Geen opvang voor probleemkrassers

Heeft u al gekrast? Nee? Dan behoort u tot een snel slinkende minderheid van het Nederlandse volk. In een paar weken tijd zijn er in Nederland ruim dertig miljoen krasloten over de toonbank gegaan. De eerste druk is daarmee thans compleet uitverkocht en nieuwe krasloten zijn pas vanaf 21 juni weer beschikbaar. Met deze stormloop heeft de organisatie, de Stichting Nederlandse Instant Loterij, zelfs in haar meest optimistische buien geen rekening gehouden. Als het volk in dit tempo doorkrast, is Nederland al in september door het door de overheid vastgestelde quantum van 84 miljoen krasloten heen.

Op zich hoeft het succes van de krasloterij niet te verbazen. Al in de voorbereiding waren vriend en vijand het erover eens dat deze vorm van gokken een groot succes zou kunnen worden. Het geheim zit hem namelijk in het feit dat de tijdsspanne tussen aankoop van het lot en de uitslag van de gok minimaal is. De gokker ziet onmiddellijk resultaat en dat verhoogt, zo leert vrijwel elk sociaal- wetenschappelijk onderzoek op dit terrein, de spanning en de aantrekkingskracht. Daarom is krassen (in vaktermen: een short-odds-spel) fascinerender dan de trage staatsloterij of de wekelijkse toto. Maar, zo waarschuwde de verslavingszorg al in een vroegtijdig stadium, dezelfde korte tijdsspanne is er ook voor verantwoordelijk dat het verslavingsrisico van het krassen groter is dan bij andere, ‘tragere’ vormen van gokken.
Die waarschuwing herhaalden deze hulpverleningsinstellingen de afgelopen weken nog eens toen de ongekende omvang van de krasrage tot de media begon door te dringen. Voor de Volkskrant reden om in een heus hoofdredactioneel commentaar deze fatsoensrakkers, zedenmeesters en moraalridders omstandig de les te lezen. Die houding is rijkelijk overtrokken en getuigt bepaald niet van erg veel kennis van zaken. Waar de verslavingszorg niet zonder reden op wijst, is dat wanneer de overheid meewerkt aan de introductie van een bepaalde manier van riskant gokgedrag (en dat is bij de krasloterij het geval), dezelfde overheid dan toch op zijn minst ook kan worden aangesproken op de gevolgen ervan.
En juist op dat terrein is Den Haag aanzienlijk minder initiatiefrijk. Tot een paar jaar geleden was het de ambulante verslavingszorginstellingen in dit land verboden om gokverslaafden in behandeling te nemen en hoewel het verbod inmiddels mede als gevolg van de elk jaar groeiende toeloop is opgeheven, wordt er dit jaar nog eens een kleine twintig miljoen op het budget van deze instellingen gekort.
Het praktische probleem doet zich daarbij voor dat zelfs een paar duizend probleemkrassers nauwelijks kunnen worden geholpen, simpel omdat er geen geld voor beschikbaar is. Een zeer beperkt percentage van de opbrengst gaat weliswaar direct of indirect naar hulpverleningsdoelen, maar dit geld komt niet rechtstreeks ten goede aan de hulpverlening aan de probleemkrassers. Bij de laatste WVC-begrotingsbehandeling kondigde de toenmalige staatssecretaris Simons aan dat hij wilde nadenken over een soort gok-tax op de gokproduktie en gokconsumptie (analoog aan de eco-tax) om daarmee rechtstreeks de hulpverlening te bekostigen. Het succes van de krasloten en het ontstaan van weer een nieuwe groep probleemgokkers zou een mooie aanleiding zijn om dit idee snel serieus uit te werken.