Profiel: Bruce Springsteen

Geen lezer, maar wat een schrijver!

Op Devils & Dust lost Bruce Springsteen op in zijn personages. Het leven vreet aan ze. En toch voorwaarts, wat moeten ze anders?

Het duurde nog geen twintig minuten en toen waren ze uitverkocht, alle soloconcerten die Bruce Springsteen (55) deze zomer in Europa geeft. In Ahoy’ zullen stoelen staan. Want Springsteen komt zonder zijn band, en met een berg verhalen. Geen waves, stilte graag.

Voor de derde keer in zijn loopbaan – eerder op Nebraska (1982) en The Ghost of Tom Joad (1995) – is Springsteen, de zoon van een buschauffeur uit New Jersey, op Devils & Dust voor alles een verhalenverteller. In een toelichtend interview heeft hij het over de ziel van de hoofdpersonen van al die verhalen. Ze lopen gevaar of ten minste risico, er wordt aan ze gevreten en ze vechten ertegen. De angst daarvoor is de dagelijkse constante die alle mensen verbindt, stelt Springsteen.

Niet voor niets zijn bij hem de landschappen immer weids en de wegen altijd lang: zie ze ertegen wegvallen, al die nietige mensen. In zowel uitspraak, tempo en woordkeuze als volume lost hij in ze op. De arrangementen zijn sober, de inkleuring is subtiel en de verhaallijnen sturen de voordracht, niet andersom. Plot boven refrein.

Afgelopen jaar trad Springsteen met zijn E Street Band nog op tijdens de Vote for Change-tournee voor de Democraten – met verder onder anderen R.E.M. en Pearl Jam – en speelde hij tijdens enkele bijeenkomsten van John Kerry. Zijn komst trok tienduizenden extra mensen, onder wie overigens ook Republikeinse Springsteen-fans.

Het een sluit het ander niet uit, want in strikt politiek opzicht kiest Springsteen in zijn teksten geen partij. Op The Rising, zijn bejubelde post-11-september-album, meed hij expliciete keuzen en dilemma’s. Hij zong niet voor of tegen oorlog, hij bezong het verlies van geliefden en de daaropvolgende gevoelens («I want a kiss from your lips/ I want an eye for an eye»). En vooral bracht hij het opkrabbelen onder woorden; niet voor niets be vatten de refreinen van de twee sleutelnummers het woord «rise».

Dat Ronald Reagan in de jaren tachtig Springsteens Born in the USA, tot ontzetting van de artiest, opvatte als een nummer waar dermate veel vaderlandsliefde van uitging dat het wel een steunbetuiging aan de Republikeinen móest zijn, getuigde van weinig songtekstbegrip, maar was uiteindelijk niet veel misplaatster dan het dédain waarmee in sommige Europese progressieve kringen zijn naam nog steeds wordt uitgesproken en geassocieerd met weinig meer dan de opgestroopte mouwen van een houthakkershemd.

De optredens die hij tot nu toe tijdens het Amerikaanse gedeelte van zijn tournee heeft gegeven, begonnen en eindigden grotendeels met dezelfde oudere nummers. De keuze ervan verraadt dat Springsteen de personages uit zijn nieuwe werk heeft willen in- en uitleiden. Inwijden ook: in zijn visie op de samenleving die ze heeft gevormd.

Vrijwel iedere avond begint Springsteen zijn optreden met Reason to Believe, van zijn akoestische album Nebraska. Hij schreef het nummer, zo valt te zien in zijn boek Songs, op een kladje aan zijn manager, toen hij met zijn auto Highway 33 af reed (al heeft hij het in het nummer over Highway 31, maar dat kwam blijkbaar teksttechnisch beter uit). Onderweg ziet hij een man langs de weg staan, gebogen over zijn hond. Het dier is dood, maar de man lijkt te wachten tot het weer opstaat. Springsteen ontmoet verderop een vrouw die hoopt dat haar weggelopen man op een dag terugkeert. En hij verbaast zich over al die mensen: «Struck me kinda funny, funny yeah indeed. How at the end of every hard-earned day people find some reason to believe.»

