‘geen mof lachte ooit om mij’ ‘het werk van de joodsche raad is ontaard in collaboratie. ik zeg dat met enige schroom, omdat ik er zelf mijn leven aan te danken heb’

‘MIJN VADER was voor de Tweede Wereldoorlog confectiefabrikant in Amsterdam. Hij zette het bedrijf dat mijn grootvader in 1876 had gesticht op profijtelijke basis voort. Mijn vader had overigens niet alleen oog voor zijn bedrijf. Hij wist al ver voor de oorlog feilloos wat zich in Duitsland afspeelde. In de Duitse confectiewereld, die bijna geheel door joden werd gedragen, kende hij vrijwel iedereen. Een aantal van die bekenden heeft hij helpen emigreren uit nazi-Duitsland. Mijn moeder was voor haar huwelijk verpleegster geweest, een lieve vrouw met een vergaand rechtvaardigheidsgevoel. Ze was weliswaar een beetje religieus, maar toch zou ik mijn ouderlijk huis liberaal-joods noemen.

Op school was ik geen kei, ik bleef weleens zitten, maar mijn toekomst zag er aan het begin van de oorlog niet desperaat uit. Door mijn geboortejaar, 1923, hoefde ik bijvoorbeeld niet in dienst - mijn lichting had moeten opkomen gedurende de oorlog, dus mijn cohort hebben ze overgeslagen. Dat lijkt achteraf een weggevertje, maar ik voelde verdomd goed dat zich donkere wolken samenpakten boven mijn hoofd.
Enfin, ik had geluk. Want ik kon toch een aardig baantje krijgen. En niet zomaar ergens op kantoor, maar bij de Joodsche Raad. Die was er ineens in 1942, na de razzia rond het Waterlooplein. Deze instantie werd in opdracht van de moffen opgericht om orders te ontvangen en te vertalen naar de joodse bevolking. En dat waren doorgaans geen vrolijke opdrachten. Maar bij de Joodsche Raad werken betekende wel uitstel van executie, want je kreeg een Sperr-stempel, met de vermaarde aanduiding “bis auf weiteres”. Ik was dus tot nader order vrijgesteld van arbeidsplicht in Duitsland. Ik kwam aan het werk bij de Controlecommissie en werd belast met de zorg voor ouderloze kinderen.
Dit had ik aan mijn moeder te danken. Zij had het als kennis van professor Cohen - een van de voorzitters van de Joodsche Raad - voor elkaar gekregen dat ik die aanstelling kreeg. Je moest over “vitamine-R” beschikken: relaties hebben. En die had de sinaasappelventer of de gesjochten jongen die in tweedehands kleding handelde bijna niet.
Eerlijk gezegd heb ik mijn baantje destijds in alle dankbaarheid en zonder scrupules aangenomen. Pas achteraf besefte ik dat vriendjespolitiek mijn redding was. En vooral realiseerde ik me later dat er in mijn plaats een andere vent naar Duitsland zal zijn afgevoerd. Want het quotum moest gehaald worden. Opdracht is opdracht.’
‘ALS JE OVER de nodige intuïtie beschikte en je ogen goed de kost gaf, kon je waarnemen dat de Duitsers meesters waren in de salamitactiek. Het was hun kunst om overal en almaar kleine concessies af te dwingen en los te wrikken. Dat was een sluwe politiek. De Duitsers hadden feilloos door dat de Totalkrieg niet in één slag gewonnen kon worden. Af en toe werd er zelfs een plakje salami teruggegeven, om iets van edelmoedigheid te veinzen.
De nazi’s hadden die tactiek voor 1940 al met succes op internationale schaal toegepast. Op het niveau van de jodenvervolgingen werd ze andermaal en zonder mankeren uitgevoerd. Gestaag doorgaan met het afsnijden van plakjes. Het ging allemaal zo geleidelijk en met zo veel misleiding gepaard dat de meeste joden - en trouwens ook niet-joden - in het begin nauwelijks in de gaten hadden wat er gebeurde. Laat staan dat ze de planning van de vijand enigszins konden voorspellen. Men werd langzamerhand - om er een Duits woord voor te gebruiken - eingekreist, omsingeld. Het werd steeds benauwder, maar de Duitsers wisten toch ook altijd weer een vleugje hoop te wekken.
