Online verdwijnen – een illusie

Geen plek om je te verstoppen

Het wereldwijde web klinkt als een plek van vrijheid. Maar een web is iets waarin je gevangen kunt worden. Vraag maar aan een vlieg die door de spin wordt opgepeuzeld. Maak dat je wegkomt. Maar hoe vind je een verstopplaats?

Osama bin Laden en Britney Spears hebben weinig met elkaar te maken, behalve dat zij samen mijn eerste herinneringen aan het internet vormen. Ik was een jaar of zes, veel te jong voor de website waar mijn broer me lachend naartoe begeleidde, en ik denk dat ik me daarom nog zo helder voor de geest kan halen dat je op de borsten van de popster moest blijven klikken zodat ze steeds groter werden en uiteindelijk ontploften. ‘Oops, I did it again’, zong ze dan. Dit zal dan in 2002 zijn geweest, op de website stonden ook parodiefilmpjes, iets met Bin Laden en bommen dus, maar die heb ik niet helemaal kunnen zien omdat mijn geschokte moeder een einde maakte aan het avontuur.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Eva Hofman over de week waarin zij ethisch hacker Tigo Bakker van zich af probeerde te schudden. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere podcastkanalen

Het internet bleek onweerstaanbaar en ik bleek onverzadigbaar. Mijn klasgenootjes en ik speelden online games met namen als Runescape, GoSupermodel en NeoPets. Bij veel van die spellen had je een account waarop je je leeftijd had ingevuld, je naam en je e-mailadres. Je kon chatten en bloggen. Een enkele waarschuwing over ‘loverboys’ die op jonge meisjes jagen daargelaten kan ik me weinig zorgen herinneren over het invullen van al die gegevens en het opschrijven van al die verhalen over mezelf.

En zo ontwikkelde ik een digitaal kruimelspoor dat terugloopt naar ver voor de tijd dat ik actief beslissingen kon nemen over mijn online aanwezigheid. ‘Ik moet uitloggen’, schreef ik soms aan mijn vriendinnen op MSN Messenger, en dan klikte ik op het kruisje en liep ik weg van de gezinscomputer. Totdat dat niet meer nodig was, totdat ik zelfs niet meer ‘brb’ (internettaal voor ‘be right back’) hoefde te typen om aan te geven dat ik zo terug zou zijn. Ik ben nooit meer offline.

‘Ik merkte dat je paranoïde werd’, zegt Tigo Bakker in een videogesprek. Hij praat door een professioneel ogende microfoon en zit op een bureaustoel van het type dat vaak door gamers wordt gebruikt. Hij heeft kort blond haar. Achter hem hangt een wandkleed van Coca-Cola en in de hoek van het beeldscherm zie ik een bed. Tigo is twintig, studeert cybersecurity aan de Hogeschool van Amsterdam en adviseert bedrijven in digitale veiligheid. Iets eerder tijdens dit gesprek had hij het over zijn vriendin en op zijn WhatsApp-foto zie ik wie dat is. Deze gecombineerde informatie is alles wat ik in korte tijd over hem heb geleerd. Tigo weet op zijn beurt veel meer van mij: waar ik woon, hoe mijn vriend, broers en zus heten, het wachtwoord van mijn e-mailadres. Hij weet ook dat ik op woensdag paranoïde werd.

Tigo wordt opgeleid tot ethisch hacker. Hij kan alles wat een malafide hacker kan, maar zet dat talent in om bedrijven te helpen hun veiligheid op orde te brengen. De werknemers van zo’n bedrijf weten vaak niet wat hij aan het doen is, tot hij ineens in al hun gegevens kan. Bleek het wachtwoord toch niet zo sterk, had dat mailtje toch versleuteld verstuurd moeten worden… Op mijn verzoek heeft Tigo mij een week lang gevolgd. Hij wist bij aanvang niets van mij, behalve dat ik aan dit verhaal werk. Ik heb met hem afgesproken dat hij zo diep in mijn gegevens mocht duiken als hij wilde, behalve wanneer hij op mijn werkdocumenten stuitte of in de digitale omgeving van De Groene Amsterdammer moest – dat zou ik journalistiek niet kunnen verantwoorden. Ik wilde weten of het nog kon, online niet bestaan, en hoe het voelt als je weet dat je actief gevolgd wordt. Nu, na afloop, vertelt hij me hoe ver hij is gekomen. Ik kijk naar de visualisatie die hij heeft gemaakt. Daar lig ik, binnenstebuiten. Dagenlang heb ik mogen ervaren dat ik behoorlijk wat te verbergen heb.

