HAROLD PINTER IN NEDERLAND

Geen plaats voor zoete illusies

De Engelse toneelschrijver Harold Pinter (1930-2008), die vlak voor de jaarwisseling overleed, kon zich koesteren in de warme belangstelling van het Nederlandse toneel. Die interesse was wederzijds. En leidde tot langlopende verbintenissen.

ERGENS IN DE KELDERS van het Toneelmuseum moet nog dat aandoenlijke filmpje liggen waarin de toneelspeler Piet Römer eerst de jassen van toeschouwers aanpakt en daarna de openingsscène speelt van Harold Pinters eenakter De dienstlift. Het is 1961, plaats van handeling: theater Het Paradijs, hoog in de Haagse Koninklijke Schouwburg. De jongelui van de Haagse Comedie mochten van directeur Steenbergen op zolder experimenteren, in dit geval met werk van de in Nederland nog vrij onbekende schrijver (alleen zijn stuk De huisbewaarder was eerder opgevoerd).
De liefde tussen Harold Pinter en het Nederlandse toneelpubliek was van meet af aan intens. Een half jaar later, op 17 januari 1962, was in de Stadsschouwburg van Haarlem de première van Pinters eerste avondvullende stuk (in Londen aanvankelijk geflopt), Het verjaardagsfeest, in de vertaling van G.K. van het Reve en de regie van Walter Kous. De uitvoerende groep heette Toneelgroep Centrum, het gezelschap dat in de kwart eeuw erna nog een kleine twintig titels van Pinter zou brengen. Toen dat gezelschap in 1987 opging in Toneelgroep Amsterdam werd daar het Pinter-stokje van Centrum moeiteloos overgenomen. De liefde bleef.
Voor de hand lag die liefde in het begin van de jaren zestig overigens niet. Toneelgroep Centrum had in de persoon van Hans Roduin een dramaturg die goed op de hoogte was van de ontwikkelingen in het Britse theater. Het kostte Roduin echter veel tijd en energie om de artistieke leiding te overtuigen van het belang van Pinters stukken. Met The Birthday Party had hij eindelijk beet. Het is trouwens nog altijd een stuk dat staat als een huis, ook in de discussie over de stelling dat Pinter pas op latere leeftijd ‘politieke’ stukken is gaan schrijven. De latere dramaturg bij Toneelgroep Centrum, Carel Alphenaar: ‘Er is geen schrijver met van meet af aan zoveel existentiële nagalm als Pinter. Comedies of menace werden zijn stukken genoemd, dreigingskomedies, vol levensangst, de angst vooral om buiten te komen. Daarom zit iedereen bij elkaar in die huiskamers. Zijn stukken pasten perfect bij wat we nu de tijdgeest noemen. Dreiging, Koude Oorlog, schrik voor het onbekende, angst voor de om zich heen meppende autoriteiten.’
In die zin is Het verjaardagsfeest een politiek stuk. Centraal staat de werkloze barpianist Stanley, enige pensiongast bij de lichtelijk weirde Petey en zijn gaga-vrouw Meg. Stanley is een loser die alles maar zo’n beetje over zich heen laat komen. Dan komen er twee nieuwe gasten, de jood Goldberg en de Ier McCann. Tijdens een voor Stanley aangericht verjaardagsfeest wordt hij door deze mysterieuze heren zodanig gemarteld en geestelijk in de hoek getrapt dat hij daarna versuft door de beide bolhoeden kan worden afgevoerd naar Nergenshuizen. Einde verhaal. De kritiek hier was weliswaar niet zo rauw als in Engeland – waarschijnlijk was de Nederlandse uitvoering ook gewoon beter, in ieder geval volgens Pinter – maar de verwarring was groot.
Ook de toneelverslaggever voor deze krant, Jeanne van Schaik-Willing, weifelt in haar uitgebreide bespreking (De Groene Amsterdammer, 3 februari 1962) tussen adoratie voor zoveel dramatisch vernuft en afkeer van de heilloze confrontatie tussen ‘idiote bruten en een ontmenst slachtoffer’. Ze concludeert aanvankelijk: ‘Ik acht mij niet in staat af te dalen tot het lage peil van dit moderne pessimisme.’ Na afloop spreekt de journalist met iemand die haar scepsis niet deelt en na dit gesprek (wij, lezers, zijn er als het ware bij) slaat ze zich voor het hoofd en herpakt zich: ‘Ik breng een eerbiedig saluut aan deze zeer begaafde schrijver die de taal heeft durven schrijven die past voor de jongemannen wier ouders in de gaskamers omkwamen en die een wereld om zich heen zien die geen plaats voor zoete illusies laat.’
Na een kleine serie korte Pinter-stukken besluit men om te zien naar een andere vertaler. Carel Alphenaar: ‘Die vertalingen van Reve waren eigenlijk onspeelbaar en ver van Pinter afgedwaald. De uitgedroogde zinnen van Pinter waren door Reve vrolijk opgesierd. Dat hebben we uiteindelijk allemaal over moeten doen.’

