Geen nieuwe amerikaanse verkoopshow in de golf

De teleurstelling was voelbaar in Washington toen Kofi Annan met een akkoord uit Bagdad terugkeerde. Ook al kwam dat akkoord neer op een Iraakse capitulatie, toch reageerden sommige Amerikaanse leiders alsof de secretaris-generaal hen bij de neus had genomen en Amerika op de valreep een militaire triomf had ontnomen. De Republikeinen verweten Bill Clinton bitsig dat hij de Amerikaanse buitenlandse politiek had ‘uitbesteed’ en de Amerikaanse VN-ambassadeur Richardson gaf te kennen dat Washington niet meer op het diplomatieke overleg zou wachten alvorens de wapens te laten spreken als Irak het nog eens zou wagen tegen te werken.

Waarom had Washington zo'n trek in een nieuw Golfoorlogje? Uit heimwee naar de vorige misschien? De operatie Desert Storm was een gouden zaak voor het Amerikaanse militair-industrieel complex. Niet alleen kostte de oorlog Amerika geen cent - het gelag werd volledig betaald door de bondgenoten - hij was bovendien een gigantische open air show die een onbetaalbare reclame betekende voor de Amerikaanse wapenindustrie.
Het aandeel van de Verenigde Staten in de globale wapenmarkt steeg na de Golfoorlog met reuzesprongen. In 1987 bedroeg het slechts 13 procent, vandaag is het tot 72 procent gestegen. Verwacht wordt dat Amerika in dit decennium voor meer dan 200 miljard dollar aan wapens zal uitvoeren. Markante details: drie van de vier klanten zijn dictatoriale regimes; en in 45 van de 50 grootste etnische en regionale conflicten van de laatste jaren leverden de Verenigde Staten wapens aan een van beide kampen.
De stijging van het Amerikaanse aandeel in de moordtuigmarkt kwam bijzonder gelegen voor de wapenindustrie, aangezien de vraag van het Pentagon na afloop van de Koude Oorlog onvermijdelijk een gevoelige daling kende. In het piekjaar 1985 kocht het Pentagon voor 97 miljard dollar aan wapens, vorig jaar ‘slechts’ voor 44 miljard. De werkgelegenheid in de wapenindustrie daalde van 4 miljoen naar 2,6 miljoen. Dat verklaart waarom de regering-Clinton 6500 mensen in dienst heeft die zich uitsluitend bezig houden met de promotie van de Amerikaanse wapenexport.
Toch gaat het te ver om zonder meer te stellen dat Washington alleen maar reikhalzend uitkeek naar een militaire actie in Irak om haar wapenuitvoer een nieuwe stimulans te geven.
Die stelling wordt bijvoorbeeld ontkend door John Tirman, wiens Spoils of War: The Human Cost of America’s Arms Trade onlangs door de Washington Post geprezen werd als een van de beste analysen die ooit over de wapenhandel werd geschreven. Tirman is van mening dat er grote verschillen zijn met de Golfoorlog van 1991, aangezien geen enkel ander land nu bereid is een militaire actie tegen Irak financieel te ondersteunen. Dit keer zou Amerika er helemaal zelf voor moeten opdraaien. Een vijfde van het Pentagon-budget - zo'n 50 miljard dollar per jaar - gaat nu al naar de Amerikaanse aanwezigheid in de Golfregio. Dat is veel meer dan een eventuele stijging van de wapenexport zou kunnen opleveren. De kosten van de wapens die in een bombardement op Irak verbruikt zouden worden, vertegenwoordigen in de analyse van Tirman slechts een peuleschil in vergelijking met de logistieke kosten van de operatie.
Bovendien heeft Amerika ook zo al een dominante positie in de globale wapenmarkt. Dat aandeel kan nauwelijks groeien, omdat Washington sommige wapensystemen - zoals ballistische raketten - niet wil verkopen en omdat de wapenmarkt oververzadigd is. De meeste wapenproducerende landen subsidi‰ren hun uitvoer en de Russen, Oost-Europeanen en Chinezen verkopen wapens tegen dumpprijzen, tot veertig procent onder de kostprijs van soortgelijke wapens in het Westen. Dat maakt het voor de Verenigde Staten moeilijk om te concurreren aan het low end van de markt, terwijl het high end - zeer geavanceerde wapens, vooral gevechtsvliegtuigen - al volledig door de Verenigde Staten wordt gedomineerd.
Nu is het denkbaar dat als het Amerikaanse marktaandeel niet hoger kan, de absolute cijfers door een aanval op Irak opgekrikt zouden kunnen worden. Maar ook hierover bestaat twijfel, aangezien de meest kapitaalkrachtige landen in de regio zich al tot de tanden hebben bewapend. Het Midden-Oosten was in de afgelopen 25 jaar veruit de grootste exportmarkt voor de Amerikaanse wapenindustrie. Nu is de regio oververzadigd. In de laatste jaren werd het Midden-Oosten zelfs voorbijgestreefd door Zuidoost-Azi‰, wat in niet geringe mate heeft bijgedragen aan de financi‰le crisis die daar nu heerst.
De lobby van de wapenindustrie lijkt minder invloed dan vroeger te hebben op de Irak-politiek. Volgens deskundigen op dit gebied richt zij zich nu op andere regio’s. Haar campagne om de wapenexport naar Turkije te verhogen bijvoorbeeld, was bijzonder doeltreffend. Turkije werd in de voorbije jaren haar belangrijkste buitenlandse klant. Een ander recent succes van de lobby is de opheffing van het verbod op de uitvoer van geavanceerde wapens naar Latijns Amerika.
Maar volgens Tirman is veruit de grootste inspanning van de wapenexportlobby gericht op de expansie van de Navo. Ze beschouwt Oost-Europa als het meestbelovende expansiegebied, vooral voor F16’s en andere gevechtsvliegtuigen, omdat de verplichting om hun strijdkrachten op Navo-niveau te brengen die landen zou dwingen tot hoge aankopen.
Washington heeft dus andere redenen om zo trigger happy te zijn wat Irak betreft. Daarbij speelt de ideologische erfenis van de Golfoorlog een rol, toen Saddam werd afgeschilderd als een tweede Hitler. Verder is er de invloed van de Israelische lobby. Maar de belangrijkste reden is toch waarschijnlijk de heersende mentaliteit in Washington, die vereist dat Amerika van tijd tot tijd haar militaire slagkracht gebruikt om de wereld eraan te herinneren wie de superpower is.