AAA Festival Oorlog en kunst als katalysatoren van de tijd

Geen mafketels maar seismografen

In materieel opzicht zijn we er sinds de Eerste Wereldoorlog enorm op vooruit gegaan. Maar hoe zit het met onze morele vorderingen? En kun je spreken van vooruitgang in de kunst?

Medium lessing

Honderd jaar geleden, toen de Eerste Wereldoorlog nog niet of net begonnen was, had nog bijna niemand elektriciteit. Van de 1054 gemeenten in Nederland hadden er slechts tweehonderd een elektriciteitsvoorziening en van de duizend huishoudens in die gemeenten waren er slechts acht op die voorziening aangesloten. 0,2 procent van de bevolking had elektriciteit. Meer mensen hadden stromend water, maar dat waren er ook niet veel. Warm water kreeg je alleen nadat je een keteltje op de kachel had gezet, in keuken of kamer, meestal was er maar één kacheltje, de rest van het huis bleef koud. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog reden in Nederland niet meer dan tweeduizend auto’s rond, één op de drieduizend inwoners had zo’n ding. De gemiddelde levensverwachting lag onder de 55 jaar. Er waren tal van ziektes waarvoor geen genezing bestond. Zo kun je doorgaan.

De cijfers laten maar één conclusie toe: we zijn er in de afgelopen eeuw enorm op vooruitgegaan. Toch betreft die vooruitgang eerst en vooral alles wat met techniek, hygiëne, gezondheid en andere ‘omgevingsfactoren’ te maken heeft. Geldt zij ook dieperliggende zaken als het maatschappelijk systeem, de moraal en de kunsten?

In 2011 publiceerde de Amerikaanse taalkundige en psycholoog Steven Pinker een pil van een boek dat nogal indruk maakte en in vele talen werd vertaald. Zoals al blijkt uit de titel, The Better Angels of Our Nature: Why Violence Has Declined (in het Nederlands Ons betere ik), betoogt Pinker dat de mensheid er vooral wat geweldgebruik sterk op vooruit is gegaan. De twee wereldoorlogen, zo stelt hij, zijn bij lange na niet de meest gewelddadige in de geschiedenis geweest. Er waren veel ergere oorlogen. Eenzelfde optimisme verkondigt hij op andere gebieden. Aan de hand van zes trends (waaronder oorlogvoering, moord en civilisatieproces), vijf ‘innerlijke demonen’ (roofzucht, ideologie en dergelijke), vier ‘goede engelen’ (zoals zelfbeheersing en moreel besef) en vijf historische krachten (waaronder feminisering, rationalisering en kosmopolitisme) beweert Pinker dat het met de geschiedenis de goede kant op gaat. Als hij gelijk heeft, zou je kunnen stellen dat ook het maatschappelijk systeem er in de afgelopen eeuw op vooruit is gegaan. Deze gedachte wordt nog versterkt door het feit, ja feit, dat het aantal democratieën in diezelfde tijd enorm toegenomen is, de armoede afnam, de sociale zekerheid toenam en de arbeidsomstandigheden verbeterden. Naast technologische vooruitgang kennen we dus ook maatschappelijke vooruitgang.

Ook wat betreft de moraal, zie genoemde goede engelen, is Pinker overtuigd van vooruitgang. Ik betwijfel of dat terecht is. Is de moderne ik uit beter hout gesneden dan de historische? Is het niet veeleer zo dat de maatschappelijke omstandigheden nu beter zijn en dat het daardoor eenvoudiger wordt de goede ik te tonen? Maar wat gebeurt er als die omstandigheden veranderen? Er zijn voorbeelden te over, de twintigste-eeuwse geschiedenis van het Land der Dichter und Denker voorop, waaruit blijkt dat beschaving slechts een laagje vernis is.

Voor kunst lijkt discussie op het eerste gezicht uitgesloten. Het valt onmogelijk vol te houden dat moderne muziek beter is dan oude. Er kan geen sprake van zijn dat er een klimmende lijn loopt van Giotto via Rembrandt en Picasso naar, zeg, Antoni Tàpies, Francis Bacon en Marlene Dumas. Zijn moderne romans beter dan klassieke of, omgekeerd, de gedichten van Petrarca slechter dan die van Seamus Heaney? Ik denk niet dat er iemand te vinden zal zijn die iets dergelijks met een stalen gezicht en goede argumenten verkondigt.

