Geen partij

Theatergroep Nieuw-West maakte in samenwerking met het duo Kas & De Wolf een geweldige nieuwe voorstelling: De Jantjes.

Dat vind ik, maar ik mag het niet opschrijven. Nieuw-West heeft een ontzettend slecht beargumenteerd negatief advies gekregen van de Raad van Cultuur. Dat vind ik ook, maar ik mag het niet opschrijven. Tenminste, niet op deze plek. Eigenlijk mag ik hier helemaal niks opschrijven over het advies van de Raad, ook niet als het gaat om de advisering over andere theatergroepen.
Want ik ben partijdig. Als dramaturg ben ik in dienst bij Nieuw-West. Die betrokkenheid vertroebelt mijn blik, dus je kunt je afvragen wat mijn oordeel waard is. Sterker nog: ieder uitgesproken oordeel over De Jantjes of over het advies van de Raad staat in het teken van mijn financiele belangen. Ik kan roepen dat het niet zo is, maar dat heeft weinig effect. De belangenverstrengeling valt in dit geval te bewijzen. En een bewijs, daar kan geen mening tegenop.
Een paar jaar terug deed ik in dit weekblad, in een essay over de Nederlandse theaterkritiek, een oproep aan de critici tot openlijke partijdigheid. Het artikel was vooral een reactie op de krampachtigheid waarmee sommige critici de theaterwereld op een afstand proberen te houden. Critici hebben soms de neiging om zich voor te doen als leken. In een poging zich op te stellen als de argeloze, onwetende bezoeker, stellen zij in hun schrijfsels hardop vragen waarop ze zelf het antwoord zouden moeten vinden. Met die geforceerde afstandelijkheid voed je de illusie dat er zoiets bestaat als een objectief oordeel. Je kunt maar beter het omgekeerde doen: openlijk toegeven dat je iets hebt met (de mensen in) het theater. Dat schreef ik, en ik dook vervolgens enthousiast met menig theatermaker de kroeg of het repetitielokaal in. Als de voorstelling erin slaagt mij met de makers in gesprek te brengen, kunnen we dat net zo goed na afloop voortzetten, vond ik. De grenzen van die subjectiviteit moet iedere criticus voor zichzelf maar bepalen.
Maar na jaren van gepassioneerde integratie met intrigerende theatermakers, die me meer kennis over het theater hebben opgeleverd dan ik alleen met kijken zou hebben opgedaan, bekruipt me het gevoel dat die betrokkenheid ook nadelen heeft.
Niet toevallig speelt dat gevoel nu op, vlak na het uitkomen van de adviezen van de Raad voor Cultuur over het toekennen van de structurele subsidies. Die adviezen zetten alle verhoudingen in theaterland onder druk.
En ineens voel ik ze knellen, de vriendschapsbanden waar ik me voorheen in heb gekoesterd, waar ik me aan heb gelaafd. Ineens zou ik willen dat ik met niemand wat te maken had. Dan zou ik in een paginagroot tegenadvies mijn visie op goed en slecht in theaterland formuleren. Zoals Hein Janssen in de Volkskrant jaarlijks de selectie van het Theaterfestival gebruikt om het afgelopen seizoen er nog eens fijntjes doorheen te draaien. Zogenaamd persoonlijk, maar met zo veel mogelijk ‘objectieve’ argumenten, en met de vanzelfsprekende autoriteit van degene met het overzicht. Vervolgens zou ik mijn handen in onschuld wassen, omdat mijn 'advies’ geen directe consequenties zou hebben voor het voortbestaan van groepen of theatermakers. Dan kon ik als ik wilde meteen weer meer en nieuwe theatervriendschappen sluiten. Voor minstens vier jaar.
Kijkt u maar snel in de Uitkrant om te weten waar 'De Jantjes’ de komende week nog te zien zijn.