Interview met Grahame Lock

Geen plan voor Nederland

‘Nederlanders hebben vreemde ideeën over de betekenis van verkiezingen’, zegt de Britse politiek filosoof Grahame Lock: ‘Ze denken bijvoorbeeld dat een partij die zetels heeft gewonnen het eerst in aanmerking komt om te regeren. Terwijl het toch voor de hand ligt dat de grootste partijen samen proberen te regeren, of ze nu gewonnen of verloren hebben.’

Hoewel hij inmiddels al zestien jaar in Nederland woont, verbaast de Britse politiek filosoof Grahame Lock zich nog altijd over de analyses na iedere verkiezingsuitslag: ‘Waarom wordt er in hoofdredactionele commentaren van de landelijke dagbladen altijd gevraagd wat de kiezer met deze uitslag heeft bedoeld? Alsof het electoraat bestaat uit één denkbeeldig personage, de kiezer, en niet uit twaalf miljoen Nederlanders die allemaal iets anders wilden. Als een voetbalploeg de tegenstander verslaat met 3-1 vraag je toch ook niet met welke bedoeling de spelers als grote groep van 22 hebben gespeeld? Of met welke bedoeling de doelpunten zijn gemaakt? Beide teams wilden winnen. Een is het gelukt, het andere niet. Bij 0-0 wilden de spelers heus geen “signaal” naar het publiek sturen. Ze wilden gewoon allebei met 10-0 winnen, maar beide teams is dat kennelijk niet gelukt. Hoezo moet er eerst met de “overwinnaar” sp worden gesproken, of de ChristenUnie? De 33 zetels van de pvda zijn er toch nog altijd meer dan de 25 van de sp of de zes van de ChristenUnie.’ Er is wel meer dat de verbazing wekt van de hoogleraar politicologie (Nijmegen, Leiden en Oxford). Zoals de constatering van Nederlandse commentatoren dat de verkiezingsuitslag van 22 november op een toegenomen ‘polarisatie’ wijst. In zijn moedertaal legt Lock uit: ‘De ideologische tegenstellingen zijn in Nederland quasi-afwezig, want vrijwel alle partijen zijn tegenwoordig meer of minder liberaal. Ze ontlenen hun bestaansreden aan het verwezenlijken van de geaggregeerde behoeften en verlangens van een deel van het electoraat. Verder dan dat gaan hun programma’s in wezen niet. Ze hebben allemaal een eigen niche in de markt, als je het zo wilt noemen, maar geen plan voor Nederland, geen grote visie op de samenleving zoals die moet worden. Die tijd is voorbij en is zelfs grotendeels vergeten. Dat waarnemers de huidige politieke tegenstellingen ongestraft “ideologisch” noemen geeft daar juist blijk van.’

In de plaats van diepgaand ideologisch debat, zo schreef Lock al eerder in een essay in deze krant, is er een ‘narcistische extase’ gekomen, verwant aan de toestand van piepkleine kinderen. Die maken immers geen onderscheid tussen zichzelf en de rest van de wereld. De westerse mens – met Nederlanders als voorlopers, jawel – waant zich het soevereine middelpunt van alles. Zijne Majesteit de Baby. We erkennen geen dogma’s, taboes of ideologische grenzen meer omdat die de onmiddellijke behoeftebevrediging in de weg staan. Zijn wij zelf soms niet de enige legitieme bron van al onze keuzes, waarden en voorkeuren? En moeten we nog langer gedogen dat de overheid daaraan paal en perk stelt vanwege een of ander overkoepelend belang of ideaal? Nee, dat moeten we niet, is de heersende gedachte. We bepalen zelf wel waar onze grens ligt.

‘Er wordt voortdurend een dogmatisch beroep gedaan op het individualisme’, schreef Lock in een recent nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Filosofie & Praktijk. ‘Maar dat individualisme is nep’, voegt Lock eraan toe. ‘Dat individualisme is alleen maar een ideologische werkelijkheid; mensen zijn in de greep van een volstrekt misleidend idee, een pertinente onwaarheid. Want mensen zijn sociale dieren, die altijd een derde partij nodig hebben – God, de natie, of een ander abstract referentiepunt, voor identificatie met elkaar.’ Alleen door collectief in deze illusie van het individualisme te leven, meent Lock, kunnen we deze tijd toch ideologisch noemen; maar van grootscheepse ideologische tegenstellingen is geen sprake.

Hoe anders was dat nog niet zo lang geleden. Juist in Nederland bestond van oudsher een grote variëteit aan principiële en niet zelden onwrikbare staatkundige opvattingen. De 59-jarige Lock herinnert zich met zichtbaar genoegen de jaren zeventig, toen hij voor het eerst Nederland bezocht. Hij was gefascineerd toen de antirevolutionaire vice-fractievoorzitter Hannie van Leeuwen – door de cpn’er Marcus Bakker ‘straaljager-Hannie’ gedoopt omdat ze voor de aankoop van meer f16’s pleitte – in een tv-uitzending ineens uit de losse pols een verhandeling gaf over antirevolutionaire staatkunde. Grahame Lock: ‘Over de zondeval, over het “noodzakelijk kwaad” van de overheid. Die bestaat natuurlijk ook uit zondaars, maar heeft tot taak de gevallen mens ervan te weerhouden zich geheel aan zijn zondige natuur over te geven. Je reinste Augustinus! Zonder haperen, zonder blikken of blozen. Kom daar vandaag eens om.’ Verdwenen is wat Lock de ‘epochal party’ noemt, partij-ideologieën die bestaan bij de gratie van een filosofie van de geschiedenis: ‘Goed, de sgp is een uitzondering. Maar verder zie je geen politici meer die in de overtuiging leven dat ze weten waar de geschiedenis toe zal leiden. Die sp’ers hebben ouderwetse opvattingen, dat is waar, niettemin geloven ook zij niet meer dat al hun handelen zal uitlopen op het arbeidersparadijs. Je denkt toch niet dat enkele decennia geleden communisten echt tevreden waren geweest met tien procent verhoging van het sociale minimum? Dat was marginaal in het licht van de onherroepelijke loop van de geschiedenis.

