Monarchie Tussen meeregeren en lintjes knippen

Geen macht als zijn kracht?

Twee eeuwen geleden bedeelde Willem van Oranje zichzelf de koningstitel toe. Hij bemoeide zich met alles. Zijn dominante positie, als soeverein vorst, is niet te vergelijken met die van de nieuwe koning, Oranje-telg Willem-Alexander. Alle politieke macht is hem geheel ontnomen.

In de handelingenkamer van het gebouw van de Tweede Kamer komt de geschiedenis dichtbij. Wel moet je dan eerst de code van het moderne slot van deze negentiende-eeuwse, drie verdiepingen hoge bibliotheek kennen. Maar eenmaal binnen kun je op zoek naar dat eerste boek, met op de bruine rug een rood etiket met deze tekst: ‘St-Gener. 1814’. Je moet ervoor op een ijzeren relinkje stappen, net iets boven je macht reiken en een paar andere dikke boeken van de plank-met-groene-antistof-franje halen om het van zijn plek links in het hoekje te kunnen trekken. Misschien is het wel niet de bedoeling dat je in dit handelingenboek bladert. Vooral de eerste vellen zijn aangevreten door de tand des tijds, de papierkruimels dwarrelen om je heen zodra je het boek openslaat. Maar gelukkig zijn de namen van de leden van de Staten-Generaal die op 2 mei 1814 voor het eerst in Den Haag in buitengewone vergadering bij elkaar kwamen nog te lezen. Het zijn vooral jonkheren met namen als De Roest van Alkemade en Van Tuyll van Serooskerken van Heeze en Leende. Allemaal zijn ze afgevaardigde van een provincie, destijds negen in totaal.

De afgevaardigden zijn niet gekozen maar benoemd, door de Oranjevorst zelf. Die was ­overigens na de Franse overheersing ­terug­gekeerd op verzoek van een Voorlopig Bewind, bestaande uit drie notabelen. Zij vroegen hem ‘Souverein Vorst’ te worden en niet stadhouder, wat de Oranjes tot dan toe waren geweest.

Volgens de handelingen, de woordelijke verslagen van vergaderingen in het parlement, ging het die tweede mei 1814 zo: ‘De Souvereine Vorst opende de vergadering met de volgende plegtige aanspraak: Edel Mogende Heeren. In geheel nieuwe betrekkingen geplaatst, en daar alles in ons midden en rondom ons van gedaante is verandert, vordert ons Vaderland meer dan eenige andere Staat, de onverdeelde aandacht en de bedaarde overweging der regenten.’

In één zin verwijst deze Willem hier naar de Franse overheersing die dan net achter de rug is en de gevolgen daarvan, naar de andere rol die hij als Oranje-telg heeft gekregen, naar de aanzet tot een natiestaat om duidelijk te maken dat de Republiek der Zeven Provinciën niet terugkeert, en naar de inbreng die hij van de leden van de Staten-Generaal verwacht.

Die onverdeelde aandacht en dat bedaard overwegen van de regenten is in die tijd nadenken over wat de Souvereine Vorst beslist. Zijn macht reikt zo ver dat hij zelfs bepaalt wanneer de Staten-Generaal terugkomen van het zomerreces, zo valt te lezen in het handelingenboek. Dat lijkt een onbeduidend detail, maar daarmee is het juist een voorbeeld van waar deze Willem zich allemaal mee bemoeit in dat eerste jaar dat de afgevaardigden van de provincies bij elkaar komen om een Nederlandse staat op te bouwen. Die bemoeienis gaat dus verder dan ‘alleen’ het benoemen van de leden der Staten-Generaal en het aanwijzen wie hun voorzitter is. De vorst houdt zich ook bezig met de Schuld van de staat, met de Jagtwet en met de inhoud van het Crimineel Wetboek voor krijgsvolk te water, waar in artikel 23 minutieus staat beschreven hoe de ‘straffe des doods met den kogel’ moet worden uitgevoerd.

