Verkiezingen in Turkije

Geen oude auto’s meer

Het gaat goed met Turkije. Althans, in financiële zin. Ankara wordt een moderne, schone stad en economisch kan de islamitische AK Partij wel hervormen.

HIJ WORDT door een deel van de Turken beschouwd als het brein achter de economische voorspoed van Turkije. Of is hij, zoals velen beweren, het eeuwige talent dat door de echte politieke haaien zonder veel moeite naar de achtergrond is gedrukt? Twee weken voor de Turkse algemene verkiezingen: Ali Babacan, de minister van Economische Zaken over wie de meningen verdeeld zijn, komt binnenlopen, schudt alle aanwezigen de hand, glimlacht zoals
altijd jongensachtig en verlegen en begint even later zoals een trotse vader over zijn kind vertelt over de Turkse economie te praten: ‘In 2002, toen de AK Partij aan de macht kwam, ging er 230 miljard dollar om in de Turkse economie. In negen jaar heeft onze economie een omvang van 750 miljard dollar bereikt.’ De kleine ogen van de man uit Ankara glunderen.
Ali Babacan, die voor zijn studie door zijn vader, die een winkel runde in Ankara, naar Engeland is gestuurd, heeft in den vreemde niet alleen gestudeerd, maar heeft als het ware een Engelse identiteit aangenomen. De man is de rust zelve. Hem zie je nooit met een politieke tegenstander in discussie gaan. Hij is mild en gedegen. Wanneer hij zegt dat zijn partij als doel heeft de Turkse democratie op te tillen naar Europese maatstaven is er geen Turk die deze woorden van Babacan in twijfel trekt. Wanneer hij praat, de vragen van de journalisten noteert en een klein slokje van zijn cola neemt weet je dat hij van Turkije niet alleen een ontwikkelde democratie wil maken, maar ook een soort Engeland.
Maar Ali Babacan is niet de enige AK Partij-bestuurder. Want terwijl deze altijd kalme, degelijke Babacan de economie op de rails hield, deden zijn partijgenoten in de afgelopen negen jaren niet anders dan vechten. Onder leiding van premier Tayyip Erdogan leverde de regeringspartij slag met bijna iedereen behalve de eigen achterban. Niet alleen in het parlement werd er geknokt, maar ook erbuiten. Het leger wilde korte metten maken met Erdogan en zijn mannen; de rechterlijke macht was ze liever kwijt dan rijk; voor de onderwijzers, die hun hele leven lang dag in, dag uit Atatürk hebben opgehemeld, was de AK Partij-regering een nachtmerrie; de vrouwen met korte rokken en geblondeerde haren die nooit hadden gedemonstreerd begonnen tijdens demonstraties uit frustratie stenen te gooien door deze 'moslimfanaten’. Negen jaar lang is Turkije een veldslag geweest waar het stof van de laatste schermutselingen nog in de lucht hangt. Erdogan die bij elke nieuwe verkiezing meer stemmen heeft gekregen, kon door de toenemende steun van het volk terugslaan. Het resultaat is dat tien procent van alle Turkse generaals tegenwoordig vanwege het beramen van staatsgrepen achter de tralies zit.
Op 12 juni gaan de Turken naar de stembus, Erdogan is weer de favoriet die als overwinnaar op het Anatolische slagveld zijn spierballen laat zien. Zijn minister van Economische Zaken, de man die het met zijn niet populistische, realistische beleid heeft mogelijk gemaakt dat Turkije geld over had voor een betere gezondheidszorg, voor betere wegen, nieuwe vliegvelden, voor vijfhonderdduizend nieuwe huizen voor krotbewoners en voor een stijging van honderd procent van het minimumloon, lijkt zich in het kleine paleis aan de Bosporus tegenover de aanwezige buitenlandse journalisten te verontschuldigen voor alles wat er is voorgevallen in zijn land. Hij zegt zacht, bijna onhoorbaar: 'Mijn Engelse professor zei altijd: “If there is no dispute in a relationship, then there is repression.”’
Zoals de stichters van de republiek hun Ottomaanse voorgangers decennialang hebben zwartgemaakt, zo praten de AK-leiders over voor en na 2002. Ali Babacan zegt over de periode voor de verkiezingen in 2002: 'De toenmalige bestuurders van ons land lieten niet eens onderzoeken hoe het stond met de armoede in Turkije. Blijkbaar waren ze te bevreesd voor de uitkomsten van zo'n onderzoek.’