Dag 0

In haar boek How to Disappear: Notes on Invisibility and Transparency beschrijft essayist Akiko Busch hoe kinderen al tijdens het spelletje kiekeboe leren over zijn en niet-zijn, en dat iets niet in je blikveld hoeft te zijn om te bestaan. Tijdens verstoppertje leer je vervolgens dat ook jij buiten het blikveld van de ander kunt bestaan – bevrijdend en beangstigend tegelijk, want je kunt ook niet gevonden worden. Dan blijf je verscholen zitten, nog lang nadat het spelletje voorbij is. Ik vond het een fantastisch spel. Een goede verstopplaats is magisch en veilig tegelijk. Bij spannende of enge situaties is mijn eerste reflex nog steeds om te willen verdwijnen. Maak dat je wegkomt, zoek dekking. Error is exit.

Voor Tigo heb ik me niet verstopt, maar ik begon er wel steeds meer naar te verlangen. De zondag voor het experiment – ‘doomsday’, zoals hij het naar mijn smaak net te enthousiast noemde – piekerde ik over mijn digitale geschiedenis. ‘Ik ben hartstikke braaf, anders zou ik dit nooit aandurven’, had ik lachend tegen een collega gezegd. Nu begon ik te twijfelen. Nee, van mij vind je geen vreemde chatgeschiedenis of zoekopdrachten over het in elkaar knutselen van een bom, maar heb ik dan echt geen geheimen?

Zo nu en dan wordt een journalistieke poging gedaan uit te zoeken of je nog online van de radar kunt verdwijnen. Er is het Nederlandse programma Hunted, waar bekende en onbekende Nederlanders weken op de vlucht gaan en proberen opsporingsdiensten van zich af te schudden. De meesten worden gepakt, want de specialisten zien talloze aanknopingspunten: waar en wanneer je geld pint, wanneer je contact hebt met je familie en vrienden en vanaf welk IP-adres je je op het internet begeeft. Veel van die punten, zoals met wie je veel omgaat, staan gewoon openbaar op het internet. Je hoeft er niet eens een computer voor te hacken.

In 2015 onderzochten Tim den Besten en Nicolaas Veul wat er gebeurt als je helemaal niet van de radar kunt, met de documentaireserie Super Stream Me. Ze lieten zich live overal volgen, de hele tijd: naar de wc, tijdens intieme gesprekken met vrienden en de psycholoog – er bestond geen privacy. Het experiment zou achttien dagen duren, maar moest na vijftien dagen worden stopgezet omdat het psychologisch niet meer te doen was: de mannen werden paranoïde en hun vrienden wilden ze niet meer zien. Den Besten zei na afloop tegen Het Parool dat hij het ook wel leuk had gevonden dat er mensen met zijn leven meekeken en reageerden. ‘Zolang je maar af en toe even kunt schuilen.’

En dan is er nog het echte verdwijnen; sigaretten halen en nooit meer terugkomen. In 2009 deed schrijver Evan Ratliff die ultieme digitale verdwijnpoging voor de technologie-website Wired. Hij huurde geen opsporingsdienst in, maar liet de website een prijs van vijfduizend dollar op zijn hoofd zetten. Een maand lang zou hij proberen zijn identiteit van zich af te schudden en lezers mochten pogingen doen hem te vinden. Tijdens de race veranderde de schrijver steeds van kapsel. Hij nam een valse identiteit aan, reisde door de VS, plaatste extra routers in een hotelkamer zodat zijn internetgebruik niet te traceren was en betaalde zoveel mogelijk met contant geld en cadeaubonnen. Al snel werd hij gevolgd door een enthousiaste groep hackers en bloggers. Ratliff kwam ver, maar werd gevonden en keerde moeizaam terug naar de realiteit. Ook hij werd al snel paranoïde, schreef hij.

‘Toen ik mijn laptop openklapte en mijn privé-informatie het web op zag stromen, kreeg ik een voorproefje van een binnenkort blijvende staat van onrustige angst. Ik had het natuurlijk over mezelf afgeroepen’, schrijft Ratliff. ‘Maar het leven in de nieuwe, paranoïde realiteit voelde anders. Absurde ideeën leken ineens aannemelijk. Ze hadden contact opgenomen met mijn kattenoppas; zouden ze mijn kat ontvoeren?’