De toon is gezet. Vraag Springsteen niet hoe ze het voor elkaar krijgen, maar die hierop volgende mannen en vrouwen op hun tenen – niet zelden tevergeefs reikend naar boven, naar waar ze recht op menen te hebben maar vaak niet krijgen – die staan toch iedere dag weer op, zelfs vol moed.

Vervolgens zingt hij in het titelnummer van Devils & Dust: «I’m just trying to survive, what if what you do to survive kills the things you love?»

En ook het oudere Highway Patrolman. De hoofdpersoon heeft een naam (Joe Roberts), een baan (sergeant), een broer (Frankie), een vriendin die echtgenote wordt (Maria), een tijd (de jaren zestig), een plek (Michigan) en een dilemma: broer of baan?

De personages van Springsteen, ze raken verstrikt in de verplichtingen en verwachtingen van het dagelijks bestaan. Het zijn niet hun bedoelingen die niet willen deugen, het is de beperking van hun mogelijkheden. Klagers zijn het niet. Ze aanvaarden hun lot, ze schikken zich in hun rol: «That’s my job and it suits me right.»

De hoofdpersoon van het prachtige nieuwe nummer Reno bezoekt een prostituee. Maria is haar naam. De deal: «250 up the ass». Hij die zenuwachtig naar buiten kijkt, zij die aan z’n riem pulkt. De spanning. De belofte. De handelingen. En dan de ontgoocheling, de postcoïtale deceptie van de hoerenloper: was het dit nou?

Grote woorden mijdt Springsteen, hij om-schrijft slechts de handelingen. Ze belooft het beste dat hij ooit heeft meegemaakt. En hij besluit een transactie later: «It wasn’t the best I ever had, not even close.» In zekere zin treurigmakend, maar ook te terloops om lang over te treuren. Zo gaan die dingen, een mens zoekt genegenheid en vindt zakelijkheid. Of neemt afscheid van dierbaren. In Silver Palomino is de verteller een zoon die zijn moeder moet missen, zo blijkt uit de toelichting. Niet uit de tekst, want die roept het onheil van verlies op zonder het te benoemen. Binnen het alleen al in ruimte zeer beperkende kader van een poptekst weet Springsteen een enorme hoeveelheid beelden te schetsen zonder ze rechtstreeks te verwoorden.

In The Hitter vertelt hij van een bokser die een tussenstop maakt bij zijn moeder en die haar zijn levensloop vanaf hun laatste ontmoeting vertelt. Zowel Rocky als Raging Bull in een popnummer. Ook the hitter wil soms anders, maar kan het niet: «I knew the fight was my home and blood was my trade.» En is dat nou echt zo bijzonder, vraagt hij zich hardop af: «In the end, ma, every man plays the game, if you know me one different then speak out his name.»

Het nummer nadert al het einde wanneer opeens die stem opduikt. De hoge Springsteen, zonder rasp. Het was tijdens de Ghost of Tom Joad-tournee dat hij het voor het eerst durfde: zijn vocale idioom van zich afwerpen en zingen, ja echt zíngen, met een verrassende falsetstem. Daar stond hij, de schorre schuurder die opeens tot in de hoogste regionen bleek te reiken, en alleen al de concentratie waarmee hij dat deed was ontroerend. Zoals zijn liedjes op hun kleinst waren, zo klonk hun vertolker op zijn kwetsbaarst. Bréékbaar ze lfs, een kwalificatie die nooit van toepassing op hem was geweest. Hij, de man die stadions laat ontploffen, die man bij wiens optredens zindering geen ongrijpbaar piekmoment is maar een toestand van uren. Euforie als mantra. Al stond hij in z’n eentje voor een stadion met alleen zijn akoestische gitaar en mondharmonica, altijd had hij kracht uitgestraald. Tot nu. Het was een memorabel moment, alsof hij na al die jaren nieuw terrein had aangeboord en daar zijn zekerheid nog moest veroveren. In The Hitter keert hij terug, die stem. Weggestopt in de mix, dat wel.

