Geen nodeloos omfloerst taalgebruik

De tijd is rijp voor het schrappen van het begrip allochtoon in registratiesystemen van de overheid, adviseert de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (rmo) de demissionaire regering-Rutte. Zijn we dan eindelijk verlost van een stigmatiserende hokjesgeest? Of getuigt het van politiek wensdenken?

Medium commentaar 19 2012 allochtoon

De reactie van minister Leers toont in elk geval waarom registratie van de etnische afkomst voor de overheid, en voor wetenschappers, wel zin heeft. Het is bijvoorbeeld nodig om te weten hoe de jeugdwerkloosheid zich ontwikkelt of hoe het opleidingsniveau van de tweede generatie migranten verbetert. Leers doelt dus op een positieve toepassing van de statistische gegevens.

Maar, zegt de rmo nu, juist omdat de overheid de laatste jaren afscheid heeft genomen van etnisch-specifiek beleid (zoals het beëindigen van onderwijs in eigen taal en stimuleringsmaatregelen voor arbeidsdeelname van minderheden) zou in navolging daarvan ook het hele begrippenapparaat overboord kunnen. Sterker nog, zo stelt het adviesrapport Tussen afkomst en toekomst, de overheid gaat met de etnische categorisering niet neutraal om maar gebruikt die vooral voor veiligheidsbeleid. Waar het in feite op neerkomt is dat de rmo deze koerswijziging – van een decennialang gevoerd voorkeursbeleid om achterstanden aan te pakken naar een etnisch-specifiek veiligheidsbeleid – politiek ongewenst vindt en derhalve een verbod op het aanleveren van specifieke gegevens voor dit systeem bepleit.

Dat staat er niet expliciet. De onderzoekers stellen keurig dat ‘categorisering, ook etnische, een sociaal construct is dat niet een-op-een correspondeert met de maatschappelijke werkelijkheid; het is een middel om de werkelijkheid overzichtelijk te maken’ – en twijfelt indirect aan de motivatie van de huidige overheid om het oude registratiesysteem te willen handhaven.

Toch vergeet de rmo één ding: dagelijkse gesprekken laten zich niet door een bureaucratische wijziging sturen. Het is vooral een kwestie van semantiek. ‘Allochtoon’ staat de ene keer voor een slachtofferrol met bijbehorende overheidsbetutteling, dan weer voor nieuwe Nederlanders die voortvarend zonder subsidie en positieve discriminatie aan de weg timmeren. Op straat in bepaalde buurten staat het gelijk aan rot-Marokkanen, maar ook voor de succesvolle Turkse bakker op de hoek, de eerst afgestudeerde jurist die afkomstig is van analfabete gastarbeiders of een jonge arts met een hoofddoek. De connotatie hangt – helaas – af van de individuele autochtone bril maar ook van de wijze waarop een allochtoon zichzelf ziet in de samenleving. Niemand zal dus in de praktijk om het typisch Nederlandse vage en sleetse containerbegrip allochtoon heen kunnen, in 1971 geïntroduceerd door socioloog Hilda Verwey-Jonker in een rapport voor het toenmalige ministerie voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, en bedoeld als een eufemisme voor ‘vreemdeling’.

Zeker, kinderen van migranten die zijn geboren op onze drassige grond heten gewoon Nederlanders, ook al hebben ze vaak nog twee paspoorten. Maar een nieuw eufemisme – zoals mede-landers, oudkomers en nieuwkomers – is niet gewenst. Gehandicapten gaan niet opeens lopen als ze minder valide mensen worden genoemd. Het is nodeloos omfloerst taalgebruik. De werkelijkheid verandert er niet door, wel verdoezelt het achterstanden dan wel vooruitgang. En misschien zelfs ook de wortels waar de tweede en derde generatie terecht trots op zijn.

Dat de etnische gegevens uitsluitend ingezet worden voor veilig­heidsbeleid (het rmo-rapport maakt dat overigens niet hard) is wel een zeer kwalijke ontwikkeling. Het is stigmatiserend, vanuit de overheid bovendien. Het antwoord dáárop ligt op het Binnenhof.