IN DE STAD waar Ali Babacan opgroeide en waar hij nu nog steeds de geldzaken voor het hele land regelt, is het een paar dagen na de vergadering met de minister net zo zonnig als aan de Bosporus. Rond deze tijd van het jaar zou je verwachten dat Ankara in de ban is van de rondvliegende, enorme pollen die de populieren aanmaken. Maar de stadsleiding heeft de duizenden populieren die door de migranten uit het oosten waren geplant vervangen door platanen, die beter bij een stad passen. Ankara mag geen boerse indruk meer maken.
Ik loop van de handelsbuurt, waar ooit de kleine winkel van de vader van Ali Babacan stond, naar het hart van de stad, om onderweg te constateren dat niet alleen de populieren weg zijn, maar ook de autogarages. De gemeente heeft de garages naar verre plekken laten verkassen. De automonteur Selcuk, die zo uitblonk in het laten herleven van oude, dode auto’s, is naar een mij onbekende plek verhuisd met zijn gereedschap en moet het tegenwoordig zwaar hebben. De Turken rijden namelijk geen oude auto’s meer. Ook in het centrum van Ankara staan ze met al hun nieuwigheid in de file.
De winkel die door de familie Anar in het hartje van de stad werd gerund heette Anarmusic. Vanuit de verte zie ik dat het bord van de winkel anders is dan dat van tien jaar geleden. Grotere, kleurrijke letters hebben die allereerste letters op de schroothoop doen belanden. Maar gelukkig, de deur is nog steeds dezelfde: lelijk rood en van dik aluminium. 'Waar is iedereen?’ vraag ik aan Kamil nadat we elkaar hebben omhelsd. Hij antwoordt zonder zijn vrolijkheid te verliezen: 'Iedereen is weg. Mijn ouders wonen tegenwoordig in Bodrum, Ismail is naar Istanbul en Tuncer is getrouwd en woont tegenwoordig in Izmir. Ik ben de enige die over is gebleven in de winkel.’
Tien jaar geleden, toen Kamil en zijn ouders deze muziekwinkel hadden geopend, hadden ze een bel aan de deur gehangen die rinkelde wanneer deze open en dicht ging. Dan wist het winkelvolk dat er een klant was gekomen en ging een van hen naar beneden. Het leven van de vader van Kamil, van Kamil zelf, van Tuncer en Ismail speelde zich voornamelijk op de eerste verdieping af. Daar dronk de oude vader koffie, tekende met een potlood de portretten van iedereen die hij had leren kennen en gedroeg zich als een miskende Picasso, Kamil zat in de kleine studio de mastering te doen van alle muziek die daar werd opgenomen, de jongere Tuncer en Ismail componeerden de hele dag liedjes om ooit met een ervan door te breken.
Nu is de bel aan de deur weggehaald, omdat Kamil in z'n eentje de hele tijd beneden zit. De studio op de eerste verdieping is afgebroken. De flink aangekomen en kaal geworden Kamil zet koffie en zegt: 'Niemand maakt meer albums in Turkije. De platenmaatschappijen zijn allemaal geschiedenis geworden. Het had geen zin meer om de studio te houden hier. Maar ook al wordt er bijna geen nieuwe muziek meer gemaakt, deze winkel is blijven draaien. Het voelt alsof ik aan iedere bewoner van Ankara een gitaar heb verkocht. En nog steeds blijven ze komen om gitaren te kopen voor hun kinderen.’
Of hij zich de dag herinnert waarop de AK Partij de verkiezingen won in 2002? 'Ik had mijn vader gesmeekt om met al zijn spaargeld deze winkel te openen. Vlak erna kwam Tayyip Erdogan aan de macht. Na de verkiezingsuitslag zaten we hier met z'n allen te rouwen. We wisten zeker dat het land naar de knoppen ging, dat het afgelopen was met de democratie en dat we weer van de ene economische crisis in de andere zouden belanden. Onze enige troost in die dagen was een klant van ons die kolonel was en ons regelmatig kwam vertellen dat het Turkse leger snel zou ingrijpen.’
Ankara had in die jaren kapotte, modderige wegen waarover vele militairen hadden gemarcheerd om alle gekozen politici duidelijk te maken wie de baas was in het land. Als de militairen hun onvrede wilden uiten, lieten ze op het grijze asfalt van Ankara tanks rijden. Kamil heeft die tanks nooit zien rijden omdat het regel was dat ze met de ochtendstond de straten van de hoofdstad lieten trillen. Kamil lag in die uren te slapen, want Kamil houdt van uitslapen.
Het is negen uur in de avond. Normaal gesproken is de winkel tot tien uur open, maar vandaag maakt Kamil een uitzondering en doet de aluminiumdeur op slot. We gaan naar het restaurant in het park met de zwanen. Het is een doordeweekse dag en toch wemelt het van de klanten. Hij bestelt geen eten en wil alleen een salade. Kamil is aan het lijnen, zegt hij.
'Die kolonel heeft nog best wel lang volgehouden met zijn praatjes’, vertelt Kamil. 'Drie of vier jaar geleden hebben we gehoord dat hij gearresteerd was. Volgens mij heeft hij een paar weken gezeten. Daarna heb ik hem een keer gezien. Hij deed niet meer aan grootspraak.’
De gitarenverkoper is donkerder dan de gemiddelde Turk. Hij is ook donkerder dan zijn broertje Ismail en ook donkerder dan zijn vader en moeder. Door het kettingroken zijn zijn tanden niet meer zo wit als voorheen. Buiten bij de zwanen steekt hij meteen een sigaret op en vertelt: 'Mijn ouders beginnen een pension in Bodrum en willen elke keer geld hebben voor de verbouwing. Ismail onderhoud ik met mijn winkeltje. Die idioot denkt nog steeds dat hij gaat doorbreken als popster. Hij wil maar niet begrijpen dat de muzieksector kapot is en dat er door het internet geen platenmaatschappijen meer zijn die willen investeren in nieuwe albums. Hij is nu inmiddels dertig jaar en wil nog steeds elke maand geld van me. Het is echt te gek voor woorden. Maar wat kan ik anders dan geld sturen, hij is tenslotte van mijn eigen bloed.’
Hoe kan een muziekwinkel in een kleine straat zoveel geld opleveren dat een kalende, kettingrokende en dikker wordende 36-jarige Kamil zoveel mensen kan onderhouden? 'Ik hoor heel veel mensen klagen, maar het gaat werkelijk goed met de economie’, zegt hij. 'Je kunt alles zeggen over die AK Partij, ik heb natuurlijk ook niet op ze gestemd, maar nog nooit is de economie in dit land zo goed geweest als in de afgelopen negen jaar. Ik verkoop de laatste jaren gitaren aan kinderen uit de achterstandswijken. Toen we de winkel openden, kwamen alleen de kinderen van ambtenaren en van militairen gitaren kopen. Dat verklaart alles.’

