ECONOMEN EN DE KREDIETCRISIS

Geen markt voor kritiek

Achteraf is iedereen een haarscherp criticus: de financiële zeepbel móest knappen. Vóór de kredietcrisis waren tegengeluiden schaars. Samen met de banken en verzekeraars staat ook de economische wetenschap op de rand van het faillissement.

NET IETS TE GRETIG berichtten Britse kranten over wat misschien de eerste prominente zelfmoord is van de kredietcrisis. Het gaat om Kirk Stephenson, werkzaam voor een private equity-firma. De parallel met die andere beurscrash in 1929 ligt voor de hand. Toen sprongen beurshandelaren volgens de overlevering uit het raam. Nu zou de 47-jarige miljonair de ultieme consequentie hebben getrokken uit zijn financiële falen door voor de trein te springen.
Als het al waar is – wantrouw nieuws dat zich leent voor filmscripts – dan staat Stephenson vooralsnog alleen in zijn ondraaglijk lijden. Neem de ontslagen bazen van de omgevallen hypotheekgiganten Fannie Mae en Freddie Mac. Zij kregen geen ontslagvergoeding mee, maar het leed wordt verzacht door een kleine tien miljoen dollar aan pensioengelden. Fortis-topman Verwilst mag vertrekken met vijf miljoen euro. Niet voor niets sprak een van de organisatoren van de protesten afgelopen maand tegen het Amerikaanse noodfonds over ‘socialisme voor de rijken en dog eat dog-kapitalisme voor de rest van ons’. Conclusie: ook na het recente fiasco heeft de financiële wereld weinig op met schuld en boete.
De sector staat dan ook niet bekend om zijn kritische zelfreflectie. Sterker nog: volgens diverse commentatoren zou er sprake zijn van een hardnekkige kuddegeest die, in combinatie met klassieke hebzucht, een van de achterliggende psychologische oorzaken is van de kredietcrisis. Dat is niets nieuws. Vlak voor de crash van 1929 verklaarde de indertijd beroemde Yale-econoom Irving Fisher dat de aandelenkoersen waren aanbeland op een ‘permanent hoog plateau’. En in de jaren negentig geloofden bankiers, economen, journalisten en politici dat een ‘nieuwe economie’ van permanente groei was aangebroken – tot de internetzeepbel uiteenspatte.
Binnen enkele jaren is de financiële sector er opnieuw ingetuind. Achteraf zeggen diverse bankiers dat ze de bui hadden zien hangen. Maar stoppen met de handel in slechte hypotheken of risicovolle derivaten was niet mogelijk zolang er geld mee verdiend werd, zo luidt het excuus. Anderen zouden dan met de winst gaan strijken, met morrende aandeelhouders tot gevolg. Vandaar dat ze in de pas bleven lopen met de kudde. Ze zaten gevangen in de logica van het systeem.

Het schokkende aan de kredietcrisis is niet de aloude kortzichtigheid van de financiële wereld. Het is het gebrek aan tegengas van de mensen daaromheen, wier dagtaak het is de economie te doorgronden. De crisis in de economie is ook een crisis van de economische wetenschap. Niet dat er de afgelopen jaren geen kritische geluiden waren. Toezichthouders, zoals het Internationaal Monetair Fonds, nationale banken en hun internationale samenwerkingsverband de Bank voor Internationale Betalingen wezen allemaal op de gevaren van de complexe financiële producten, de hypotheekmarkt en een plotselinge val van de dollar. Maar geen van alle waren ze bereid aan de noodrem te trekken. Bang dat het medicijn erger zou zijn dan de kwaal. Of gewoon omdat ze niet geloofden dat nationale overheden in de 21ste eeuw een rol van betekenis konden spelen in de economie.
