekend wel iets leuks doen…» Hij vroeg niet eens waarom ze daarnet de telefoon niet had opgenomen.

«Jammer, ik ben geil», zei ze.

«Doe niet zo raar», zei hij.

«Ik meen het.»

«Nou… het spijt me echt dat ik niet thuiskom… En doe gewoon, Els… Ik moet nu ophangen… dahag.»

Terwijl ze ophing, zag ze zichzelf in de spiegel. Wat heb ik nog? Geen tieten, een vermoeide kop, dikke benen, ik ben moe, ik heb me slecht opgemaakt. Wat heb ik nog?

Ze kleedde zich uit en ging naakt op haar bed liggen. Ze staarde naar het plafond. Haar gedachten gingen naar een oude schoolvriend die haar in de bioscoop had gevingerd en later, toen hij haar in een portiek wild zoende, had ze z’n pik uit z’n broek gehaald en hem afgetrokken.

Opeens draaide ze zich om en huilde.