Dag 1

Maandag is dus doomsday. Ik schat in dat Tigo binnen een week niet zo ver kan gaan als de stalkers van Ratliff. Ik word niet gevolgd door een team van experts, half tv-kijkend Nederland of een online community van enthousiaste hackers. Bovendien probeer ik voor de verandering niet te verdwijnen, maar net als Veul en Den Besten in volle alertheid te voelen hoe het is als die optie ontbreekt. Ik heb mezelf in een aquarium geplaatst en zwem eens rustig rond om de temperatuur van het water te peilen. In die nieuwe realiteit zoek ik direct naar uitvluchten: ik kan mijn telefoon op vliegtuigstand zetten als ik bang ben dat ik zou worden afgeluisterd, ik vertel mijn vrienden dat ik gevolgd word zodat ze me geen gevoelige informatie sturen en ik werk niet aan andere journalistieke projecten.

Van Tigo, die, vertelt hij me later, op de eerste dag al een omvangrijk web heeft opgetekend van zowat mijn volledige online aanwezigheid, merk ik niets. Ik bestel online een nieuw hengsel voor mijn tas en maak me plots zorgen om de hoeveelheid opgeslagen creditcard-informatie in het betaalvenster. Het is een veilige betaalomgeving, staat er, maar daar heb ik nu mijn twijfels bij. Een bevestigingsmailtje. Het hengsel wordt zo snel mogelijk bezorgd. Kijkt Tigo mee?

Ik ben extra op mijn hoede omdat ik weet dat Tigo mij volgt. De kans dat ik op zijn phishing-link had geklikt als ik dit onderzoek niet deed, is groot

In zijn boek Ik weet je wachtwoord beschrijft rtl-techjournalist Daniël Verlaan hoe makkelijk we het hackers onbedoeld maken om bij onze gegevens te komen. Een eerste stap die de meeste inbrekers – waaronder Tigo, zo hoor ik later – zetten, is googelen. Aan de hand van de informatie die we over onszelf online zetten, kun je makkelijk de antwoorden op beveiligingsvragen vinden, zoals je geboorteplaats of de naam van je huisdier.

Er wordt bovendien wat af-gephisht, waarmee andere gegevens kunnen worden buitgemaakt. Een crimineel kan doen of hij je bank is of je kind dat plots geld nodig heeft. Vul zo’n phishing-mailtje aan met wat persoonlijke informatie, en het lijkt ineens levensecht. De slachtoffers blijven niet bij digibete opa’s. Mijn Amsterdamse vrienden kregen de afgelopen weken mails, zogenaamd van Woningnet, met het bericht dat hun inschrijfduur zou verlopen als ze niet snel een paar euro zouden overmaken. In Amsterdam is je inschrijfduur zo’n beetje je kostbaarste bezit. Minstens een van hen trapte erin.

Een andere vorm van digitaal bedrog is ouderwetse chantage aan de hand van uitgelekte gegevens. Verlaan geeft het voorbeeld uit 2015 van de hack van datingsite Ashley Madison waarop mensen in een relatie overspel konden plegen. De verkregen persoonlijke informatie van (oud-)gebruikers, zoals hun naam, adres en transacties, werd gebruikt als afpersmateriaal. Naar aanleiding van het schandaal, uit schaamte of uit angst om ontmaskerd te worden, overleden meerdere gebruikers en oud-gebruikers aan suïcide.

Het kan ook nog invasievere vormen aannemen. Door bijvoorbeeld in de camera van een laptop te hacken, camfecting, kunnen stalkers met je meekijken en screenshots maken terwijl je in je neus zit te peuteren, je omkleedt of een pornosite bezoekt. Op zijn website Laat je niet hack maken deelt Verlaan – in samenwerking met professionele hackers – al zijn tips over online veiligheid. Een goede basistip: plak een sticker of een schuifje op je webcam.

Mijn laptopcamera heeft tijdens het experiment geen sticker. Ik geloof dat ik voor die relatief zeldzame inbreuk het bangst ben, omdat ik daar echt niet aan zou kunnen ontsnappen. ’s Middags heb ik het er met een collega over, en grapt hij dat hij die week misschien maar niet met mij moet praten, als de telefoon op mijn bureau begint te rinkelen: een onbekend nummer. Ik neem niet op. ‘Zo’, zegt de collega. ‘Je keek echt heel geschrokken.’

Dag 2

‘Ik kreeg even geen bericht meer dus ik dacht, waar ben je?’ vraagt mijn moeder tijdens een telefoontje op dinsdag. ‘Ik was weer even kopje onder’, zeg ik.