Pas door het werk van Whistler hebben we geleerd mist te zien. Tot dan toe konden we mist slechts voelen of ervaren

Hoewel. Vooruitgang in de kunsten is toch een veelbesproken thema. Zo kennen we het beroemde boek van Ernst Gombrich uit de jaren zeventig van de vorige eeuw: Kunst und Fortschritt: Wirkung und Wandlung einer Idee. Niet veel minder bekend is het betoog dat de Amerikaanse filosoof en kunstcriticus Arthur Danto een kleine tien jaar later hield, The Philosophical Disenfranchisement of Art. Gombrich en Danto beweerden beiden inderdaad dat van vooruitgang in de kunst geen sprake kan zijn. Gombrichs belangrijkste argument was gebaseerd op de gedachte dat (beeldende) kunst in laatste instantie nabootsing van de natuur beoogt. Het moment dat die nabootsing vervolmaakt was, betekende tevens het einde van de vooruitgang. Het hoogtepunt had daarom ergens in de negentiende eeuw, in ieder geval vóór de Eerste Wereldoorlog gelegen.

Danto heeft een geheel ander beeld van kunst. Hij ziet haar vooral als idee. Kunstzinnige vooruitgang is in zijn ogen een bewustwordingsproces, een vorm van filosofie, en haar einde was bereikt op het moment dat de kunstenaar met zijn werk de ultieme vorm van zelfreflectie betrachtte – wat bijvoorbeeld Andy Warhol met zijn Brillo Boxes gedaan zou hebben. Door van alles kunst en van iedereen kunstenaar te maken, stuit het denken op een muur: verder kon niet. En dus kon de kunst vanaf dat moment niet verder vooruit, om niet te zeggen dat zij overbodig (disenfranchised) was geworden.

Gelukkig hebben kunstenaars en onderzoekers zich van deze en vergelijkbare gedachten niet veel aangetrokken en zijn ze doorgegaan met mooie dingen maken en daarover nadenken. Op basis van dit gegeven bestaan er grosso modo twee opvattingen over vooruitgang in de kunst – Maarten Doorman beschreef ze een kleine twintig jaar geleden aan het eind van zijn dissertatie Steeds mooier. Dat deed hij vol overtuiging, uit weerzin tegen het postmoderne, Warhol-achtige ‘het is allemaal één pot nat’. Dat kan niet zo zijn, beweerde Doorman, en als het zo is, dan mag het niet zo zijn. Want als alles op het hetzelfde neerkomt en er geen hiërarchie of vooruitgang meer bestaat, wordt alles waardeloos. Dat is aantoonbaar niet het geval.

Van die twee opvattingen over vooruitgang is de eerste gebaseerd op een kwantitatief argument: er is meer kunst, er zijn meer stromingen, meer technieken, meer instrumenten en dus meer mogelijkheden om mooie dingen te maken. Meer en beter liggen in elkaars verlengde.

Belangrijker is het tweede, kwalitatieve argument. Doorman stelt, met Danto en in navolging van onder anderen kunstcritica Suzi Gablik (Progress in Art, 1976) en filosoof Nelson Goodman (Languages of Art, 1968), dat kunst eerst en vooral een cognitief proces is. Kunst brengt kennis, een ander soort dan wetenschappelijke kennis, maar niettemin doet kunst zien, luisteren, denken en begrijpen. Wie had ooit bedacht dat je de haven van Rotterdam als een geheel van pixels kunt beschouwen voordat pointillist Paul Signac dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog deed? Als Marcel in Prousts À la recherche du temps perdu door een straat loopt, vraagt hij zich wanhopig af of iemand deze beschreven heeft. Zonder tekst weet hij immers niet hoe hij de straat moet bekijken.

Het moderne zien, denken, voelen en luisteren is ons mede dankzij de kunsten met de paplepel ingegeven

Beroemd is het verhaal van het portret dat Picasso van Gertrude Stein maakte; het zou volgens de geportretteerde geen enkele gelijkenis vertonen. Picasso was van deze kritiek niet onder de indruk. ‘Dat komt nog wel’, luidde zijn laconieke reactie. Hij bedoelde: ik zie in jou dingen die jij en anderen misschien nog niet zien, maar mijn zien is het juiste en de tijd zal dat leren. Niet minder beroemd is de visie van Oscar Wilde op de Londense mist. Pas dankzij het werk van James Whistler – schemerige donkervlakken waarin slechts met moeite contouren zijn te onderscheiden – hebben we geleerd mist te zien. Tot dan toe konden we mist slechts voelen of ervaren.

