Geen messias; Kees ’t Hart wil schreeuwen

Geen messias

Volgens recensent Hans Goedkoop zouden schrijvers en kunste naars profeten moeten zijn. Ze zouden een andere blik op de werkelijkheid moeten geven. Kees ’t Hart krijgt zin om heel hard te schreeuwen.

«Voor wie het leven in de werkelijkheid vreest, is er zoals bekend, de uitweg van een leven in de kunst.» Met deze zin begint Hans Goedkoop in Een verhaal dat het leven moet veranderen zijn ge tergde terugblik op zijn korte carrière als literatuurcriticus. Een uitweg zoeken in de kunst? Lekker vluchten dus in de ivoren toren? Maar waar zou je anders moeten leven dan in de werkelijkheid?

Schrijvers moeten tegenwoordig iets. Ze moeten zich engageren, ze moeten meedoen met het debat, ze moeten zich meer met het straatrumoer bemoeien, ze moeten de wereld niet in de steek laten, ze moeten tegen de waan van de dag in het geweer komen en zich niet van de werkelijkheid scheiden. Lees het ook bij mensen als Bas Heijne en Daniël Rovers.

Is het maken van kunst een vorm van werkelijkheidsvrees? Als je Goedkoops logica volgt, is alles een uitweg. Een leven in het leraarschap, in de voetballerij, in de politiek, in de middenstand, allemaal uitwegen «voor wie het leven in de werkelijkheid vreest». Alles een vlucht.

Blijkbaar hebben Goedkoop, en met hem al die andere oproepers, geëngageerden en verwijters een bijzonder hoge pet op van schrijvers en kunstenaars. Daar verwachten ze de verlossing van. Want die zijn anders dan anderen, die «zien» de dingen beter. Die kunnen zomaar kiezen voor het «onbevreesde leven», dus geheel en al in de werkelijkheid staan, omdat het schrijvers zijn.

Raar, raar en nog eens raar. Hoe zou de uitweg er overigens uitzien voor iemand die het leven in de werkelijkheid niet vreest? Voor een «echte» schrijver dus? Zo iemand leeft vreesloos «in de werkelijkheid» (niet erboven of ernaast), misschien ongeveer zoals Rousseau zich in Le contrat social de eerste niet bedorven mens voorstelde, zwervend door bos en hei, zich van niemand iets bewust. Schuldloos en seksloos. Zo iemand heeft geen uitweg nodig, omdat hij niet eens weet wat dat is, een uitweg. Hij kan het niet weten. De naïeve, niet vooringenomen mens.

Wie droomt hier niet van, zeker als je een schrijver bent, zoals ik, die de hele dag in, boven, naast, op, onder, voor de werkelijkheid leeft? Ik droom er van zo’n naïeve mens te zijn, sterker, ik vind dat je ervan moet dromen als je iets moois wilt maken. Een onbevreesd kind, zo moet een schrijver zijn, dat moet de droom zijn. Maar als ik schrijf weet ik natuurlijk heel goed dat ik geen kind ben en ook niet wil of kan zijn, ik kan hoogstens doen alsof, tijdelijk, mezelf voor de gek houdend, zoals schrijven altijd moet zijn: tijdelijk jezelf en anderen voor de gek houden, onbevreesd voor wie of wat dan ook. De draak steken met de werkelijkheid, dat is schrijven. En dus ben ik geen kind, ik kan het niet zijn, omdat ik altijd blijf weten dat ik mezelf voor de gek hou. Ik ben een kunstenaar die met de middelen van de kunst opereert en die de traditie kent. Ik ben noodzakelijkerwijs een schrijver in wie vele stemmen spreken, om het maar eens op z’n Walt Whitmans te zeggen. In wie de werkelijkheid altijd spreekt, bevreesd of onbevreesd, dat maakt geen reet uit, om het op z’n Kees ’t Harts te zeggen.

Noodzakelijk. En alle onbevangenheid moet tijdens het schrijven van me af vallen, mijn schrijven mag nooit dat van een kind zijn en is dat ook nooit. Ik ben zo doortrapt als een ratelslang, zo laf als een soldaat achter een muurtje, zo moedig als een luitenant die de aanval leidt, zo schuw als een vos die zijn vijanden uit de weg gaat, zo gemeen als een zakkenroller die de kreupele vrouw eerst een tijdje beloert, zo geil als een jongen die zijn meisje voor de eerste keer in zijn kamer uitnodigt.

Volgens verwijters doorzien schrijvers de werkelijkheid beter dan anderen en moeten ze dat ook uitdragen. Hans Goedkoop gaat nog een stapje verder, hij eist zelfs dat schrijvers onbevangen tegenover de werkelijkheid moeten staan, als kinderen die nooit andere kinderen gezien hebben, als schuldloze kinderen. Want kinderen en gekken… Maar tegelijkertijd moeten ze de werkelijkheid omarmen, haar niet uit de weg gaan. Onbevangen zijn en tegelijkertijd «de werkelijkheid» doorzien. Binnen deze onmogelijke spagaat bevindt zich Goedkoops opvatting over schrijverschap. Hij meet schrijvers langs deze meetlat. Zij die de werkelijkheid vrezen, of er afstand van nemen of ervoor vluchten, of zich erover aanstellen, dat zijn de verkeerde schrijvers. Zij falen, zij zouden hun gezicht meer tot de werkelijkheid moeten wenden, en tegelijkertijd moeten zij de waarheid van die werkelijkheid laten zien, niet haar schijngestaltes. Je leest dit steevast bij alle oproepers voor engagement. Schrijvers doorzien de werkelijkheid blijkbaar beter dan anderen, het zijn profeten en zieners, zij weten precies wat die werkelijkheid is en wat die schijngestaltes zijn. Alsof ze alleen door schrijvers op een speciale internetsite te bezichtigen zijn, de rest van de wereldbevolking weet van niks, die is te dom. Schrijvers als romantische, bleke zieners met verwarde haren, vaak dronken, een verwarde blik en een kunstenaarshoedje op. En dan alles doorzien. Ik heb zin om heel hard te gaan schreeuwen.

