Geen naam voor wat niet valt te begrijpen

Jacq Vogelaar, Weg van de pijn. Uitgeverij De Bezige Bij, 268 blz., f39,50
WEG VAN DE PIJN, de nieuwe roman van Jacq Vogelaar, is een vervolg op De dood als meisje van acht, in 1991 verschenen en door de kritiek toentertijd hooglijk gewaardeerd. In dat wonderlijk sprookjesachtige boek keerde Nora, vierenveertig jaar oud, terug naar het grensdorp Moorgat, waar zij haar kinderjaren had doorgebracht. Zij was daar met haar moeder en haar twee jaar oudere broer Ben aan het eind van de oorlog terechtgekomen nadat zij halsoverkop huis en have hadden moeten verlaten. De gevluchte familie groeide op in het opvanggezin van de koster van het dorp, waar zij voor de gastvrijheid een dure prijs van vernederingen en schaamte moest betalen.

De terugkeer van Nora naar het dorp van haar kindertijd luidde niet het verhaal in van een zoektocht naar de verloren tijd - zo paradijselijk was die niet geweest. Wat haar ingegeven had naar Moorgat terug te keren, was haar niet helemaal duidelijk, maar toen zij de omgeving verkende en weer in de oude vertrouwde boom klom waarin zij zich als kind indertijd zo vaak had schuilgehouden, leek het alsof zij plotseling in een koortsdroom was terechtgekomen. ‘Een verraderlijke draaiing van de geest’ ontregelde haar gemoed en ze kwam terecht in de troebele wereld van het meisje van acht, ontzet over het geweld dat in haar was en dat haar van buitenaf bedreigde.
Daar, in de vertrouwde schuilboom, hallucineerde de volwassen vrouw een woordenloze versie van haar verleden. De sprakeloosheid van het kind drong zich met geweld aan haar op in een onstuitbare stroom van beelden, waarin de angsten en verlangens, de krenkingen en blessures vluchtige gestalten aannamen. Zo werd een vreemde wereld van paniek voelbaar gemaakt, waarin het meisje en de volwassen vrouw in Nora door een omkering in de tijd elkaar verbijsterd in de ogen zien. Het was alsof het proces van ontpopping zich herhaalde, maar nu met woorden erbij: het moment waarop het troosteloze meisje het lijk van de pop waar het al die tijd in opgesloten was geweest achter zich liet.
In de hallucinatie van de volwassen vrouw dringen zich beelden op, herinneringsbeelden uit de eerste tien jaar na de oorlog, onmiskenbaar de signatuur van die tijd dragend, fantasiebeelden, wensbeelden, angstbeelden die in elkaar waren overgevloeid. Misschien uit schaamte (omdat haar moeder zich in het kostersgezin als de eerste de beste keukenmeid liet behandelen), misschien uit de angst afgewezen te worden door de moeder, fantaseerde het meisje van acht zichzelf een beschermengel, een wolk van een vrouw, Mona, onder wier hoede zij zich kon uitleven: bij haar konden angst en schaamte, woede en razernij ongeremd hun gang gaan.
MISSCHIEN BESTOND Mona niet enkel in haar fantasie en was zij daadwerkelijk met haar begeleider, de onderduvel Jean, eens het dorp binnen komen denderen in 'een loei van een vrachtknots’. In ieder geval treedt deze onderduvel weer op in de nieuwe roman, waarin het spotlicht niet meer is gericht op Nora, maar op haar twee jaar oudere broer Ben. Ook krijgen we hier iets meer te horen over de voorgeschiedenis van het span dat elkaar in een circus heeft ontmoet. Mona werkte er aan de trapeze. Zoals Jean haar in de nok van de tent zag, balancerend op de draad waarvan elke millimeter er een op leven of dood was, zo is ook haar intrede op het scherpst van de snede het embleem van de nieuwe roman in zijn geheel. 'Het was zien op het randje van de pijngrens, waar horen, zien en voelen in een zilveren punt samenkomen, en hij heeft gezien hoe ze van de punt een lijn maakte, het lichtpunt verlengde, boven een volslagen duisternis balancerend, en dat alleen voor hem.’ De roman vertelt het verhaal van de expeditie naar deze gebieden van sprakeloosheid.