In zijn boek Nederland en het verhaal van Oranje schrijft de historicus Coos Huijsen over de regeerperiode van Willem I: ‘Achteraf beschouwd zou men kunnen zeggen dat de dominante positie van de vorst uiteindelijk een “autoritair intermezzo” zou blijken te zijn tussen de Republiek en het latere parlementaire koningschap (…)’

Deze Willem van Oranje is zelfs zo eigen­gereid dat hij zichzelf de koningstitel toebedeelt. Op 16 maart 1815 ondertekent hij zijn eigen besluit daartoe. Daarin refereert hij indirect aan zijn voorvader Willem de Zwijger en de opstand tegen de Spaanse overheersing van ruim twee eeuwen daarvoor: ‘Ons verlatende op de edele zucht voor burgerlijke vrijheid en onafhankelijkheid, het Nederlandsche karakter eigen; sterker nog door de menigvuldige bewijzen van verknochtheid, die wij dagelijks ontvangen, aanvaarden wij thans den schepter met geen andere bedoeling, dan om Onze heerschappij te doen dienen tot heil van al degenen, die aan dezelve zijn onderworpen, en om hun het ongestoorde genot te verzekeren van alle de weldaden des vredes en der eendragt.’

In voorgaande alinea’s staat zo al een aantal zaken waar de nieuwe koning na zijn inhuldiging op 30 april geen inhoudelijke bemoeienis meer mee heeft. In bijna tweehonderd jaar tijd is er gaandeweg veel veranderd.

Dat er een nieuwe telg van Oranje koning wordt, is omdat Nederland al bijna tweehonderd jaar een monarchie is; dat iemand zichzelf zou uitroepen tot koning zou nu ondenkbaar zijn in Nederland. Ook gaat de nieuwe koning niet meer over wie er lid zijn van de Staten-Generaal. Hij wijst ook niet de voorzitters aan van de Eerste en Tweede Kamer. Hij beslist niet wanneer de parlementariërs met reces gaan en daarvan weer terugkomen. En hij gaat ook niet over de inhoud van welke wet dan ook, ook al ondertekent hij ze allemaal. Wel zal hij jaarlijks de Staten-Generaal toespreken, één keer, op Prinsjesdag, maar de tekst is van de ministersploeg. Op 17 september 2013 zullen de eerste woorden van de nieuwe koning zijn: ‘Leden van de Staten-Generaal.’ Het zijn tenslotte geen edel vermogende heren meer.

In de vorige week verschenen tweede editie van zijn boek De Koning schrijft Ernst Hirsch Ballin, oud-minister van Justitie en hoog­leraar Nederlands en Europees recht in Tilburg, dat ‘de ontwikkeling die het koningschap heeft doorgemaakt, een van de vele voorbeelden is van vernieuwing van het constitutionele recht met behoud van oude vormen’.

De grootste omslag in de ‘macht’ van de koning dateert van 1848. De zoon van Willem I, koning Willem II, verandert dan in één nacht van een conservatieve in een liberale vorst en stemt in met de nieuwe grondwet van de hand van de liberaal Johan Rudolph Thorbecke. De liberale revoluties in dat jaar in Frankrijk, in de landen die deel uitmaakten van het Habsburgse rijk en in andere Europese koninkrijken hebben bij deze nachtelijke ommekeer een handje geholpen. Volgens Hirsch Ballin is het de oorsprong van de Nederlandse monarchie – de opstand tegen de overheersing van de Spaanse koning – die haar van begin af aan heeft behoed voor een sterk autocratisch gehalte.

In de nieuwe grondwet komt te staan: ‘De persoon van de koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.’ Wij weten nu niet beter dan dat hier staat dat de ministers het beleid bepalen, dat de koning geen politieke macht heeft en dat de minister-president verantwoordelijk is voor uitspraken van de koning.

Maar die tekst uit de grondwet van 1848 kan ook anders worden uitgelegd. Het SP-Kamerlid Ronald van Raak wijst daarop. Hij promoveerde dertien jaar geleden op het conservatisme in Nederland in de negentiende eeuw met het boek In naam van het volmaakte. Volgens Van Raak lezen de conservatieven in die tijd in de zinsnede ‘de persoon van de koning is onschendbaar’ juist de bevestiging dat de koning als hoofd van de regering onafhankelijk is. Oftewel dat de koning zijn gang kan gaan. Deze conservatieve interpretatie wint het echter niet van de liberale.

