De gevangenen van Schiphol-Oost vielen buiten het zicht

Geen loos alarm

Asielzoekers, vreemdelingen en illegalen komen steeds vaker buiten het zicht van andere burgers terecht. Daarmee worden ook hun leefomstandigheden verwaarloosd. De bewoners van het cellencomplex van Schip hol-Oost kunnen hierover meepraten, op elf na.

«Bij het opleggen van een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel aan een geweigerde vreem deling kan iedere ruimte of plaats in Nederland aangewezen worden.» Artikel 6 van de nieuwe Vreemdelingenwet uit 2000. Dit artikel krijgt na de brand op Schiphol een onwerkelijke toon. Zou een halsoverkop uit de grond gestampt complex van prefab cellen en «geschakelde containers» – met amper geschoold en onderbezet personeel, allerhande ongewenste criminelen tussen uitgeprocedeerde asielzoekers en aangetoonde onveiligheid – daar ook onder vallen?

Hoeveel er vooraf bekend was over de brandveiligheid van het cellencomplex van de Dienst Justitiële Inrichtingen (zijn motto: «DJI is niet alleen opsluiten») op Schiphol-Oost is sinds donderdagnacht onderwerp van intense speculatie. Dossiers die mogelijk relevante informatie bevatten, zoals een onderzoek dat het Nederlands Instituut voor Brandveiligheid en Rampenbestrijding (Nibra) vorig jaar in opdracht van de brandweer Haarlemmermeer naar brandrisico’s in de gemeente met onderzoeksbureau CMC uitvoerde, zijn nu ineens niet meer openbaar omdat ze behoren tot het gerechtelijk dossier. Volgens het Nibra kan het complex gezien de snelle verspreiding van het vuur onmogelijk hebben voldaan aan de brandveiligheidseisen. Die eisen had het Nibra al duidelijk neergelegd in een onderzoek dat het instituut uitvoerde in 2002, nadat in het cellencomplex brand had gewoed nog voor het in gebruik genomen was. In de inleiding van dat onderzoek schreef het Nibra toen: «Bij dit onderzoek was bijzondere haast geboden gezien de (politieke en bestuurlijke) druk die er ligt op ingebruikname van het cellen complex.» Opnieuw een passage die na de ramp een heel andere toon krijgt. Politieke en bestuurlijke druk: woorden die zich slecht verhouden tot brandveiligheid.

Het is wat makkelijk om zo’n passage uit 2002 als aanleiding te gebruiken voor achterdocht in 2005. Maar als je alles wat er de afgelopen dagen naar boven gekomen is bij elkaar optelt, blijft het verbazen dat de justitiële inrichting op Schiphol-Oost open mocht blijven. Zo waren er onder meer de branden bij de aanbouw die leidden tot een onderzoek van het Nibra, waarna het instituut concludeerde dat de brand «bij daadwerkelijk gebruik van het complex mogelijk tot slachtoffers had geleid». Zo waren er meerdere schriftelijke en mondelinge meldingen van personeel van het cellencomplex aan hun superieuren over de onveiligheid. En zo was er een vorig jaar verschenen onderzoek van de Commissie Toezicht Detentieplaatsen dat concludeerde dat er geen ontruimingsplan was, geen centrale deur vergrendeling en geen brandoefeningen tot november 2003.

Nu geldt in Nederland, of het nu om gebouwen, evenementen of projecten gaat, één harde regel: als de brandweer twijfelt, gaat niets door. Geen dakraampje op een woning, geen bloembak in een wachtruimte, geen optocht. Of er bij de brandweer twijfels bestonden over de brandveiligheid van het cellencomplex op Schiphol is nauwelijks meer te controleren, omdat alles dat erop kan wijzen het exclusieve terrein geworden is van niet minder dan vijf onderzoeksteams die de zaak zullen uitzoeken.

Hoewel er reden voor enige achterdocht is, zal de werkelijkheid zoals bij de meeste Nederlandse rampen waarschijnlijk banaler blijken: wel een web van instanties die zich met de voorschriften bemoeien, maar onduidelijkheid over de handhaving ervan, plus een gebrek aan bestuurlijke interesse en geld om de situatie te verbeteren.

Sinds de verontwaardiging om het luizen leventje dat gedetineerden in gevangenissen zouden leiden zich verspreidde van de marges naar de nettere delen van de politiek – evenals de roep om een «strengere» omgang met asielzoekers die de «aanzuigende werking» van ons humane imago teniet zou kunnen doen – is voor beide groepen de geldkraan langzaam dichtgedraaid. Dat dit nu net misgaat in een curieuze mengvorm tussen gevangenis en vreemdelingenopvang, wat het cellencomplex op Schiphol-Oost was, is daarop een wrang commentaar.