Niet alleen Mona, ook Jean krijgt hier een nieuwe voorgeschiedenis, die veel overeenkomsten vertoont met die van de jongen die aan hem is toevertrouwd, of misschien beter gezegd aan hem is opgedrongen. En in het personage van Jean schemert natuurlijk ook de idioot door die in de vroegere boeken van Vogelaar de dubbelzinnige rol vervulde van de geslepen onschuld en daarom nogal eens gezegend was met de toepasselijke naam Janus.
ANDERMAAL BEVINDEN we ons in het grensdorp Moorgat, opnieuw wordt het verhaal van een breuk verteld, uit de diepten waarvan vreemde beelden opwellen. Ben was vier toen hij met zijn moeder en zijn zus Nora in het gezin van de koster werd opgevangen en waar hij van toen af niet langer Ben maar Theo werd genoemd. Zes jaar later, toen hij tien was, gebeurde er iets - had hij staan slapen, had hij even niet opgelet? - dat hem met duizend vragen vervulde omdat hij het niet kon begrijpen: woorden werden in de labyrintische diepte van zijn gehoor gezaaid, die hem een langdurige en ongemakkelijke reis lang zouden pijnigen omdat hij er de betekenis maar niet van begreep: 'Ben moet weg’, en op een ander tijdstip: 'Theo moet weg’.
'Je gaat naar je vader.’ Zijn moeder had het hem met een blij gezicht verteld 'om hem er van te overtuigen dat het een blijde boodschap was. Het was voor iedereen beter - maar wie was iedereen? Wie was zijn vader? Waar ging hij heen? Wat was beter? En waarom voor iedereen en niet voor hem alleen.’ Wat Ben het diepst verontrustte was de omslag in de manier waarop men hem van het ene op het andere moment, van het tiende op het elfde jaar, bejegende. 'Zolang je nog geen tien was, maakte het niet uit of je, zoals men zei, nog tot geen tien kon tellen, met tien kreeg je nog enig respijt als je een beetje achter was, maar was je elf, dan was alles wat voorheen met een aai over je bol werd afgedaan, “het jong weet niet beter”, opeens erger dan erg, ergerlijk: lastig werd onverdraaglijk, “je staat in de weg” werd onhoudbaar, “uit de weg, idioot!” Elke elf moest op een elf lijken, ook als elf wat trager, wankeler, onberekenbaarder en onwilliger uitviel dan van een tienplusser verwacht mocht worden, juist dan.’
Zo werd Ben dan door zijn moeder weggestuurd, als een lastpost die haar hinderde. De vader moest het maar verder opknappen, en als die daar niet toe genegen was moest de onderduvel Jean maar een oplossing bedenken. Het stramien van de roman wordt bepaald door de reis die Jean samen met Ben maakt om een plaatsje voor hem te vinden. Het is een tocht van twee dwergen door een sprookjesachtig landschap waar niets idyllisch aan is.
MET HET SPROOKJE heeft de roman gemeen dat de tijd en de plaatsen waar de geschiedenis zich afspeelt, in het vage worden gehouden. Zoals in vrijwel alle romans die Vogelaar de afgelopen dertig jaar heeft gepubliceerd, speelt Weg van de pijn zich af in grensgebieden en wordt de pijngrens er dicht genaderd. De via dolorosa die Ben statie voor statie aflegt is de route waar hij van de pijn weg probeert te komen juist door er op af te gaan, door af te reizen naar de bronnen van de schaamte en de schande, waarvan hij de oorspong niet kent. Een verlossingsgeschiedenis biedt Vogelaars roman bepaald niet, het is eerder een inwijdingsverhaal, waar een kind ruw de wereld van de volwassenen in wordt gestuurd.
Dat verhaal is talloze malen verteld. Sommige onderzoekers menen dat alle verhalen en zelfs de sprookjes verkapte uitbeeldingen zijn van deze catastrofale verwijdering uit het paradijs van de kindertijd. Aan het slot van zijn roman citeert Vogelaar bij wijze van toegift Heinrich von Kleist, die in Das Marionettenspiel al opmerkte dat dat paradijs hermetisch is afgesloten. Het enige wat nog mogelijk is, is een reis om de wereld om te zien 'of het paradijs aan de achterkant een ingang heeft’.