Kopje onder, zo noem ik het tegenwoordig als ik een paar dagen geen energie kan opbrengen om te reageren op de berichtjes die de hele dag binnenkomen via een stuk of drie chatdiensten, een paar mailadressen en vier sociale netwerken. Mijn fysieke leven is niet meer het uitgangspunt van waaruit ik het internet op ga, het internet is nu een verlengstuk van mij waaruit ik me soms wil terugtrekken. Ik doe er moeite voor. De functies op WhatsApp die tonen of je iemands bericht hebt gelezen en wanneer je voor het laatst online was, heb ik bewust uitgezet.

Akiko Busch vergelijkt de vrijheid van het verdwijnen met diepzeeduiken. We zien niets anders dan een ‘immense blauwe afgrond’ en die grenzeloosheid associëren we met ongebondenheid. Niet alleen verandert ons begrip van de fysieke ruimte om ons heen, we krijgen ook een gevoel van overzicht en heroverwegen onze plaats op de wereld. Dat overview effect wordt volgens Busch ook gebruikt door astronauten om het gevoel te omschrijven dat ze krijgen wanneer ze vanuit de ruimte op de aarde neerkijken. Tijdens het kijken zou je bijna vergeten dat je zelf zichtbaar deel uitmaakt van de wereld.

Vanachter mijn computerscherm consumeerde ik lang schijnbaar veilig en onbekeken alle informatie die ik kon vinden. De immense eindeloosheid van al die content bezingt komiek Bo Burnham in zijn show Inside, die hij schreef tijdens de pandemie. Wil je het nieuws zien, of misschien wat foto’s van de voeten van beroemde vrouwen? Be happy, be horny, be bursting with rage. We’ve got a million ways for you to engage.

Het internet kijkt terug, waarschuwt Burnham. Ik zie Inside aan de vooravond van het experiment en krijg zijn woorden die hele week niet meer uit mijn hoofd. ‘We set our sights and spent our nights waiting for you. You, insatiable you. Mommy let you use her iPad, you were barely two. And it did all the things we designed it to do. Now look at you. Look at you. You, you. Unstoppable, watchable. Your time is now, your inside’s out. Honey how you grew.’

Dinsdagmiddag zit ik op mijn bank te eten met mijn laptop voor mijn neus, als ik het halve bord per ongeluk over mijn T-shirt mors. Ik kijk meteen in de webcam. Waarschijnlijk kan Tigo me niet live volgen, houd ik mezelf voor. Dan denk ik aan mijn digitale kruimelspoor – aan het artikel over marihuana waaraan ik ooit werkte in de VS, waarvoor ik hele dagen drugshandelaren aan het googelen was, en aan de gênante commentaren die ik als tiener achterliet en gelukkig ook verwijderde onder YouTube-filmpjes. Er was al een spoor voor ik er erg in had, lang voor ik er echt op een volwassen manier over kon beslissen.

’s Avonds krijg ik op mijn werkadres een mail met een tip erin, van ene Rodny Langevoort. Het is een uitgebreide tip over dit artikel, in reactie op een tweet van mij een paar dagen eerder waarin ik vertel dat ik aan dit verhaal werk. ‘Wat de fuck’, zeg ik tegen mijn vriend. In de bijlage van de mail zit een bestand waar interessante gegevens voor mij in zouden staan. Mijn vinger hangt al boven het bestandje. Dan lees ik de mail nog eens. Verdomd, het is natuurlijk een phishing-link. Ik check de domeinnaam van het e-mailadres. Vandaag geregistreerd. Van die zogenaamde Rodny Langevoort zie ik online geen enkel spoor. Gotcha, Tigo.

Dag 3

Op woensdag wacht Tigo tevergeefs op het moment dat ik op de link klik. Als ik klik, heeft hij toegang tot alle informatie over mijn computer. Maar er gebeurt niets. Ze wordt paranoïde, denkt hij. Inmiddels heeft hij met dank aan opgekochte gegevens van de Kamer van Koophandel al mijn vorige woonadressen gevonden, inclusief een adres waar ik pas heen ben verhuisd nadat ik mijn bedrijf heb opgezegd. Hij weet nu waar ik woon en woonde en met wie.