Goedkoop pleit zelfs voor «meer werkelijkheid» en tegen de literaire verbeelding daarvan. En hij is niet de enige. Hij roept schrijvers op «tot het volle leven» door te dringen, fictie te schrijven die «daadwerkelijk iets met het leven aangaat». Volstrekt onmogelijke eisen. Wat is overigens het verschil tussen «leven» en «het volle leven»? Goedkoop weet het precies. Hij pleit, met alle anderen, voor realisme dat de realiteit doorziet en dat voor lezers de weg wijst naar de ware werkelijkheid. In laatste instantie is dit een pleidooi voor het einde van de literatuur, schrijvers moeten ophouden literatuur te maken en in «de volle werkelijkheid» gaan staan.

«Waar Grunberg zich bekeerde tot het leven, daar bekeerde ik me zogezegd tot Grunberg», schrijft Goedkoop. Hij doelt hier op de ommekeer die Grunberg volgens hem in zijn schrijfcarrière maakte. Grunberg keert in Fantoompijn volgens hem «terug tot de werkelijkheid», omdat er geen andere werkelijkheid is. Hans Goedkoop vindt Fantoompijn een sterk boek omdat er toch ook ondanks «execrabele flauwiteiten» bijvoorbeeld een vorm van echte liefde in terug te vinden is. Echte liefde? Tja, daar gaan we weer, «echte liefde» die kunnen alleen schrijvers «zien». Hij verwijt Kellendonk dat deze zijn gezicht niet genoeg «naar de werkelijkheid» wendt, dat deze schrijver, «volkomen literair» blijft denken en «daardoor niet bij machte (is) tot de grote sprong naar buiten, in de volle werkelijkheid waarop zijn droom zich richt». Maar wat is toch precies «volle werkelijkheid» en «de sprong naar buiten»? Iets verderop stelt hij dat Kellendonk niet in staat was met zijn werk zijn verbeelding «werkelijk» te maken. Kellendonks helden kunnen in zijn ogen niets «uitvoeren».

Bij Thomas Rosenboom komt hij tot vergelijkbare conclusies. Hij verwijt Rosenboom dat hij helden creëert die gevangen zitten «in het beeldenrijk dat ze zelf hebben ingericht». Ik zou zeggen dat Rosenboom met zijn creaties juist scherpe kritiek levert op politieke constellaties waarbinnen men ook gevangen is in een zelf geschapen beeldenrijk (zie de Amerikaanse buitenlandpolitiek, zie de Nederlandse dwangmatige wens voor een Betuwelijn) en dat hij dus in «de volle werkelijkheid» staat. Ik zou zeggen dat Rosenbooms werk, niet eens zo erg verborgen, dus een keiharde aanval inhoudt op de «maatschappelijke werkelijkheid» en dus daadwerkelijk iets «uitvoert». Goedkoop verwijt Rosenboom dat diens «verbeelding zich niet naar de werkelijkheid opent». Wat een merkwaardig verwijt! Alle schrijvers openen uiteraard met hun verbeelding de werkelijkheid, het ligt er maar aan hoe je hun werk wenst te lezen, daar gaat het om.

En Goedkoop leest het als uitingen van vrees, als een vorm van lafheid, dat is zijn onwrikbare uitgangspunt, daar begint hij zijn boek mee. En dat is het uitgangspunt van alle andere oproepen tot meer «engagement». Goedkoop leest bevooroordeeld, niet als een kind, niet naïef. Hij leest bevreesd, juist omdat hij eisen stelt en van vooronderstellingen uitgaat, hij voldoet dus niet aan zijn eigen uitgangspunten. Hij is niet in staat het ondergrondse gelispel en gesis in boeken te horen, het brandend verlangen en het maatschappelijk geruis. Het oorverdovende geruis dat niet alleen in boeken te horen is. Zijn verwijt aan Rosenboom (of A.F.Th. van der Heijden, of Giphart, of Palmen, of Kellendonk en noem ze maar op) is volkomen onterecht, tenzij hij in alle ernst bedoelt dat schrijvers uiteindelijk allemaal hun pen neer moeten leggen en «hun verbeelding moeten laten rusten», zoals hij zegt.

Vlak voor het einde van zijn boek formuleert hij het nog een keer: «Het betekende dat je een consequentie uit die inzichten zou moeten trekken door de werkelijkheid ook zelf eens te betreden.» Alsof iemand die schrijft de werkelijkheid niet betreedt! Werkelijkheid is blijkbaar een soort grot die je al of niet binnengaat, het is iets als een jas die je aan- of uittrekt. Maar hoe moet je dan «de werkelijkheid zelf» betreden, gesteld dat die apart van een schrijver zou bestaan? De straat op gaan? Kamerlid worden, socioloog of wetenschapper? Dat willen ze, dat we Messias worden, betweter en grootspreker. Ik heb weer zin om heel hard te schreeuwen. Ze willen dat ik met schrijven stop. Alles goed en wel, maar dat dus nooit. Als ik dat zou doen zou ik de grote droom nooit meer mogen dromen.