Ook sommige wetenschappers waren kritisch. Linkse economen als Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, andersglobalist Walden Bello en Robert Brenner voorzagen de huidige crisis ruim van tevoren. Tevergeefs. Misschien niet eens zozeer omdat, zoals Brenner enkele jaren geleden spottend constateerde, marxistische economen als hij erom bekendstaan dat ze ‘seven out of the last one international economic crisis’ juist voorspelden. Voor de ideeën van dit handjevol dissonanten bestaat, om het in het neoliberale jargon uit te drukken, eenvoudigweg geen markt op Wall Street, in de politiek of het bedrijfsleven. Ze worden niet serieus genomen. Het feit dat veel van de critici hun wortels hebben in andere wetenschappen, zoals geschiedenis, politicologie of sociologie, draagt daar nog eens aan bij.
De mainstream waarnaar wél geluisterd wordt, hield zich de afgelopen jaren grotendeels koest. Hoe is dat mogelijk? Sommigen wijten het aan een nog steeds dominante neoliberale tunnelvisie, die het zicht zou ontnemen op de zwaktes in het systeem. Maar de belangrijkste verklaring ligt elders. Het leeuwendeel van de economen staat niet langer ‘buiten’ het systeem waar zij als wetenschappers kritisch op moeten reflecteren. Zij zijn onderdeel geworden van de financiële wereld, en daarmee zijn ook zij vatbaar voor de daar heersende kuddegeest.
Die nauwe verwevenheid tussen de financiële wereld en de wetenschap is het duidelijkst zichtbaar in de Verenigde Staten. Daar is sprake van iets wat zich nog het best laat omschrijven als een financieel-wetenschappelijk complex – en niet alleen omdat een groot deel van de Amerikaanse economen rechtstreeks in dienst is van financiële instellingen, waar zij zich bezighouden met een vorm van financiële weersvoorspelling: met hoeveel procent zal de economie volgend jaar groeien, en wordt de rente wel of niet verhoogd?
Het begint al bij de minister van Financiën, Hank Paulson. De architect van het miljardenfonds voor noodlijdende financiële instellingen was voorheen topman bij zakenbank Goldman Sachs, een van de hoofdrolspelers in de kredietcrisis. En niet alleen in het gevolg van president Bush is sprake van dubbele petten. Tot Obama’s economische adviseurs behoort Larry Summers, oud-minister, voormalig Harvard-president en tegenwoordig behalve wetenschapper ook directeur van een hedgefonds, de D.E. Shaw Group. Of neem Robert Rubin, architect van het economische beleid van Clinton in de jaren negentig. Hij combineert zijn baan bij de bank Citigroup, waar hij volgens The New York Times een jaarsalaris opstrijkt van rond de zeventien miljoen dollar, met advieswerk voor Democratische politici. Een soms twijfelachtige dubbelrol, bijvoorbeeld toen Rubin bij zijn politieke kennissen overheidssteun bepleitte voor het aan fraude ten onder gaande Enron. Citigroup had enorme financiële belangen in dat bedrijf. Overigens spreekt Obama ook met kritischere economen, zoals de keynesiaan James Galbraith.
Het geld, de glamour én het feit dat de mensen die beschouwd worden als de beste op hun vakgebied er al werken, zorgen ervoor dat ook de volgende generatie toptalenten kiest voor een carrière op Wall Street. Overheid en onafhankelijke wetenschap hebben het nakijken. ‘Worden Ivy League-universiteiten slechts selectiemechanismen voor Wall Street?’ vroeg de Amerikaanse professor Howard Gardner zich dit jaar vertwijfeld af. Hij kreeg bijval van de huidige Harvard-president, Drew Gilpin Faust, en van tal van studenten. ‘We kwamen naar Harvard om de wereld te veranderen, en we verlaten de universiteit om bankier te worden – waarom?’ aldus een van hen in de International Herald Tribune.
