Bang voor de smeris

Geen normen maar daden

De politie moet weer ouderwets boeven gaan vangen, vindt minister Remkes van Binnenlandse Zaken. Niet lullen maar poetsen. De politiek eist veiligheid, de politie moet die leveren. Aantóónbaar leveren, want veiligheid, meent de politiek, is meetbaar. De te behalen resultaten worden vastgelegd in prestatiecontracten. Zo kweekt Nederland «productiepolitie»

Plaatsvervangend korpschef Wim Kleinhuis (Flevoland): «Wat ik niet prettig vind is de flinkheid die doorklinkt in het huidige beleid. Die toon van: de politie doet het niet goed, we zullen ze eens hard aanpakken.»

Korpschef Piet Deelman (Twente): «We gaan steviger optreden, weer gezág neerzetten. Maar ik heb behoorlijke twijfels of het aan de hand van prestatiecontracten lukt om de veiligheid te verhogen.»

Niet lullen maar poetsen. Dat is de boodschap van minister Johan Remkes van Binnenlandse Zaken aan de Nederlandse politietop. Geen halfzacht geneuzel meer over «sociaal-psychologische aspecten van verdacht zijn», geen gehannes meer met buurtpreventie, maar gewoon ouderwets boeven vangen. Remkes is eindverantwoordelijk voor wat de dienders presteren. En hij financiert de politiekorpsen. De politiek eist veiligheid, de politie moet die leveren. Aantóónbaar leveren, anders geen geld uit Den Haag. Veiligheid, meent de politiek, is meetbaar. Dus moet de politie boetes turven, en zaken die worden aangeleverd bij het openbaar ministerie. De aantallen moeten uiteraard stijgen. Alleen de korpsen die goede resultaten leveren, krijgen extra poen. De te behalen resultaten worden vastgelegd in prestatiecontracten.

Zo kweek je «productiepolitie», meent Wim Kleinhuis. Als modern politieleider heeft hij «vanzelfsprekend» een open oog voor de voordelen van prestatiecontracten. Vindt dat die «helderheid bevorderen» en «de focus op de missie» ten goede komen. En dat kan per slot van rekening motiverend werken. Maar, zegt hij, «we moeten oppassen dat we niet doorschieten». Kleinhuis draaide een tijdje mee in New York, de stad van de zero tolerance. Hij maakte er mee hoe burgers werden weggestuurd die aangifte wilden doen van zaken die niet bijdroegen aan de gewenste score. En hoe een collega aan het einde van de werkdag een bouwvakker op de bon slingerde die op het punt stond de metro te pakken en alvast een pilsje opentrok om de vrije avond te vieren. «Ik zei: ‹Laat die jongen toch, hij is op weg naar huis. Hij gaat echt geen rottigheid uithalen.›» Maar de collega haalde zijn schouders op. Hij had nog wat bonnen nodig om zijn quotum te halen. Kleinhuis: «In New York hebben ze het fenomeen productiepolitie zo’n beetje uitgevonden. Het lijkt me niet de bedoeling dat we dat ook in Nederland gaan krijgen. Als we ons alleen gaan richten op boeven vangen, dan krijg je hier op den duur Amerikaanse uitwassen. Rodney King-affaires, dat is het gevaar wanneer je de verbinding met de samenleving verliest.»

Het komt allemaal door ons allemaal, de kiezers. Zegt het kabinet. Een jaar geleden publiceerde het kabinet de nota Naar een veiliger samenleving, waarin het zijn veiligheidsbeleid vastlegde: «Nederland moet veiliger. De door veel mensen ervaren onveiligheid is ontoelaatbaar. De ergernis over berovingen, geweld, vernielingen en overlast is vaak zeer groot, evenals het materiële en immateriële leed. Dit was de duidelijke boodschap die tijdens de verkiezingen centraal heeft gestaan.» Vertaald in cijfers: in 2006 moet de criminaliteit met twintig tot 25 procent gedaald zijn. Volgens het kabinet wordt dat onder meer bereikt door over het jaar 2006 veertigduizend meer zaken aan te leveren bij het openbaar ministerie, en minimaal 180.000 extra boetes te innen uit staandehoudingen (dus niet administratieve bekeuringen middels flitspalen en radarcontroles). De zichtbaarheid van de politie en de publiekswaardering moeten omhoog, het ziekteverzuim naar beneden, registers met gegevens over «veelplegers» aangelegd. Korpsen die niet aan de eisen voldoen, kunnen tot vijf procent op hun budget worden gekort.