De echte ellende begon op 15 juni 1942 met het oproepen van, in eerste instantie, de Duitse joden voor de tewerkstelling. Wij Nederlanders leefden in de twijfelachtige en tamelijk egocentrische veronderstelling dat alleen de Duitse joden zouden worden opgepakt. Maar al gauw werden ook de Nederlandse joden opgeroepen. En toen die niet kwamen opdagen maar wel gewoon op hun huisadressen werden aangetroffen, tja, tóen gingen de Duitsers natuurlijk razzia’s houden.
Nadat vierhonderd joodse jongemannen na de Februaristaking naar Mauthausen gedeporteerd en daar omgekomen waren, kwam professor Cohen met de publieke aankondiging dat hij van de Duitse autoriteiten de zekerheid had gekregen dat zulke harde maatregelen tot het verleden behoorden.
Maar de jodenster werd ingevoerd en de ene razzia volgde de andere op. Kijk, op dat moment hadden de hoogleraar geschiedenis Cohen en de fabrikant Asscher moeten zeggen: We stoppen ermee! Maar ze bleven afwachten en hun kleine zegeningetjes tellen.’
'INMIDDELS KREGEN steeds meer joden in de gaten dat ze zelf hun lot ter hand moesten nemen. Het fenomeen van de onderduik had flinke vormen aangenomen, en van degenen die niet onderdoken, wilden velen als het even kon via de Joodsche Raad een Sperre zien te bemachtigen. Als je op een speciale lijst wist te komen, zoals wij van de Joodsche Raad, zou je bis auf weiteres van transport gevrijwaard zijn. Dat kon mogelijke wanhoop onderdrukken en kwam de levensverwachting ten goede. Daar ging het natuurlijk steeds meer om.
Of iedereen bis auf weiteres correct wist te vertalen, is me nooit duidelijk geworden. Maar de vrijstellingsstempels, gebaseerd op alle mogelijke uitzonderingsgronden, verspreidden zich als de olievlek op het spreekwoordelijke water. Zo kwam er een lijst waarop gemengd gehuwde joden werden geregistreerd. Dit bleek achteraf de beste lijst om op te staan, want zij zijn uiteindelijk in Nederland gebleven. Dan had je de lijst met de gedoopte joden. Die mochten ook in Nederland blijven, althans, dat hadden de Duitsers aan de kerken beloofd. Maar aan die belofte hebben ze zich niet gehouden.
Een andere groep mensen vond onderdak op de lijst van de Rüstungsjuden. Zij werden kriegswichtig bevonden, omdat ze in Nederland voor de Duitse oorlogsindustrie werkten. Hiervoor kwam onder meer een aantal textielarbeiders in aanmerking. Voor de goede orde: mijn ouders hebben zich nooit op deze lijst laten registreren. Zij waren al gesperrt omdat ze een Duitse jongen in huis hadden genomen. Kortom, ze waren pleegouders, in dienst van de Joodsche Raad.
Er waren nog diverse andere lijsten met vrijgestelden, die alle hetzelfde doel van de vrijheid dienden. Daarvan zou ik de zogeheten lijst-Calmeyer nog willen noemen. Dat was een merkwaardig register. De mensen die voor deze lijst in aanmerking kwamen, wisten aan te tonen - en soms was dat ook juist - dat zij eigenlijk geen voljood waren. Meestal ging het er dan om dat de moeder had bekend dat zij het ooit met een ariër had gehouden en dat haar kind dus een halfjood was. Daarvoor moest dan een ariër als stand-in worden gevonden. De Haagse dr. Calmeyer was zo welwillend om, deels tegen zijn opdracht in, een heleboel verzoekschriften te accepteren. Als de kandidaten waren geregistreerd, hoefden ze als half-joden geen ster meer te dragen.
Na verloop van tijd werd de Calmeyer-lijst onverantwoord vol. Calmeyer heeft toen met een grote zwaai alles van tafel geveegd. Niemand kreeg nog zo'n fel begeerd Sperr-stempel.