Die omweg wordt in deze roman gemaakt. Van het paradijs is geen glimp te zien. Des te meer van de verminkingen en misvormingen die de intrede in de wereld van de volwassenen met zich meebrengt. We lezen de terugtocht van een vroegoud kind begeleid door een kinderlijke man, verstoten uit het leven zoals Klein Duimpje uit het sprookje, maar als hier al sprookjes worden verteld dan zijn het sprookjes op de wijze van Kafka: de indruk die Ben bij tijd en wijle maakt, de manier waarop hij met het instinct van een ziek dier wegkruipt in een zelfgemaakt hol in de grond van het bos waar hij door zijn begeleider is achtergelaten, bracht bij mij onvermijdelijk dat beroemde en vreemde verhaal van Kafka ('Het hol’) in herinnering.
Ben en zijn opgedrongen metgezel Jean zwerven langs velden en wegen, van de ene plaats naar de andere, op zoek naar het huis van de vader, dat allerminst een thuis blijkt te zijn. Iedereen wil zich van hem ontdoen, hij is een storingsfactor, een ongenode gast, die allengs zelf gaat doen wat anderen hem aandeden: wegkijken. Ben ontpopt zich in de roman als een marionet die danst naar het pijpen van de anderen, die zich ook als een ziek dier gaat gedragen wanneer een ander hem zo ziet.
Dat gebeurt letterlijk tegen het einde van de roman, wanneer Jacob aan het woord komt, die zijn plaats in het huis van zijn vader heeft ingenomen. De vader zag hem daar staan, weggedoken in het struikgewas, als een verloren schaap. 'Oh boy’, riep hij toen hij met zijn zoon werd geconfronteerd. En vanaf dat moment noemde Ben zich Boy, splitste hij zich in twee personen, een die er op uit werd gestuurd in de wereld, Boy, en de ander, Ben, die zou proberen zich schuil te houden.
De roman verhaalt van deze breuk, deze splitsing waarin een individu zich manifesteert en daardoor bevattelijk wordt voor de blikken van anderen. Boy wordt een karaktermasker dat zich op het internaat waar hij door de vader is opgeborgen, teweerstelt. Zijn gedragingen worden voor de leiding van dat internaat en voor zijn lotgenoten daar, het bespreekbare en benoembare deel van zijn persoon. Maar achter Boy houdt Ben zich schuil, een nog niet gevormd wezen, zich ophoudend in een droomachtige wereld waarin alles nog mogelijk is. In feite reist Ben terug naar de tijd voordat hij in Moorgat terechtkwam, naar de tijd waar hij niet Theo, zoals hij in het gezin van de koster zou worden genoemd, maar nog echt Ben heette, naar de tijd dus van zijn eerste levensjaren waaraan hij een schaarse en bedrieglijke herinnering bewaart.
DAT GEGEVEN maakt al duidelijk dat het in dit boek niet alleen gaat om het ophalen van kinderherinneringen, een reconstructie van de kindertijd: Ben reist naar de grens van zijn herinneringsvermogen, naar het glibberige moeras waar zijn leven als individu is ontstaan. Zo begint de roman ook met een scene waarin Ben letterlijk onderduikt in een door een groene film overdekt ven, waar hij even is afgesneden van de buitenwereld en een wordt met de bodemvegetatie: het was alsof hij daar zelf wortel schiet. De duik in het ven krijgt in het verloop van de roman allerlei bijbetekenissen: het wordt een suggestief beeld van het plantaardige bewind dat zijn eerste sporen van lichamelijk bewustzijn moet hebben beheerst, het beeld van de wortels van zijn innerlijk nog voor het zijn bewustzijn ging pijnigen met kwellende gedachten. Op verschillende plaatsen van de roman wordt ook iets voelbaar van die lichamelijke indrukken, meestal op die plaatsen waar geuren de vormen van geluiden aannemen of van kleuren. En bij het lezen van de merkwaardige escapades van Jean die Ben op sleeptouw heeft, had ik de sensatie van een vreemd licht dat in de wereld van de verhalen was ontstoken.