Elke politieregio kreeg zijn eigen prestatiecontract. «Convenant» zeggen betrokkenen liever. Dat klinkt wat vriendelijker. Maar de korpsbeheerders (de burgemeesters van de grootste gemeente in een politieregio) kwamen in opstand. Zij weigerden hun handtekeningen te zetten als niet het reeds veelgeplaagde departement van Justitie garandeerde dat het de extra politieresultaten naar behoren zou kunnen verwerken. Justitieminister Donner zei ja en amen, en zette bovendien zijn handtekening onder elk regionaal convenant. De korpsbeheerders zwichtten. Maar nog lang niet alle regio’s hebben een convenant afgesloten. Wegens «agendaproblemen» heet het officieel. Maar het vermoeden rijst dat sommige korpsbeheerders stevig aan het onderhandelen zijn.

Wat vinden de hoofdcommissarissen — de korpschefs — eigenlijk van deze ontwikkeling naar een repressiever politieapparaat? En wat zal de man in de straat ervan merken? Wordt het veiliger of wordt het rechtvaardigheids gevoel getart?

Het is stil rond de prestatiecontracten. Dat was begin 1995 wel anders. Toen ontstond flinke commotie omdat bekend werd dat politiekorpsen afspraken hadden gemaakt met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over specifieke aantallen «te verwijderen vreemdelingen». Vreemdelingenbeleid was in de tweede helft van de jaren negentig net zo’n heet hangijzer als nu het veiligheidsvraagstuk. En ook toen greep men naar het prestatiecontract. In verdragen — wederom eufemistisch convenanten genoemd — werden «prognoses» en «streefcijfers» vastgelegd over het aantal illegalen dat zou moeten worden gearresteerd en uitgezet. Politiekorps Haaglanden zou 1500 vreemdelingen moeten verwijderen, Gelderland Noord-Oost nam er 1048 voor zijn rekening, Flevoland 2525 en van nog zes korpsen waren specifieke aantallen vastgelegd. De verontwaardiging, binnen en buiten de politiek, was groot. Er zou sprake zijn van een jacht op illegalen die door de politiek beloond werd met extra geld voor de korpsen. Een korps dat de streefcijfers niet haalde en daarvoor geen plausibele verklaring had, moest de extra agenten voor «intensivering van het vreemdelingen toezicht» inleveren.

De prestatiecontracten van de politiekorpsen met de IND werden in brede kring beschouwd als een inbreuk op de rechtvaardigheid: «Je geeft toch ook niet aan rechters de opdracht om jaarlijks een x aantal mensen te veroordelen?» stelde het Landelijk Bureau Racismebestrijding. Een deel van de Tweede Kamer toonde ernstige bezwaren. Ook in de huidige prestatiecontracten staan gedetailleerde cijfers met betrekking tot aanhoudingen en ander repressief beleid. Stevig politieoptreden doet het tegenwoordig goed. Remkes en Donner ondervinden in het parlement weinig tegenstand. Veiligheidsbeleid is heilig.

Ook buiten de Kamer blijft het stil. Daar bracht zelfs een onrustbarend rapport van het Centraal Planbureau (eind mei 2003) geen verandering in. Het CPB concludeerde dat het afrekenen op prestaties de kwaliteit van het politiewerk teniet zal doen, en dat het korten van slecht presterende korpsen de burger treft. «Het aantal boetes is eenvoudig te verhogen door alleen de makkelijkste overtredingen te bekeuren», schrijft het CPB, en: «Het openbaar ministerie kan wellicht meer strafzaken met onvoldoende bewijs tegemoet zien omdat de politie slechts op een aantal zaken afgerekend wordt.» Ook van misdaadpreventie en flexibiliteit zal volgens het CPB weinig overblijven.

