Geen paternalistische hulp

NA HET VALLEN van de muur had de Europese Unie een prachtige wortel om de nieuwe democratieën in Midden- en Oost-Europa voor de neus te houden: lidmaatschap. Als ze goed hun best zouden doen, flink zouden hervormen, hun markten zouden opengooien en eerlijke verkiezingen houden, dan mochten ze op termijn lid worden van de EU.

Het effect daarvan kan nauwelijks worden overschat. Natuurlijk wilden Polen, Hongarije, toen nog Tsjechoslowakije en andere landen zelf ook hervormen, ze hadden niet voor niets afgerekend met het communisme. Maar hervormen gaat traag, is duur en de economie groeit ook maar een paar procent per jaar. Het gevolg was dat het politieke klimaat in de jaren na 1989 wisselde, soms was er onvrede en nostalgie, vaak corruptie en logge bureaucratie. Maar over het uitzicht op lidmaatschap van de EU was iedereen het eens: daarvoor moesten alle noodzakelijke maatregelen worden getroffen.

Daar kwam bij dat de Europese Unie er behoorlijk veel geld voor uittrok: zo'n twintig miljard tussen 1990 en 2003, het jaar dat de eerste tien landen lid werden. In de jaren daarna ging er nog eens veertig miljard naar de nieuwe lidstaten en zo'n tien miljard naar landen als Bulgarije, Roemenië, Kroatië, Albanië en andere kandidaat-lidstaten. ‘Het proces’ moest ondersteund worden. Terecht, overigens.

Nu kijkt Europa naar de omwenteling in Tunesië, Egypte, waarschijnlijk Libië en misschien andere Arabische landen en realiseert zich dat het beleid moet worden aangepast.

Jarenlang draaide het vooral om olie, stabiliteit en Israël. De EU was ten opzichte van Arabische landen soms verenigd, maar vaker verdeeld door handelsbelangen en historische contacten. Er werd wel een gemeenschappelijk 'buurlandenbeleid’ geformuleerd en er werd ook wel geld voor uitgetrokken. Voor zeven landen in het Midden-Oosten ligt 2,7 miljard euro klaar, te verdelen over een periode van zes jaar. Maar de eisen hiervoor zijn niet hard, de projecten niet altijd concreet en de doelen relatief vaag.

Ongetwijfeld komt de EU binnenkort langzaam uit de startblokken met een voorzichtige aanpassing van dit buurlandenbeleid, waarbij samenwerking hoog in het vaandel zal staan. Er is nu immers een 'democratisch regime’ aan de macht, waarmee zaken gedaan kunnen worden. Er zal wat extra geld voor 'de transitie’ in de Arabische landen worden vrijgemaakt en er zal gezegd worden dat bij de besteding daarvan 'lessen uit het verleden’ zullen worden getrokken. Lees Oost-Europa. Betere planning, meer 'concrete doelen’, betere coördinatie en vooral meer partnerschap.

Dat laatste is cruciaal en zou zeer terecht zijn. Zonder de wortel van lidmaatschap moet de EU zich realiseren dat verandering alleen van binnenuit kan komen - zoals de afgelopen maanden bewezen is. Vanaf de zijlijn democratie eisen, of transparantie, vrije media, een onafhankelijke rechterlijke macht of wat dan ook heeft geen zin. Hulp is goed. Maar op paternalistische hulp zit de Arabische wereld niet te wachten, op samenwerking en kennisuitwisseling wel.