Geen mooischrijverij

In 1812 maakte de Britse Romantische kunstenaar J.M.W. Turner Snow Storm, een schilderij waarop het leger van Hannibal, bont en blauw verslagen, de Alpen probeert over te steken. Hoog aan de hemel staat een kleine, schelle zon, die een ziekelijk licht werpt op de soldaten. In het midden, helemaal ver op de achtergrond, is een silhouet te zien van Hannibal zelf. Hij is bijna een bespottelijk stripfiguurtje, gezeten op een olifant die meer op een strontkever lijkt.

Het publiek in Londen, aan het begin van de negentiende eeuw, snapte de verwijzing meteen. Dat bespottelijke mannetje was niet alleen Hannibal, het was ook dat andere omhoog gevallen figuur, dat op dat moment door de Alpen marcheerde, Napoleon Bonaparte.

Gisteravond, op de presentatie van De revanche van de roman – de studie over de stand van zaken van de Nederlandse letteren, door hoogleraar Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens – debatteerden romancières Marjolijn Februari en Charlotte Mutsaers en recensenten Arjen Fortuin (NRC Handelsblad) en Arjan Peters (de Volkskrant) met Vaessens. Vaessens – eerder in een interview met De Groene – zegt dat na jaren van postmoderne ironische spelletjes romanschrijvers nu weer engagement zoeken met morele vraagstukken over de maatschappij, over de wereld. En in deze tijden, van crisis en terrorisme is dat gewenst, zegt Vaessens; mooischrijverij zegt hem niets, geen l’art pour l’art in de letteren. Geen toeval dat de shortlist van de Libris Literatuurprijs, waar Vaessens in de jury zit, vooral bestaat uit romans die over de actualiteit gaan.
Maar is dat ooit anders geweest? vroegen alle vier zijn gesprekpartners zich af. Als romans over mensen gaan, dan gaan ze toch altijd over moraal en engagement? En zelfs als romans zich niet in de wereld van vandaag afspelen, kunnen ze dan ook niet geëngageerd zijn?
Zie J.M.W. Turner.