Politiesocioloog Jaap Timmer, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam: «Dat het opsporingspercentage omhoog moet, snap ik. Dat is in vergelijking met bijvoorbeeld Duitsland vrij laag. En hoofdcommissarissen zijn in dienst van de samenleving, dus moeten ze duidelijk maken hoe ze gemeenschapsgeld gebruiken. Maar het gaat mis als je details wilt vastleggen. En dat is wat gebeurt, met het aantal boetes en zaken die aan het OM moeten worden aangeleverd. De bedoeling, het verhogen van de veiligheid, is prachtig. Maar zoals bij elk beleid zullen ook hier allerlei onbedoelde gevolgen optreden.»

De prestatiecontracten kennen nogal wat neveneffecten, al dan niet voorzien. Allereerst is daar de versobering van het politiewerk. De veiligheidsnota van het huidige kabinet voorziet in een fundamentele omslag van het politiewerk. De politie voert haar wettelijke verplichting tot hulpverlening «te ruim uit», stelt het kabinet. De nadruk moet komen te liggen op correctie van de burger, harde handhaving op straat en opsporing van misdrijven. Maar korpschefs zijn bang dat dat ten koste van het preventieve politiewerk gaat. De Amsterdamse hoofdcommissaris Jelle Kuiper zegt te vrezen voor de teloorgang van het maatschappelijke gezicht van de politie. Nederlanders zijn niet gewend aan een harde, onbenaderbare politie, waarschuwt hij. En daar gaat het volgens hem naar toe.

«Er was veel weerstand tegen het sluiten van prestatiecontracten», zegt korpschef Piet Deelman van de regio Twente. «Ook bij ons. We vroegen ons af of een repressief beleid zou worden opgelegd. Ik vreesde dat onze pro-actieve aanpak verloren zou gaan. Gelukkig heeft Twente dat beleid in het prestatiecontract kunnen laten vastleggen.» Deelman zegt «veel meer heil te zien in een intensivering van de integrale aanpak onder regie van het lokale bestuur. Dus samen met relevante partners.» Vrij vertaald: de korpschef ziet het bepaald niet zitten met het prestatiecontract.

Plaatsvervangend korpschef Wim Kleinhuis van het korps Flevoland: «Van over de hele wereld komt men kijken naar de Nederlandse methode. Het is vooral onze goede aansluiting bij de bevolking die bewondering wekt. Maar als we gaan werken met afrekenen op prestaties wordt dat een stuk minder. Hoe meet je de prestaties van een wijkagent? Moet je dan gaan turven hoeveel wijkraden hij bezoekt? We worden afgerekend op de hoeveelheid boeven die we vangen, niet op de preventie van misdrijven.» In Flevoland heeft dat een direct gevolg. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen is er uiterst succesvol. De politie geeft adviezen over hoe de woning inbraakproof kan worden gemaakt. Het gevolg is dat het aantal geslaagde inbraken sterk afneemt, waardoor er minder misdrijven kunnen worden opgelost die meetellen in de prestatiecijfers. «Het Politiekeurmerk leidt tot een grotere veiligheid. Maar we denken erover ermee te stoppen.»

Een ander onbedoeld gevolg van de prestatiecontracten is de voedingsbodem die ze bieden voor toekomstige conflicten. Het is namelijk bijna onmogelijk eenduidig de prestaties te meten. Op de School voor Politieleiderschap (SPL), waar het politiekader getraind wordt, maakt men zich zorgen over de «pervertering van het meten», en écht wakker ligt men er van het negeren van de risico’s daarvan door de politiek. Dat korpsen geneigd kunnen raken een onverantwoorde scoringsdrift aan de dag te leggen is al ernstig genoeg. Als de meetcriteria onhelder blijven, leidt dat bovendien tot bestuurlijke ellende. Jelle Kuiper betwistte eind vorig jaar de volgens hem te laag gestelde Haagse opsporingscijfers van zijn korps en kwam met zijn eigen (gunstiger) getallen. Prompt werden kamervragen gesteld. Remkes verklaarde «in algemene zin voorstander» te zijn «van terughoudendheid van hoofdcommissarissen bij het doen van publieke uitlatingen», maar berispte Kuiper niet.