Omdat ook het medewerkersbestand van de Joodsche Raad buitenproportionele afmetingen begon aan te nemen, zou enige inkorting van de personeelslijst niet lang meer op zich laten wachten. Daarom heb ik zelf ook nog geprobeerd om op de Calmeyer-lijst te komen. Maar ik was te laat. Het curieuze is dat ik wel het begeleidend antropologisch rapport in handen kreeg. Dit was al eerder door een arts over mijn persoon samengesteld. Uiteraard kon ik die dokter alleen maar met veel scepsis tegemoettreden. Want ik dacht: een man die zich daarvoor leent, kan nooit deugen. Maar daar zat ik naast, die arts was goed. Hij heeft bijvoorbeeld een schedelmeting en dergelijke op mijn hoofd losgelaten en meldde al onderzoekend zijn resultaten: “Die Nase ist zwar convex, aber die Lippen treten nicht vor und die Augen sind hell…” De conclusie was “vorwiegend orientalisch-nordisch”. Goed toch? Met dat verslag kon ik in onverhoopte moeilijke dagen misschien nog wel uit de voeten.’
'MIJN VERMOEDEN werd bewaarheid. Inderdaad werd het aantal gesperden onder de paraplu van de Joodsche Raad tot de helft teruggebracht. Mijn ouders raakten daardoor aanvankelijk in de problemen. Maar ze hadden inmiddels paspoorten van Honduras en El Salvador en Palestina-certificaten. Mijn zuster, die legaal naar Zwitserland was gegaan en daar met de handschoen getrouwd was met een Zwitser, had mijn ouders die buitenlandse papieren bezorgd. Ze waren uiteraard vals, maar je was dus onderdaan van een buitenlandse mogendheid. Ook daaraan ontleende je een zekere bescherming. Verder had ik ze later doopbewijzen bezorgd.
Met de paspoorten van El Salvador en Palestina-certificaten hebben ze gelukkig nooit op de proppen hoeven komen. Want je kunt natuurlijk niet èn gedoopt zijn èn Palestina-certificaten hebben, en je kunt ook niet burger van Honduras en tevens van El Salvador zijn.
Maar ze waren wat dat betreft dus goed gewapend en het is goed uitgepakt. Ze zijn tegen het eind van de oorlog weliswaar via Westerbork in Theresienstadt beland, maar dat was een modelkamp met een relatief mild regime. Uiteindelijk zijn ze door de Russen bevrijd.’
'MIJN DAGEN VOOR de Joodsche Raad waren in de loop van 1943 geteld. Dat vond zijn grond in de grote razzia’s van 1943, toen Amsterdam-Centrum en -Oost werden leegehaald. Toen daar op 29 september nog een razzia onder de topmensen van de Joodsche Raad op volgde, kwam de klad er helemaal in. In diezelfde dagen vertrok de zogenoemde ABC-expres (met Asscher, secretaris Brandon en voorzitter Cohen - tm) naar Westerbork. Daarmee hield de Joodsche Raad na anderhalf jaar op te bestaan.
Ik moest als de wiedeweerga een uitweg zien te vinden. Op de vlucht dus. Ik ben op zekere nacht over de daken gevlucht. Ik werd echter ingehaald door zeven Groenen. Later heb ik vastgesteld dat men in die nacht Hondurezen aan het oppakken was. En hoewel ik me natuurlijk nooit had ingeschreven op het adres waar ik ondergedoken zat, waren ze er toch achtergekomen dat ik daar zat met een Hondurese pas.
Hoe het precies ging, weet ik niet meer, maar ik ben toen weer vrijgekomen en opnieuw ondergedoken. Daar hoorde ik op een gegeven ogenblik van de secretaris van professor Cohen dat Doktor Sluzker me wilde spreken. Doktor Sluzker was een Weens-joodse advocaat die de leiding had over de afdeling Expositur van de Joodsche Raad. Hij ging over van alles en nog wat, maar primair over vrijstelling van joden die al gearresteerd waren. Hij kon met veel geduld met de Duitsers onderhandelen. En nu wilde hij mij dus zien. Dat vond ik griezelig, want er waren nog maar zo weinig joden over… en met mijn uiterlijk de straat op gaan, dat was gevaarlijk.