Wie denkt dat zoiets alleen kan in de bakermat van het kapitalisme vergist zich. Vrijwel alle Nederlandse deskundigen die de afgelopen weken op televisie en in de kranten de kredietcrisis becommentarieerden, zijn op de een of andere manier betrokken bij de financiële wereld die nu onder vuur ligt. Zo zijn er allereerst de gemengde aanstellingen. Een voorbeeld is Lex Hoogduin, hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) én hoofdeconoom bij vermogensbeheerder Robeco. Andere hoogleraren verdienen bij als consultant, zoals Nyenrode-hoogleraar Jaap Koelewijn, die een adviesbureau heeft. Een derde mechanisme waarmee wetenschap en bedrijfsleven met elkaar zijn verbonden, zijn de commissariaten. Zo bekleedt Rabobank-commissaris Sjoerd Eisma tevens de leerstoel ‘markten en regulering’ aan de UvA. Hoogleraar ‘financiële instituties’ aan de UvA Dolf van den Brink was van 1997 tot 2002 zelfs lid van de raad van bestuur van ABN Amro. Afgelopen weekeinde bepleitte hij nog eens het voortbestaan van zijn oude werkgever als zelfstandige bank in een opiniestuk in NRC Handelsblad.
Minstens zo belangrijk als de personele relaties zijn de financiële banden. Net als elders in de wetenschap treedt ook hier het bedrijfsleven op als sponsor van onderzoek. Diverse universiteiten hebben er aparte instituten voor opgericht. Zoals het aan de UvA verbonden Amsterdam Center for Corporate Finance, waarin onder meer ABN Amro, Fortis en Rabobank deelnemen. Aan de Tilburgse universiteit sponsort Van Lanschot Bankiers een leerstoel ‘investment theory’. Daarnaast heeft het Tilburg Center of Finance een waslijst aan commerciële en niet-commerciële partners, die vanuit de adviesraad suggesties kunnen doen voor toekomstige activiteiten en aandachtspunten. Onder hen banken als BNP Paribas, Crédit Agricole en de Depfa Bank – dat met zijn riskante beleggingen miljarden verloor en de bron is van veel van de problemen bij het Duitse moederbedrijf Hypo Real Estate.
Het aanwijzen van zulke verbanden tussen wetenschap en bedrijfsleven leidt maar al te snel tot misverstanden. Het gezegde ‘wiens brood men eet, wiens woord men spreekt’, gaat lang niet altijd op. Veel academici zullen er prima in slagen wetenschap en nevenfuncties te scheiden. Zowel private financiering als nauwere banden met ‘de praktijk’ is tegenwoordig bovendien in alle wetenschappen gemeengoed. Het gaat er dan ook niet om welke individuele wetenschapper waar zijn geld verdient. Het is het totale plaatje dat zorgen baart: de zelden vertoonde omvang van de verwevenheid tussen de wetenschap en de financiële wereld. Dat betekent nog niet dat bedrijven uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek dicteren. De invloed is waarschijnlijk subtieler. Het gaat er bijvoorbeeld om wát onderzocht wordt. Neem het grote aantal wetenschappers dat zich inmiddels bezighoudt met voor banken, hedgefondsen en investeringsmaatschappijen belangrijke zaken als ‘risk management’ of ‘financial innovation’. En zet dat af tegen een vakgebied als moderne economische geschiedenis, dat in Nederland een ondergeschoven kindje is. De opeenvolgende financiële crises van de laatste decennia tonen hoe gevaarlijk het ontbreken van een economisch geheugen is.
In september vond in de Beurs van Berlage de officiële opening plaats van de nieuwe Duisenberg School of Finance. Instellingen als ING, Fortis, De Nederlandsche Bank en Aegon steken de komende jaren 12,5 miljoen euro in dit instituut. Hier moeten, voor twintigduizend euro per master, de ‘financial leaders’ van de toekomst worden opgeleid. Bestuursvoorzitter van de Duisenberg School Joseph Streppel, tevens de financiële topman van Aegon, loofde in zijn speech diverse malen de ‘symbiotische relatie’ tussen wetenschap en de praktijk. Terwijl hij sprak kelderden de beurzen en verdampten er miljarden. Hoe illustratief. De omhelzing van wetenschap en financiële wereld zou voor beide partijen wel eens té innig kunnen zijn – en dat leidt tot verstikking, van elke fundamentele kritiek.