Je zag de ontideologisering prachtig bij de oprichting van GroenLinks, een partij met een zuiver ideële achtergrond die in 1990 ontstond uit een fusie van communisten, pacifisten en christen-radicalen, partijen die stuk voor stuk klein waren omdat ze een exclusief, principieel standpunt innamen. Al in het eerste partijprogramma was er geen oorspronkelijke gedachte, grote lijn of ideële hiërarchie meer te herkennen. Tegenwoordig is de partij zo ver afgedreven dat aanvoerster Femke Halsema publiekelijk kan “ontdekken” dat ze eigenlijk “liberaal” is, terwijl niemand binnen of buiten de partij daar serieus nog van opkijkt.

Achter de leuzen en programma’s zit geen uitgewerkt mensbeeld of wereldbeeld meer, geen eschatologie of behoefte om geschiedenis te maken. De pvda flirt nog wat met de vakbeweging, het cda onderhoudt de band met de kerken en de vvd blijft een tandartsenpartij. Maar veruit het belangrijkste criterium voor de kiezers is de persoonlijkheid van de lijsttrekker. Niet voor niets is de grootste winst geboekt door die lijsttrekker met wie de meeste Nederlandse kiezers, getuige een enquête, het liefst een biertje zouden willen drinken.

Het is interessant om te zien hoe vooral partijleiders als rasechte marketeers hun niche in de markt trachten te vergroten. De verwantschap van politiek en marketing is groter dan veel mensen denken. Zelfs de term “normen en waarden” waarmee Balkenende de laatste jaren goede sier maakt, komt oorspronkelijk uit de bedrijfskunde. De verkiezingsleuzen betekenen op zichzelf niets, het zijn een soort tekstuele logo’s met vage historische en ideologische connotaties, netjes uitgedokterd door marketingstrategen. “Samen sterker” van de pvda doet in de verte denken aan oude vakbondsleuzen over de collectieve machtsontplooiing van de arbeiders. “Vertrouwen in Nederland” van het cda is een vage verwijzing naar de Opstand van de zestiende eeuw en de voc-mentaliteit. “Duurzaam voor elkaar” van de ChristenUnie wekt, als je er heel diep over nadenkt, associaties met de bestendigheid van Gods liefde. “Het gaat om mensen” van d66 is helemaal nietszeggend; daar zou alleen de Partij voor de Dieren misschien bezwaar tegen maken. d66 is niet voor niets op sterven na dood.’

Als psychoanalytisch geïnteresseerd filosoof heeft Lock uitgesproken ideeën over de fantasmatische band tussen kiezer en gekozene. Het succes van de Partij voor de Dieren bijvoorbeeld verklaart hij uit de projectie van menselijke gevoelens op dieren. De beelden van de feestvierende sp vond Lock interessanter: ‘De sp wil een partij van het gewone volk zijn, terwijl er achter Marijnissen een personele leegte gaapt. De entree van Marijnissen afgelopen woensdagavond, voor zijn dankspeech, was zeer opmerkelijk. Eerst kwamen de andere gekozen kandidaten met bossen bloemen in de hand het podium op huppelen en daarna kwam de grote leider, omstuwd en toegejuicht door zijn getrouwen. Als een gewezen maoïstische splinterpartij een verkeerde indruk wil wekken, is een cultus van persoonsverheerlijking uiterst effectief! Het pleit wel voor Marijnissen dat hij daar vervolgens heel ontspannen mee omging. Althans ogenschijnlijk, want je kunt niet uitsluiten dat hij gewoon een goed toneelspeler is die vaak voor de spiegel oefent.’

Lock is ook geïnteresseerd in de sp en de Partij van de Vrijheid omdat hij, als buitenlander, heeft meegemaakt hoe de luiken in Nederland steeds verder dicht gingen. Hij illustreert dit met ervaringen die hij opdeed op de universiteiten van Leiden en Nijmegen. Studenten die na een paar weekjes Oxford terugkwamen omdat ze zich er niet ‘thuis’ voelden, buitenlandse hoogleraren die niet werden aangesteld omdat ze ‘onze regelingen niet goed zouden begrijpen, al het werk dat je als Nederlandse hoogleraar verricht naast onderzoek of onderwijs, de bureaucratie’.

Lock: ‘Hier schuilt een paradox, want juist het gebezigde vocabulaire wordt internationaal steeds uniformer, het is de taal van het high managerialism, zoals de specialisten Sheila Marsh en Marion Macalpine het jargon van privatisering, commercialisering en individualisering hebben gemunt. De sp is interessant omdat alleen deze partij misschien in staat blijkt die taal enigszins te doorbreken.’ Want volgens Lock is het momenteel als in de Sovjet-Unie: je moet je voegen naar de gesproken taal, anders kun je niets uitrichten. Bepaalde begrippen en manieren van denken die buiten het officiële discours vallen, kunnen niet worden gebruikt. Je bereikt er niets mee: ‘Mensen staan met hun mond vol tanden als je een ander begrippenkader hanteert. De reactie is dan: doe even mee! De sp is in zekere zin ook een partij die niet mee wil spelen. Misschien dat ze daarom toch enige waarde kan hebben.’