De migranten uit het zuiden – al dan niet illegaal, zo expliciet juridisch wordt Springsteen nooit – keren terug in Matamoros Bank. Op The Ghost of Tom Joad bezong hij ze al eerder, in het nummer Sinalo Cowboys. Over de Mexicaanse broers Miguel en Louis die werk vonden in Californië. Groot was hun vreugde, maar Louis overleefde het ongezonde werk niet. Hun vader waarschuwde al: «For everything the north gives, it extracts a price in return.»

Hier spreekt een personage, maar hier lijkt ook Springsteen aan het woord. Want in de eerste afsluiter van zijn meeste optredens tot dusver, het nummer My Best Was Never Good Enough, klinkt hij tamelijk goedmoedig, vooral vanwege de bijna laconieke manier waarop hij zingt. Toch is het zijn aanval op wat hij beschouwt als de simplificatie van morele keuzes in de populaire cultuur. Het nummer is gebaseerd op de 29-jarige sheriff Lou Ford in Jim Thompsons boek The Killer Inside Me uit 1952, die grossiert in quasi-filosofische volkswijsheden. Met die karikaturen van Amerikaanse volkswijsheden waarop goeroe Anthony Robbins later zijn – in Nederland door Emile Ratelband vertaalde – neurolinguïstisch programmeren baseerde («ik wil, dus ik kan» – en wie niet kan, wil dus niet hard genoeg) veegt Springsteen de vloer aan. «Remember a quitter never wins and a winner never quits», citeert hij op een kindertoontje – alsof hij wil benadrukken dat deze simplificaties in de volwassen wereld geen dag standhouden – en hij vat ze samen met «all the rest of that shit».

Pas toen hij een paar jaar later in 41 Shots (American Skin) het lot bezong van de 22-jarige zwarte straatverkoper Amadou Diallo uit The Bronx, die door vier politieagenten in burger werd beschoten met 41 kogels omdat hij een pistool zou hebben getrokken – het bleek zijn portefeuille – werd Springsteen beschuldigd van anti-Amerikanisme, een nogal opmerkelijke beschuldiging tegen de man in wiens tekstregels het door en door Amerikaanse leven alleen al in het ruim vertegenwoordigde wagenpark continu doorsijpelt.

Toch is dit My Best Was Never Good Enough een van zijn meest snijdende commentaren op de Amerikaanse samenleving. Maar te subtiel om omstreden te worden. Ook op The Ghost of Tom Joad werd Springsteen niet explicieter dan de wrange constatering «welcome to the new world order» in het titelnummer, net nadat hij zwervers heeft beschreven die onder de brug bij het kampvuur hun soep nuttigen.

Dat nummers als deze slechts één kant van Springsteens visie op zijn land vertegenwoordigen, bewijst het slot van zijn huidige optredens, het nummer waarin hij een storm voorziet, die ieder defaitisme, ieder cynisme en alle wanhoop wegvaagt: «And I believe in a promised land.» Al is het tegen beter weten in, het uitzicht dat Springsteen schetst dient hoopvol te zijn. Niet voor niets is een van zijn meest geciteerde uitspraken die waarin hij stelt dat muziek niet alleen een schuilhaven voor de buitenwereld moet zijn, maar ook de weerbaarheid moet verschaffen om diezelfde wereld vervolgens weer aan te kunnen.

Bij Devils & Dust zit geen bronnenlijstje. Dat deed Springsteen bij The Ghost of Tom Joad wél, geïnspireerd door zijn in politiek opzicht radicale gitarist Steve van Zandt, die zijn cd’s altijd voorziet van een tamelijk forse lijst van inspirerende boeken. Het lijstje van Springsteen voor The Ghost of Tom Joad was aanmerkelijk korter: twee boeken en twee krantenartikelen, vooral over Mexicaanse migranten. En van John Steinbecks The Grapes of Wrath, de belangrijkste inspiratie voor het titelnummer, had hij niet het boek ge lezen, maar de film gezien, meldde hij netjes.

Bruce Springsteen is niet zo’n lezer.

Maar wat een schrijver.

Bruce Springsteen, Devils & Dust (Sony BMG).

Optreden: 19 juni, Ahoy’ te Rotterdam

(uitverkocht)