Toch zijn er ook nu nog sporen van dat conservatieve denken te herkennen in de huidige opvattingen over het moderne koningschap. Daarvoor moeten we eerst nog even terug naar de negentiende eeuw. Een van de conservatieve voormannen uit die tijd, Gerrit Jan Mulder, ziet volgens Van Raak als voordeel van het erfelijk koningschap dat dit niet gebonden is aan een bepaalde politieke richting. Bovendien kan een koning volgens Mulder in zijn jeugd worden voorbereid op zijn latere functie: ‘Zoo groeit het aanstaande hoofd langzamerhand op tot een waren prins, die niet slechts kennis neemt van hetgeen hem te wachten staat, maar er zich ook in denkt en er voor gaat leven.’

Ook Hirsch Ballin verwijst in zijn boek naar het voordeel dat bij een erfelijk koningschap de koning niet gebonden is aan een bepaalde politieke richting. Juist nu, aan het begin van de 21ste eeuw, is dat volgens hem belangrijk. Voorwaarde is volgens Hirsch Ballin wel dat de koning dan niet met politieke macht is bekleed. Dat is het verschil met de conservatieven uit de negentiende eeuw. Die streven daar juist wel naar. ‘Een niet met politieke macht belast koningschap’, aldus Hirsch Ballin, ‘is van betekenis als tegenwicht tegen de splijtende krachten, zoals politieke vijandschappen en het denken in groepstegenstellingen.’ De Oranjes dus als bindende factor. Dat ziet Hirsch Ballin dan ook als de belangrijkste taak van de nieuwe koning.

De rol die Hirsch Ballin voor de koning ziet weggelegd heeft voor de oud-cda-politicus alles te maken met veranderingen in de politiek en het denken over politiek. Mede onder invloed van de massamedia is volgens hem politiek vooral een conflict tussen personen en groepen geworden. Hirsch Ballin vindt dat dit leidt tot ‘antagonistische politiek’, een politiek waarin de andersdenkende tot vijand wordt gemaakt. Dat vindt hij niet passen in een democratische rechtsstaat. Hirsch Ballin denkt dat een niet met politieke macht bekleed erfelijk koningschap in het huidige politieke klimaat disciplinerend kan werken. Als voorbeeld haalt hij de troonrede aan, geschreven onder verantwoordelijkheid van de minister-president, maar voor­gelezen door de koning. Hirsch Ballin noemt het ‘terecht’ dat de troonrede niet door een zittende minister-president wordt gebruikt om zijn voorganger bij monde van de koning ‘de mantel uit te vegen’. Omdat het dezelfde koning is die de troonrede uitspreekt, ook al is de regering van samenstelling veranderd, heeft dat volgens Hirsch Ballin ‘een disciplinerende werking in het democratisch proces’.

De voorgangers van de nieuwe koning hadden al niet meer de politieke macht die hun voorvader Willem I had. Als laatste is de koning vorig jaar ook zijn rol bij kabinetsformaties ontnomen. De Tweede Kamer heeft dat afgelopen najaar voor het eerst zelf geregeld, de koningin ontving haar vaste adviseurs en de fractieleiders niet meer en stelde ook niet meer de informateurs of de formateur aan.

Voorstanders van deze veranderingen zeggen: kijk eens hoe goed, soepel en snel dat ging. Tegenstanders daarentegen wijzen erop dat het aan de ruime winst van vvd en pvda lag dat de kabinetsformatie deze keer eenvoudig was. Ze vrezen dat bij een ingewikkelder verkiezingsuitslag een procesbegeleider in de persoon van de koning node gemist zal worden. Bovendien halen ze inmiddels ook graag aan dat met de koningin als procesbegeleider mogelijk meer rekening was gehouden met het ontbreken van een meerderheid in de Eerste Kamer voor de huidige coalitiepartijen. Dat laatste past dan overigens niet in hun opvatting dat de koning niet anders kan dan adviseren wat de politieke partijen hem opdragen, en dat was in dit geval de formatie van een kabinet met de twee winnaars.