Ook het korps Flevoland ligt met Den Haag overhoop. Vorig jaar waren er reeds prestatieafspraken gemaakt, al waren die niet contractueel vastgelegd. Het korps vindt dat het aan de eisen heeft voldaan, maar Den Haag is het niet eens met de manier waarop de prestaties zijn gemeten. Het resultaat: de prestatiebeloning voor vorig jaar is nog altijd niet overgemaakt, en het korps heeft het geld hard nodig. Wim Kleinhuis: «Er zijn verscheidene korpsen die op geld wachten, niet alleen Flevoland.»

De vraag is waarom de huidige korpschefs niet vroegtijdig geprotesteerd hebben. Het knechten van de politie zat er immers al een tijdje aan te komen. In 1997 reeds legden de toenmalige ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken, Winnie Sorgdrager en Hans Dijkstal, de schuld voor het dalende ophelderingspercentage bij de politie. Het moest hoe dan ook omhoog. De Raad van Hoofdcommissarissen beaamde dat schuldbewust.

Waar zijn de politiebazen van weleer die de politiek van repliek dienden en desnoods de poot stijf hielden, niet zelden gesteund door hun korpsbeheerders? Mannen als Nordholt, Wiarda, Straver en Brand, die de politiek, de natie en elkaar publiekelijk geselden. Begin jaren negentig doken zij — de korpschefs der grote steden — regelmatig op in de landelijke media, doorgaans strak in uniform. Vooral Erik Nordholt van Amsterdam-Amstelland wist de camera’s te vinden. Hij waarschuwde onder meer voor rassenrellen rond het Amsterdamse Mercatorplein (1991), hij hekelde het falende minderhedenbeleid (1992), het naar Nederland sturen van criminele jongeren door de Antilliaanse overheid (1993) en het tekort aan agenten (1994). Maar de generatie Nordholt is grotendeels met pensioen of anderszins uit functie. Eind juni vertrok Jan Wiarda, als laatste van de grote vier, met achterlating van een flinke bom: als allochtonen zo graag hun eigen normen aanhingen, zou daar misschien eens een strengere strafmaat dan de Nederlandse op losgelaten moeten worden. Een afscheid geheel in de stijl van zijn generatie.

De huidige korpschefs hielden zich tot nog toe gedeisd. Zij leerden van de IRT-affaire, waarbij de korpschefs vechtend over straat rolden, en zagen hoe de politiek ingreep toen de politiebazen van de grote steden gezamenlijk de Machiavelli-prijs voor overheidscommunicatie kregen. Dat was een brug te ver, en stukje bij beetje werden zij aan banden gelegd. Volgens de vorige week verschenen studie Blauwe bazen: Het leiderschap van korpschefs (uitgeverij Kerckebosch) is de nieuwe generatie hoofdcommissarissen zeer gezagsgetrouw, en hanteert een low profile in de contacten met de media. Als er al onvrede was met het Haagse beleid, dan werd die zelden of nooit publiekelijk geuit.