Je kunt een hele online schaduwidentiteit voor jezelf laten optuigen, met een huisadres en neppe verouderde sociale-media-accounts

Tigo kent ook mijn e-mailadressen en heeft die door een website gehaald waarop gelekte wachtwoorden staan, buitgemaakt uit verschillende datalekken. Mijn gegevens staan nergens tussen, maar hij komt wel achter e-mailadressen én wachtwoorden die mijn collega’s ooit op verschillende websites hebben gebruikt. Hij zou met een account van een collega kunnen proberen in te loggen op de Groene-mail. Lukt dat, dan heeft hij beet: als hij mij via de collega een mail stuurt, is de kans groot dat ik op zijn phishing-link klik. Dat probeert hij niet, vertelt hij me later, omdat hij vindt dat hij daarmee de grens van het betamelijke overschrijdt.

En dus bedenkt hij een nieuw plan. Hij maakt een Twitter-account aan voor nep-expert Rodny Langevoort en stuurt mij een privé-berichtje. Of ik zijn tip heb gezien? Hoewel ik hem door heb, beslis ik om op de link te klikken. Deze reportage gaat niet over de vraag hoe snel Tigo mij kan hacken. Daar komt bij: ik ben extra op mijn hoede omdat ik weet dat hij mij volgt, de kans dat ik wel op zijn phishing-link had geklikt als ik dit onderzoek niet deed, is groot.

Ik krijg een foutmelding. Blijkbaar, denk ik teleurgesteld en opgelucht tegelijk, is het hem niet gelukt me te volgen. Voor het eerst in drie dagen ben ik bevrijd van het constante gevoel dat ik in de gaten gehouden word. Al de hele week voel ik de druk van Foucaults disciplinerende panopticum op mijn schouders. Niet roddelen met vrienden die je spreekt, netjes eten, rechtop zitten voor de camera. Pas nu de druk er even af is, voel ik hoe zwaar ik het heb gehad. Nu krijg ik zin om iets onbeschaafds te doen.

Mensen die zich online anoniem wanen, kunnen zich ontremd gaan gedragen. Dat heet het online disinhibition effect, een term die zo’n beetje op het hoogtepunt van het blogtijdperk, 2004, werd gemunt door hoogleraar psychologie John Suler. Enerzijds kunnen mensen anoniem hun emoties makkelijker kwijt, ze onthullen hun angsten en delen gênante momenten met elkaar. Maar er is ook een schaduwkant. Met een gekke naam op Twitter en een profielfoto waar niets op staat, is het een stukje makkelijker om politici te bedreigen, vrouwen te intimideren, complottheorieën te verspreiden, zelfs al kun je daar in het echte leven alsnog verantwoordelijk voor worden gehouden.

Ik mijmer wat over mijn herwonnen vrijheid, maar realiseer me dat ik niet helemaal los ben van surveillance. Hoewel Tigo mijn computer niet in kan, word ik nog steeds online gevolgd. Braaf lees ik die avond een boek uit.

Dag 4

Donderdag is de eerste dag waarop mijn werk volledig stilligt. Omdat ik geen contact wil hebben met bronnen heb ik dagenlang alleen passief onderzoek gedaan: in literatuur, tv-programma’s en documentaires. Het duizelt me van de prachtige voorbeelden van het kat-en-muisspel. De Antwerpse stadsdichter Maarten Inghels die een stadswandeling maakte waarbij je geen bewakingscamera’s tegenkomt, de vele documentaires over mensen die naar afgelegen plaatsen zijn vertrokken. Het Amerikaanse stadje Green Bank, waar vanwege de aanwezigheid van een enorme radiotelescoop geen gps-signaal of internet bestaat. Je kunt er alleen bellen via de telefoonlijn en om er te komen moet je ouderwets verkeersborden volgen. Sinds een paar jaar is Green Bank een magneet voor technofoben.

Ik bestudeer een wetenschappelijk artikel over dark patterns voor cookies, die het steeds heel moeilijk blijven maken om niet op ‘alles accepteren’ te klikken. Ik lees voorbeelden van mensen die proberen zonder digitale voetafdruk te leven en concludeer dat het een vrijwel onuitvoerbare dagtaak is om spoorloos te blijven. Ik denk aan de protesten tegen de volkstelling in 1972 en aan de stickers van Vizier op Links op de woonadressen van journalisten en wetenschappers, makkelijk op te vragen via de voor ondernemers verplichte Kamer van Koophandel. Tigo’s digitale anatomie van mij is op dat moment al bijna af.

Er zijn dure bedrijven die je kunnen helpen om al je gegevens offline te halen, in verschillende gradaties van legaliteit, maar de vraag is hoe lang zoiets blijft werken, want er kan altijd weer nieuwe informatie over jou opduiken en eenmaal online is iets nou eenmaal moeilijk helemaal offline te halen. Het flinterdunne recht om vergeten te worden, dat de Europese Unie in 2014 aannam, beschermt maar soms.