ANKARA was negen jaar geleden in de nachten een donkere stad die als het ware de missie had om alle aanwezigen aan het verleden te herinneren. De ministers en de minister-president zijn in 1961 in deze stad gearresteerd door de militairen om een paar maanden later begeleid te worden naar de galg. De drie jonge revolutionairen zijn hier in een donkere hal van een gevangenis opgehangen. Dat was in 1971 en ook toen hadden de militairen de macht overgenomen. Hier heeft Atatürk eind jaren dertig de opdracht gegeven voor de vernietiging van de rebellerende Koerden in Dersim. In deze hoofdstad werden de zeven linkse studenten door de Grijze Wolven een voor een met een touw gewurgd. Zoals een stad hoort te zijn waar zoveel tragedie is voorgevallen was Ankara een donkere mistroostige stad.
Ik vraag Kamil hoe het kan zijn dat de stad tegenwoordig zo mooi verlicht is, dat het opeens overal een en al bedrijvigheid is en dat zelfs om tien uur in de avond kinderen van de betere families bij de zwanen rondrennen. Wat is er gebeurd met deze stad? 'Ik heb het zelf niet zo door dat de stad is veranderd. Als je het mij vraagt zou ik zeggen dat het vroeger leuker was. We woonden allemaal in één huis, we zaten met z'n allen in dezelfde winkel, het was altijd druk en gezellig. Nu zit ik in m'n eentje hier’, zegt hij en steekt natuurlijk weer een sigaret op.
Kamil heeft een nieuwe auto gekocht, eentje waar wel zeven mensen in passen. Maar meestal rijdt hij in z'n eentje in de grote wagen. Vanavond vervoert de wagen twee mensen. Hij rijdt langs het parlement, langs het militaire centrum waar de nog niet gearresteerde generaals zitten en langs de straten waar ooit de winkel van de vader van minister Ali Babacan stond. We rijden naar het westen van de stad waar de afgelopen jaren een nieuwe stad uit de grond is verrezen. De honderdduizenden die beter zijn gaan verdienen hebben de oude stad de rug toegekeerd en wonen tegenwoordig in Cayyolu en omstreken. Hier zijn duizenden villa’s en duizenden luxe appartementen. Hier, op de brede, nieuwe, nooit modderige wegen, in de grote parken, de enorme shopping malls en de grote huizen leiden de bewoners dankzij de toegenomen welvaart van de afgelopen jaren een ander leven dan de mensen die nog in het oude, bescheiden Ankara bivakkeren.
Kamil woont tegenwoordig ook in Cayyolu. Hij scheurt met zijn auto naar de tent waar ze gevulde mosselen verkopen. De mosselverkoper opent de mosselen die met rijst gevuld zijn, knijpt er wat druppels citroen op en geeft ze aan Kamil, die er net erg verstandig aan had gedaan om alleen salade te eten maar eigenlijk niets kan doen aan het gegeven dat hij een kleine man met een goede eetlust is. De mosselverkoper telt de mosselen die Kamil in een paar minuten heeft verorberd: '32 stuks, grote broer.’
De 'gelukkige’ mensen van de nieuwe stad doen de lichten in hun huizen uit. In het holst van de nacht rijst de vraag waarom zelfs in de stad van Atatürk, de leider die het islamisme wilde uitroeien, de mensen massaal op de AK Partij stemmen. Gaat het echt allemaal om geld? Kamil snurkt op de bank in zijn nieuwe, grote huis. Aan de muur hangt een grote foto met Kamil, zijn oude vader, de knappe Ismail en Tuncer erop. Behalve de oude man lachen ze allemaal in de winkel die niet zo lang geleden is geopend. Is het succes van de winkel de oorzaak van de eenzaamheid of heeft het vakmanschap van de minister deze Kamil moederziel alleen achtergelaten in de hoofdstad, snurkend op de bank?