De onvrede met gevangenissen die net «hotels» zouden zijn, dateert van eind jaren tachtig. Het leverde voortdurende schaal vergroting en «kaasschaafbezuinigingen» op in de jaren negentig, In 1995 werden de gevangenissen op afstand geplaatst van justitie en ondergebracht bij de Dienst Justitiële Inrichtingen, een agentschap. De DJI werd verantwoordelijk voor zijn eigen budget en kon daardoor zelf bepalen waar het in centra als die in Schiphol zijn geld aan uitgaf. Vervolgens kwamen de nog veel drastischer bezuinigingen onder minister Donner, die leidden tot een vacaturestop voor gevangenispersoneel, de doorvoering van de twee-op-één-cel en het schrappen van scholings- en herintredingsprogramma’s voor gedetineerden. In een vorige week aan de Universiteit Utrecht gepresenteerde studie wordt een link gelegd tussen deze bezuinigingen en de recordhoogte van de recidive onder bajesklanten: 71 procent.

Wat de asielzoekers betreft had de dalende bereidheid om geld in hun opvang te steken allereerst te maken met de grote toename van hun aantal. Twintig jaar geleden was er nog niets voor asielzoekers geregeld. Dat werd aan gemeenten overgelaten. In 1987 werd in de Regeling Opvang Asielzoekers vastgelegd dat zij in woonhuizen werden ondergebracht. In de jaren erna werd een begin gemaakt met korte centrale opvang. In de jaren negentig werd de instroom zo groot, met een piek in 1994 van ruim vijftigduizend aanvragen, dat de opvangcentra groeiden en bewoners niet meer doorstroomden naar een huis. In 1996 werd het wonen in huizen afgeschaft en in 1998 volgden de tenten in de modder, die de boodschap moesten rondbazuinen dat in Nederland een nieuwe wind woei. Door de bezuinigingen op asielzoekers bleef de wekelijkse toelage 39 euro per maand, nu al tien jaar lang – even lang als sommige asielzoekers al wachten op een beslissing.

Deze twee beleidslijnen – korten op zowel gevangenissen als op asielzoekers – kwamen bij elkaar onder de kabinetten-Balkenende: in de vorm van uitzetcentra van de DJI. Die centra waren het gevolg van een nieuwe nadruk op actief uitzetten van uitgeprocedeerde asielzoekers, vreemdelingen die zonder papieren aan de grens kwamen en illegalen. In het cellencomplex op Schiphol-Oost zijn deze illegalen – inclusief kinderen – gezamenlijk opgesloten met bolletjesslikkers en criminelen die zonder proces uitgezet kunnen worden. De hotel omstandigheden zijn er uitgebannen. Veel te grondig zelfs, naar de mening van Vluchtelingenwerk. «Er is veel te weinig aandacht voor verblijfomstandigheden», stelt medewerker Geert Lamers. «Er wordt erg weinig geld voor uitgetrokken, en dat geldt ook voor de aanwezigheid van personeel. Dat betekent dat mensen lang in hun cel moeten blijven.»

De lange opsluiting in ongeschikte omstandigheden is een bekende klacht bij de opvang van illegalen. Soms levert protest ertegen wat op. «De rechtbank is van oordeel dat het verplichte verblijf van de vreemdelingen op hun kamer/cel gedurende zestien uren per etmaal – onder de bezwarende omstandigheid dat van directe daglichttoetreding aldaar geen sprake is – (…) in strijd is met het (…) Reglement», stelde de rechtbank van Den Haag bijvoorbeeld in april vorig jaar in een rechtszaak van een jonge Nigeriaan tegen zijn bewaring op Schiphol.

De rechtbank vond wel meer niet goed, zoals de maandenlange opsluiting in een inrichting die voor maximaal vier weken bedoeld is. Maar zo’n uitspraak komt en gaat. Uit alles wat sinds vorige week bekend is, wordt duidelijk dat aan lengte en omstandigheden van de opsluiting op Schiphol-Oost sinds de uitspraak van vorig jaar niets veranderd is.

De omgang met asielzoekers blijft een merkwaardig verhaal in de Nederlandse rechtsstaat. Van de zestien grote onderzoeken die de Nationale Ombudsman afgelopen tien jaar uitvoerde – oftewel de voornaamste zaken waar de zelfcontrolerende taak van de overheid tekortschiet – hadden er zeven betrekking op de omgang met asielzoekers en vreemdelingen. Zonder uitzondering waren die rapporten kritisch: van gebrekkig toezicht door de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) tot te lage kwaliteit van opvang, van het niet naleven door de IND van gerechtelijke uitspraken tot het tekortschieten van Justitie en Binnenlandse Zaken bij het verlenen van verblijfsvergunningen. De conclusies zijn vaak niet mis, zoals deze passage in een brief aan minister Verdonk uit 2003: «Dat de IND er nog steeds niet in slaagt zich te houden aan rechterlijke uitspraken en daarmee stelselmatig een fundamenteel rechtsstatelijk beginsel veronachtzaamt, vormt naar de mening reden tot ernstige zorg.»