Uiteindelijk ben ik toch gegaan en nog wel met een ster op mijn mantel. Ik dacht: als ik daar nu loop met een ster, dan denken ze vast: die móet wel toestemming hebben… Bovendien had ik nog altijd mijn Hondurese pas en nog valse verklaringen met daarop “vom Stern tragen befreit”. Inderdaad, ik werd slechts twee keer aangehouden. Eenmaal door moffen en verder door een clubje Nederlanders. Die heb ik gewoon afgebekt, zodat ze me wel moesten laten gaan.
Uiteindelijk kwam ik aan bij Herr Doktor Sluzker, en die meldde me zelfverzekerd: “Ik heb met professor Cohen gesproken en we zijn tot de conclusie gekomen dat u zich maar het beste in Westerbork kunt melden…” Mijn ouders zaten daar inmiddels ook. Het flitste door me heen: Dat wordt Polen! Dus zei ik dat dat niet zou gaan, “want ik ben een strafgeval”. “We kunnen u een oproep geven waarmee u zich in Westerbork meldt”, zei de man, “daar weten ze van het strafgeval niks af.” En ik: “Maar als ik dan in Westerbork zit, dan wordt vervolgens mijn bestemming Polen.” “Kom op, u hebt een Arisierungsversuch lopen…” zei Sluzker. Ik antwoordde dat dat was afgewezen. Waarop Sluzker weer zei dat ze dat dan toch eerst in Den Haag moesten navragen. Nou, stelde ik, dan gaat Japie toch een paar dagen láter en blijft-ie nog even ondergedoken. Het werd verder een heel gebakkelei, waarbij Sluzker wel liet merken het beste met me voor te hebben, maar sympathiek vond ik hem niet.
Ploseling viel ik uit: “Ik heb u niet om raad gevraagd!” Op dat moment besefte ik: wegwezen, anders laat-ie me oppakken. Er volgde andermaal een nachtelijke vlucht. Nadien heb ik zo'n drie maanden gezworven. Ik heb denk ik zo'n dertien adressen afgewerkt. Soms was het: nou we kunnen je eigenlijk niet hebben, maar kom dan vannacht maar hier. Ze hadden de volgende dag dan wel weer een ander adresje voor me.
Na alles afgesjouwd te zijn, werd ik tenslotte ’s avonds op straat opgepikt door wildvreemde mensen. Bij hen ben ik tot het eind van de oorlog in huis geweest.’
'ER IS ALTIJD gesteld dat de joden met meer opleiding, van betere komaf en met meer geld meer kans hadden om bij de Joodsche Raad te komen. En dat ís natuurlijk ook zo: die leden van de Joodsche Raad, voorzitter Asscher en ook Cohen, behoorden tot de elite. Dat waren veelal academici. Maar naarmate de deportaties verder gingen, is iedereen aan de beurt gekomen, het intellect net zo goed.
Het is wel zo geweest - en dat is natuurlijk schandelijk - dat Cohen gezegd heeft dat het streven van de Joodsche Raad erop gericht was om de “meest waardevollen te behouden”. Welke criteria hij daarvoor heeft aangelegd, weet ik niet.
De Joodsche Raad heeft geprobeerd zoveel mogelijk te rekken. Ze is daarbij naar mijn overtuiging veel en veel te ver gegaan, want het is natuurlijk ontaard in collaboratie. Dat is een woord dat ik natuurlijk niet graag gebruik, want het heeft een uitermate ongunstige klank. En collaboreren deden de mensen om er beter van te worden. Dat was bij Asscher en Cohen natuurlijk niet het geval. De intenties waren goed, maar wat ze gedaan hebben, pakte niet goed uit. Ik zeg dat met enige schroom, omdat ik er zelf mijn leven aan te danken heb.
Als u me vraagt hoe ik door de oorlog ben gekomen - door eigen handigheid, door mijn connecties met Cohen, door wilskracht of zelfs humor - dan zeg ik: je moet de wìl om erdoor te komen niet onderschatten. Er waren een heleboel mensen stukgelopen en die voelden het bijna als een opluchting als ze werden opgepakt: díe spanning was tenminste voorbij.
En in de tweede plaats was het natuurlijk stom geluk. Sommige mensen zullen het voorbestemming noemen.
Joodse humor, vroeg u? Ik heb in de oorlog nooit een mof meegemaakt die om mij moest lachen.’