Maar het ontsteken liet zich bij het lezen ook in een andere betekenis gelden. Er waren momenten dat de woorden zelf pijn aan de ogen gingen doen, alsof ze last hadden van een ontstoken lichaamsdeel: er trekt een zeurende pijn door de zinnen. Zelfs in de komische passages waarin Jean Ben in de maag van de vader wil splitsen, zijn er zinnen die blijven steken in het oor van Ben. (Hij heeft in de roman last van een ontstoken oor.) De hele koehandel die daar wordt beschreven, werkte bij mij op de lachspieren, zoals het geleur met Ben trouwens het hele boek door voor groteske scenes zorgt. De kracht van de roman schuilt dan ook in dit vermogen verschillende sensaties op te wekken, waardoor het kompas naar alle kanten begint uit te slaan, niet meer in de richting van een boodschap wijzend.
Zowel door de compositie van de roman met al zijn lussen in het tijdsverloop, als in het ritme van de zinnen met hun versnellingen en vertragingen, neemt het verhaal de vorm aan van een reis door het innerlijk, die in spiraalvorm verloopt. Te beginnen bij de zinnen van zijn moeder - “Hij eruit of…” - worden verschillende tijdslagen doorlopen met op elk keerpunt andere zinnen en beelden die in hun onafheid een even onrustbarende als vreemde indruk op de jongen maken, alsof het grenswoorden zijn waarvan hij niet weet aan welke code ze beantwoorden.
WEG VAN DE PIJN borduurt voort op wat in De dood als meisje van acht op zo'n indrukwekkende manier werd uitgebeeld, maar dat in feite een thema is dat in heel het werk van Vogelaar domineert. Zijn romans beschrijven niet zozeer psychische toestanden - al wordt heel vaak de wanverhouding tussen uiterlijke levensvormen en innerlijke (onder)ontwikkelde belevinsgvormen aan de orde gesteld. Eerder gaat het om een omcirkeling van toestanden van sprakeloosheid, die zich uitbreiden daar waar grenzen worden overschreden, grenzen van het geweld, het bewustzijn, de zintuigen. In al die boeken wordt als het ware een val opengezet, of een val vertraagd, een terugval in zo'n toestand van sprakeloosheid waarbij de verteller - vaak als anonieme instantie - die val nabootst.
In Weg van de pijn vreet zo'n anonieme verteller zich als een mol door de woordenwereld van een jongen die in zijn halfbestaan van hot naar her wordt gesleurd, naar zijn sprakeloze wereld. Het is alsof hij als jongen opnieuw een pop in zichzelf ontdekt, een lege huls die het vroegere kind heeft achtergelaten op het moment dat het met zijn moeder en zijn zus het huis moest ontvluchten. Om in dat duistere gebied van zijn kindertijd te komen - maar het is vergrendeld, een oorlogszuchtige engel houdt er bij de poort de wacht - zou hij moeten weten wat zich in het kind van vier, vijf jaar afspeelde. Dat kind is hem vreemd, op zijn twaalfde al. Het enige wat hij zich van dat kind herinnert is zijn koppigheid, zijn weigerachtigheid om het huis van zijn vader te verlaten. Dat beeld dat hij van zichzelf heeft als kind van vijf - de jongen in de hal, niemand in de wereld die hem daar weg krijgt - doet zich voor als een raadsel. 'Het raadselachtige is voor de belangrijkste helft onzichtbaar: aan de ene kant, bij wijze van spreken zijn voorkant, weet hij zeker dat hij zich in dat huis bevindt en dat er maar dat voor nodig is om hem weer in zijn vroegere gedaante te laten terugglippen alsof dat kinderlichaam een veilig hol is; maar aan de andere kant was uitgerekend de enige persoon die hem daar kon toelaten, terug in zijn hok of rol, niet aanwezig, ongelooflijk, foetsie gevlogen, verhuisd of hoe het ook mocht heten.’
Dat zwijgende kind zal opnieuw geen naam hebben voor wat het nooit heeft begrepen.