Maar ook dit soort rapporten komt en gaat. Twee rapporten die afgelopen zomer werden gepubliceerd, vormen samen een aardig contrast. In het dossier «Behandeling burgerbrieven» concludeert de Ombudsman dat overheidsinstanties en gerelateerde organen als Belastingdienst en UWV steeds beter reageren op klachten. In het dossier «Zorgen over IND» is het omgekeerd: asielzoekers worden juist steeds slechter geholpen. Het is een logisch gevolg van de nieuwe houding na de Fortuyn-revolte: luisteren naar de kiezer, de afstand naar de burger verkleinen. Wetten en richtlijnen voor contact tussen overheid en burger, zoals voor klachtenbehandeling, noemen nu maximale respons- of afhandelingstijden en overheden trachten hun inwoners te gebruiken als «extra ogen en oren» bij het identificeren van problemen.

Tot de andere inwoners van Nederland – de niet-kiezers: asielzoekers, vreemdelingen, illegalen – is de afstand alleen maar groter geworden. Zij komen steeds meer terecht buiten de steden, buiten de verzorgingsstaat, soms buiten de wet, en vaak buiten het zicht van andere burgers. Zoals de bewoners van het cellen complex van Schiphol-Oost. Uit het oog betekent voor hen uit de prioriteitenlijst om iets te doen aan hun leefomstandigheden. En ook, dat was al duidelijk, betekent het uit het hart.

_______________________

Dodelijke gevangenisbranden

in Nederland: nul

Op 6 september 2003 brak een grote brand uit in de gevangenis van Wetherby in Groot-Brittannië. Zes bewakers voorkwamen een ramp. Hoofdbewaker Barry Stevens: «Ik overdrijf niet als ik zeg dat, als we hadden gewacht op de brandweer, dat levens gekost zou hebben. Als we richtlijnen hadden gevolgd hadden ze nooit aan het vuur kunnen ontkomen.» Net nadat Stevens de 58 jongens in veiligheid had gebracht, stortte het brandende dak in.

Op 5 april 2003 vielen in de El Porvenir gevangenis in Honduras na rellen tussen gevangenis bendes bijna zeventig doden: gevangenen, bewakers en bezoekers. De bendes sloten medegevangenen op in hun cel, overgoten ze met benzine en staken hen in brand.

Op 15 september 2003 brandde vleugel 19 af van de Al-Hair gevangenis, dertig kilometer ten zuiden van Riyad. Minstens 68 gevangenen kwamen om. De directeur werd ontslagen.

Op 17 mei 2004 veroorzaakte kortsluiting een brand in de San Pedro Sula gevangenis in Honduras. De gevangenis had ruimte voor achthonderd man. Op het moment van de brand waren er circa tweeduizend aanwezig. Daarvan overleden 103 leden van een bende, die in een apart cellenblok waren opgesloten. Gevangenen beweerden dat bewakers schoten om te voorkomen dat zij uit de vleugel zouden ontsnappen, ondanks hun geroep om hulp.

Op 7 maart 2005 kwamen 133 mensen om bij een brand, uitgebroken na gevechten in een gevangenis in Higuey in de Dominicaanse Republiek. In die gevangenis zaten vierhonderd mensen op een officieel volume van 180. Er waren gevechten uitgebroken om het verkoopmonopolie op sigaretten en drugs. Gevangenen zelf hadden een deur naar hun vleugel geblokkeerd waardoor de brandweer moeilijk het reddingswerk kon doen.

Op 16 oktober 2005 kwamen 32 mensen om bij een brand in een gevangenis in Buenos Aires. Vanwege moederdag waren er veel moeders die hun zoons wilden bezoeken.

En in Nederland? In Nederland brak op 14 januari 2003 een brand uit in de penitentiaire inrichting in Krimpen aan den IJssel. Twee medewerkers kregen last van rookvergiftiging. Op 7 mei 2003 maakte een gevangene in Ter Apel een brandje in zijn cel. Op 27 december 2004 brak een brandje uit in de gevangenis van Alphen aan den Rijn. De gevangenen hoefden hun cel niet te verlaten. Op 10 mei 2004 was er brand in de gevangenis van Roermond, waarbij een bewaarder lichtgewond raakte. Ook toen bleek dat de brandveiligheid niet in orde was. Een van de redenen was dat het detentie centrum slechts anderhalf jaar in gebruik zou zijn.

FENNEKE SYSLING