Pinters volgende avondvuller werd door de vaste Centrum-regisseur Walter Kous zelf vertaald, zonder franje, kaal, bijna droog en steriel: The Homecoming, De thuiskomst, première 1 december 1966. Een wildebeestenhok vol kerels in een uitgewoond huis: de gepensioneerde slager Max, zijn broer Sid, die taxichauffeur is, zijn zoons Lenny (pooier) en Joey (autosloper en amateur-bokser). Zonder dat ze daar echt op uit zijn maken ze elkaars leven tot een hel. Dan keert de derde zoon van Max, Teddy, met zijn vrouw Ann terug op de thuisbasis. Teddy is naar Amerika verhuisd, doceert daar filosofie aan de universiteit, ze hebben een mooi huis en kinderen, hier en daar valt de suggestie dat Teddy zijn vrouw uit de wereld van callgirls en prostitutie heeft weggehaald. Het grote gevecht om De Vrouw dat volgt wordt door Ann grandioos gewonnen. Zij blijft, als een soort oermoeder en oerhoer, Teddy vertrekt weer, een nieuw kooigevecht staat op punt van beginnen.
Het stuk was een regelrechte klap in het gezicht van iedere goede smaak of elk verlangen naar harmonie. De meest verschrikkelijke beledigingen en uitvallen werden geplaatst met de nonchalance die hoort bij het opsteken van een sigaret. Het publiek kreeg nauwelijks navoelbare informatie of enige achtergrond van psychologische aard, bijvoorbeeld over het waarom van die beledigingen en uitvallen. Wij toeschouwers werden als gekken aan het werk gezet, op het ritme, de tonen, de klanken, zeg maar gerust: de partituur van Pinters verontrustende taalmuziek en daarmee op het harde werk van de meer dan voorbeeldige cast, met onder anderen Guus Hermus als Max, Piet Römer als Joey, Ann Hasekamp als Ann en Ton van Duinhoven als Lenny.
Van de voorstelling zijn nooit filmopnamen gemaakt, wel een behoorlijk perfecte geluidsopname, die onder nummer B24 geleend kan worden bij het archief van het Toneelmuseum. Het terugluisteren loont de moeite zeer: je hoort de zinderende spanning, de mooie timing, de prachtige tekstbehandeling. Ook Pinter was tevreden. Het recht van continentale premières van zijn stukken ging als eerste naar Toneelgroep Centrum en later naar Toneelgroep Amsterdam. Beide gezelschappen hebben zelfs een keer een wereldpremièrerecht verworven, van respectievelijk Een soort Alaska (Centrum 1982) en Ashes to Ashes (TGA 1996), onder de voorwaarde dat ze het geen première maar try-out noemden, anders was de trammelant in het Britse achterland niet te overzien geweest.
De vraag blijft interessant waaróm Harold Pinter toch zo te spreken was over de Nederlandse uitvoeringen van zijn stukken. In de jaren zestig zal dat zeker te maken hebben gehad met het feit dat het Engelse, Londense West-End-toneel nog geen behoorlijk antwoord had gevonden op het spelen van de teksten van de angry young men-generatie schrijvers. Het eloquente tongue in cheek-Brits en de (toen) onvermijdelijke voice-beautiful in het Engelse toneelspelen leidden tot een soort quasi-naturel dat niet paste bij de ongepolijste Pinter-teksten. In Nederland wisten acteurs daar veel beter raad mee. Dramaturg Janine Brogt, die met name latere teksten van Pinter vertaalde: ‘Pinter hield van de combinatie van zorgvuldigheid en avontuurlijkheid hier. Ik denk dat de Nederlandse speeltraditie beter past bij Pinters werk. De Britten hangen nog steeds erg aan het realisme met de prestaties van de acteur in het middelpunt. Ashes to Ashes was bijvoorbeeld in de Londense uitvoering veel meer een wedstrijd tussen een man en een vrouw. Staat het 1-0 voor hem of voor haar? Bij ons speelden de acteurs Pierre Bokma en Lineke Rijxman de tekst veel meer samen.’ Carel Alphenaar: ‘De Engelsen vonden Pinter vooral “silly but what is it all about”? Het Nederlandse publiek stond uiteindelijk toch meer open voor het onbestemde, het dreigende van Pinter. Er werd hier ook veel minder gelachen om zijn stukken, hoewel ze natuurlijk heel geestig zijn.’

Ter gelegenheid van de toekenning van de Nobelprijs voor de literatuur aan Harold Pinter in 2005 werden tien toneelteksten opnieuw gebundeld in De huisbewaarder en andere stukken (De Bezige Bij).
Pinters stuk Bedrog staat komend seizoen op het repertoire van de vrije producent Rik Engelkes Producties