De roep vanuit sommige politieke partijen, zoals de pvv, om in een volgende stap het koningschap puur ceremonieel te maken zodat de koning geen lid meer is van de regering, is na de aankondiging van de troonswisseling niet meer luid en duidelijk gehoord. Waarschijnlijk zou het niet goed vallen bij een groot deel van de bevolking en zou het partijen dus kiezers kosten. Daarmee blijkt ook nu weer een oude troef van de Oranjes te werken: hun populariteit bij de bevolking. Het is een terugkerend element in hun geschiedenis en daarmee in die van Nederland.

Dat de koning lid is van de regering past volgens de voorstanders van een ceremonieel koningschap niet in een moderne democratie. Zij gaan er daarbij vanuit dat de koning achter de schermen toch nog steeds politieke invloed heeft. Volgens Hirsch Ballin is die invloed er niet. Bovendien kan volgens hem de koning zelfs juist en alleen lid zijn van de regering als hij die invloed ook niet heeft.

Maar als de koning toch geen invloed heeft, kun je hem toch uit de regering halen? Daar is Hirsch Ballin het niet mee eens. Dat de oud-minister er voorstander van is om de koning lid te laten blijven van de regering komt voort uit zijn opvatting dat politiek agonistisch moet zijn en andersdenkenden niet tot vijand mag maken. In zijn boek betoont Hirsch Ballin zich aanhanger van de stroming die vindt ‘dat politiek altijd gericht moet zijn op wat mensen met elkaar verenigt’. Een koning die lid is van de regering draagt daar volgens hem aan bij, want ministers van verschillende politieke kleur komen en gaan, maar dankzij de koning blijft de regering – in constitutionele zin – altijd bestaan.

Maar waar Hirsch Ballin het in deze ver­politiekte tijden als de kracht van de koning ziet dat hij geen politieke macht heeft, is het juist dat verpolitiekte denken – het denken dat alles politiek is en je politieke tegenstander je vijand is – dat ervoor kan zorgen dat de rol van de koning toch weer onderwerp van discussie zal worden als de inhuldigingsfestiviteiten zijn geluwd. Want in dat denken kan de koning niet apolitiek zijn en daarmee dus ook geen lid van de regering. De kritiek van pvv-leider Geert Wilders op kerstboodschappen van de koningin is een voorbeeld van dat denken. Haar oproep tot verdraagzaamheid en de waarschuwing tegen verharde verhoudingen in de samenleving noemde hij ooit ‘multiculti-onzin’ en een politieke aanval op zijn partij.

De rol van de nieuwe koning zal daarom afhangen van hoe de politiek zich ontwikkelt: zal deze gericht zijn op dat wat de mensen verenigt en op gemeenschappelijke vrijheid, of juist op dat wat hen van elkaar doet verschillen? Zal in de toekomst nog gelden wat Willem I in 1815 tegenover de toenmalige Staten-Generaal zei: ‘Maar de eigenaardige zeden, de goede trouw, de eerbied voor godsdienstige begrippen, de gehechtheid aan voorvaderlijke instellingen en gewoonten bleven in al deze provinciën aanwezig en maakten er een naauwelijks zigtbaren doch sterken band.’

In de termen van Hirsch Ballin is de vraag: zal de politiek agonistisch of antagonistisch zijn? Dat gaat veel verder dan de vraag of de koning, populair gezegd, alleen een lintenknipper moet zijn, en verder dan de discussie of een erfelijk koningschap nog wel past in een tijd dat mensen op hun eigen capaciteiten worden beoordeeld en niet op die van hun voorouders. Wat daarmee echter niet verandert, is dat de rol van de Oranjes zal meebewegen met de tijd. Zoals dat al tweehonderd jaar, en eigenlijk al vanaf eind zestiende eeuw, het geval is.