Met de introductie van de prestatiecontracten lijkt daar voorzichtig verandering in te komen: een derde neveneffect, onbedoeld, van het huidige veiligheidsbeleid. De korpschefs beginnen zich weer te roeren. Al heeft hun gemor nog niet het volume van dat van hun illustere voorgangers, echt rustig is het niet meer in de politietop. Minze Beuving, chef van het Korps Landelijke Politiediensten en voorzitter van de Raad van Hoofdcommissarissen laat in interviews duidelijk merken dat hij de kritiek op de politie meer dan zat is. De Groningse korpschef Bernard Welten hield kort na de ondertekening van het prestatiecontract van zijn korps een stevige speech waarin hij repte van een opkomende «staatspolitie». Hij vreest dat de sterk toegenomen Haagse bemoeienis ertoe zal leiden dat ambtenaren op het ministerie gaan bepalen wat de politie in de provincies moet gaan doen. Een herbureaucratisering die het er volgens Welten niet veiliger op zal maken.

Oud-burgemeester van Amsterdam en voormalig minister van Binnenlandse Zaken Ed van Thijn — hij haalde Nordholt naar Amsterdam — vindt het belangrijk dat korpschefs ruimte nemen voor kritiek: «Het zijn signalen van het front, die moet je nooit veronachtzamen. Het is veel beter dat korpschefs aan het publieke debat deelnemen dan dat ze risicomijdend gedrag gaan vertonen.» Voor de prestatiecontracten heeft Van Thijn geen goed woord over: «Het is krankzinnig dat korpschefs hun preventieve beleid voor de poorten van de hel moeten wegslepen. Dit gaat contraproductief werken. Het leidt tot strategisch gedrag dat ten koste gaat van de basispolitiezorg. Voor surveilleren en een wijkgerichte aanpak krijg je geen punten. Zo wordt de kloof met de burger nóg groter.»

De opgelegde nadruk op repressie, het onheldere meten van prestaties en de steeds sterker wordende greep van Den Haag op de korpsen — het zijn potentiële conflicthaarden tussen hoofdcommissarissen en minister. Wellicht barst de bom al spoedig op een ander punt, dat eveneens rechtstreeks verband houdt met de prestatiecontracten. Wim Kleinhuis: «Minister Donner zegt dat hij er helemaal voor gaat, maar een huis van bewaring stamp je niet zomaar uit de grond. We merken nu al dat er te weinig capaciteit is bij justitie. Ik zet mijn mensen op het oppakken van veelplegers, en vervolgens worden die heengezonden door het openbaar ministerie omdat dat het niet aankan. Dat is verschrikkelijk frustrerend voor ons hele korps.»

Ook Piet Deelman twijfelt aan de toezeggingen van Donner. Eerdere beloftes werden niet nagekomen, dus waarom zou dat nu wél gebeuren? In de aanloop naar het kabinet-Balkenende I beloofden politieke partijen duizenden extra agenten. Het CDA beloofde tienduizend extra veiligheidsbanen, en verlaagde dat aantal in de formatiebesprekingen tot achtduizend. «Dat bleek retoriek, want dat aantal is bij lange na niet gehaald. Nu legt Balkenende II de nadruk op veiligheid. Dan zeggen wij: prima, sluit maar af die convenanten, maar geef ons wél de middelen. Ik maak me ernstige zorgen over de zware bezuinigingen waar het openbaar ministerie onder gebukt gaat. De extra cellen die nodig zijn, zijn er niet en bij de zittende magistratuur loopt het ook spaak. Als justitie niet kan verwerken wat wij aanleveren, dan moeten wij onze doelen helemaal niet willen halen. Anders wordt het een geweldige puinhoop.»

De uitdaging, willen de korpschefs maar zeggen, ligt niet alléén bij de politie. Ook KLPD-chef Minze Beuving wees daarop. En Joop van Riessen, de Amsterdamse commissaris die nergens naartoe kan met zijn gearresteerde draaideurcriminelen, deed afgelopen week openlijk een beroep op Den Haag: «Het kabinet wil meer veiligheid, zorg dan voor extra plaatsen in heropvoedingsinstituten. Die jongens moet geleerd worden om normaal te leven.»

Als elders in de keten de targets niet gehaald worden, loopt de boel vast en daar mag de politie nu eens niet op worden afgerekend, is het brede gevoelen in de politietop. «Dan moet er weer gepraat worden met de politiek», bast de Twentse korpschef. «En wel héél stevig.»