Tot slot de muziek. Muziek is vermoedelijk het best in staat inzichten en gevoelens los te maken. Hoe onmogelijk ook te bewijzen, muziek is bij uitstek een katalysator van het levensgevoel. Het is veelzeggend dat – om één voorbeeld uit talloze te geven – Claude Debussy in het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog stierf: zijn Guy de Maupassant-achtige wereld was voorbij.

Nature imitates art. Een ieder weet dit uit ervaring. Er zijn boeken, films of muziekstukken die je doen beseffen wie je bent, wat je denkt, wat je voelt of wilt. Dat besef vormt jouw persoon. Kunst kent per definitie vooruitgang omdat zij ons door haar ontwikkeling steeds weer anders leert zien, luisteren en voelen dan wel nieuwe inzichten verschaft. Hiermee is kunstzinnige vooruitgang wel van een andere orde dan technologische – anders dan die van de klok die nauwkeuriger tikt of de auto die sneller rijdt. Kunstzinnige vooruitgang is onlosmakelijk verbonden aan persoonlijke ervaring en dus, in tegenstelling tot haar technologische tegenhanger, subjectief. Vandaar dat contemporaine kunst door de tijdgenoot als ‘beter’ gezien zou kunnen worden: zij is immers de adequate uitdrukking van zijn wereldbeeld.

Terug naar de Eerste Wereldoorlog. Aan de vooravond ervan bruiste Europa van de kunstzinnige experimenten. Dat gebeurde op een schaal zoals vermoedelijk nooit eerder was gebeurd en, behalve wellicht in de jaren zestig, tot op heden ook niet herhaald zou worden. Surrealisme en dadaïsme, expressionisme en futurisme, kubisme, constructivisme, om niet te spreken van het werk van een onafzienbare reeks individuele kunstenaars die zich niet in categorieën laten vangen, zoals Karl Kraus en Franz Kafka, Arnold Schönberg en Anton Webern, Walter Gropius en Le Corbusier – het ontstond allemaal vóór de Grote Oorlog terwijl het pas na de oorlog in grote kring bekend werd en vanaf dat moment, tot op de dag van vandaag, onlosmakelijk deel uitmaakt van onze manier van zien, horen, voelen en ervaren. Hiermee hielden genoemde experimenten ook op experiment te zijn. Zij waren niet langer het bezit van een kleine groep, maar uitdrukking van – zeg – de moderniteit of moderne tijd.

Het moderne zien, denken, voelen en luisteren is ons mede dankzij de kunsten met de paplepel ingegeven. Op zichzelf is dat niet verrassend, het ligt in de lijn van de hiervoor geschetste vooruitgang. Verrassend is wel dat zo velen in de jaren rond de Eerste Wereldoorlog in korte tijd eveneens anders leerden zien, voelen en ervaren. Het kan bijna niet anders dan dat de oorlog hierin de bepalende factor is geweest. De oorlog was als een bom die alles omwoelde, het onderste boven bracht en het bovenste onder. Zo kon het gebeuren dat tijdens de oorlog in het neutrale Zwitserland een begrip als avant-garde ontstond. Hiermee werd uitdrukking gegeven aan de gedachte dat mensen die vóór de oorlog met kunstvormen hadden geëxperimenteerd, geen wereldvreemde mafketels waren maar seismografen. Zij waren de voorhoede die beter had gevoeld dan hun omgeving. Pas na de oorlog werd dat duidelijk.

De tijdgenoot had zonder de Eerste Wereldoorlog vast en zeker ook geleerd anders, lees ‘modern’ te kijken, te voelen en te ervaren. Maar vermoedelijk had het veel langer geduurd. Want pijnlijk maar waar, er zijn overeenkomsten tussen oorlog en kunst. Beide zijn katalysatoren van de tijd. Hier ligt het bijzondere van het tijdperk van de Eerste Wereldoorlog: dat twee zo krachtige katalysatoren samenvloeiden. Met en door die samenvloeiing begon de twintigste eeuw.


2 t/m 9 november: AAA Festival Muziek en Kunst, met als thema ‘1914 – Een eeuw later’. Diverse locaties in Amsterdam


Beeld: George Grosz, Grossstadt – Metropolis (Berlin), 1916-17. Olie op canvas (Erich Lessing Culture and Fine Arts Archives / HH).