Ik kan niet alleen offline bestaan en ik kan mijn online geschiedenis ook niet wissen. Als ik heel veel geld zou willen neerleggen, is er een techniek beschikbaar die wellicht beter werkt: hiding in plain sight. Daarmee laat je beetje bij beetje conflicterende informatie over jezelf op het internet verschijnen, tot de correcte informatie ondergesneeuwd raakt en algoritmes geen peil meer op je kunnen trekken. Je kunt zelfs een hele online schaduwidentiteit voor jezelf laten optuigen, met een huisadres en neppe verouderde sociale-media-accounts.

In So You’ve Been Publicly Shamed beschrijft documentairemaker en schrijver Jon Ronson hoe die techniek wordt ingezet door pr-bedrijven. De belastende informatie geraakt naar de achtergrond, de beruchte tweede pagina van Google. Als je een lijk wil verstoppen, weet elke internetredacteur, doe dat dan op die tweede pagina.

Dag 5

Om zes uur ’s avonds log ik in op Zoom. Even zie ik alleen mijn eigen reflectie op het scherm van mijn computer. Toen ik begon aan dit onderzoek las ik De consequenties, de debuutroman van Niña Weijers, waarin hoofdpersoon Minnie Panis een fotograaf inhuurt om haar te stalken. Bij alles wat ze doet voelt ze de blik van de fotograaf op zich en ze lokt hem uit om in te grijpen in haar leven. Maar dat doet hij niet, zelfs niet als ze bijna verdrinkt. Op de laatste dag van het kunstproject moet hij haar de foto’s die hij maakte overhandigen, maar in plaats daarvan ontvangt ze een brief met excuses. Hij is op dag één al afgehaakt. Al die tijd werd ze helemaal niet gevolgd.

Ik ben dus opgelucht als ik Tigo weer zie zitten, met zijn Cola-banner op de achtergrond. ‘Hoe was het voor jou?’ vraagt hij. Ik vertel hem dat ik langzamerhand paranoïde werd. Dat we elkaar even kruisten toen ik achter zijn phishing-poging kwam, dat ik op een gegeven moment begon te wandelen zonder mijn telefoon mee te nemen. Dat mijn laptop die vrijdag bijna de hele dag dicht was geweest omdat ik het niet meer trok om online te zijn.

En dan begint hij te vertellen. Op maandag had hij mijn online geschiedenis in kaart, aan informatie uit oude columns kon hij opmaken waar ik toen woonde, omdat ik had geschreven over de winkel tegenover mij en die bij mij om de hoek. Op dinsdag kocht hij al mijn oude woonadressen, mijn telefoonnummer en mijn e-mailadres bij de Kamer van Koophandel en vond hij ook mijn Groene-mailadres, dat nergens online staat maar dat hij kon raden aan de hand van het mailprogramma dat we gebruiken. Op woensdag klikte ik op de phishing-link, waarvan ik dacht dat hij niet werkte maar die Tigo wel degelijk in theorie toegang had gegeven tot de server die ik gebruik en tot informatie over mijn laptop en browser. Goed om te weten voor wie een aanval voorbereidt. Stel, zegt hij, hij ging in mijn bedrijfsnetwerk, dan wist hij ook welke computers op dat netwerk kwetsbaar zijn. Dankzij de phishing-link kwam Tigo woensdag ook achter mijn e-mailwachtwoord.

Op donderdag en vrijdag begon hij aan de visualisatie, een spinnenweb met alleen mijn naam aan het begin en allemaal vertakkingen van stukjes informatie die tot nieuwe stukjes informatie leiden. Had hij buiten de grenzen van het legale willen treden, dan had hij een lijst gemaakt van feitjes die hij over mij kende, mijn hobby’s, geboorteplaats, huisdieren, namen van geliefden, en een aanval losgelaten op mijn accounts. Zo was hij heel snel achter meer wachtwoorden gekomen, gokt hij. Met mijn WhatsApp-berichten heeft hij niet kunnen meelezen, en ook mijn camera kon hij niet zomaar in. Ik voel me eventjes Minnie Panis, langzaam paranoïde geworden om niets. Tot ik me realiseer dat e-mailwachtwoorden via verificatie toegang geven tot heel veel andere wachtwoorden. Het was een kwestie van tijd voor hij wel overal bij had gekund, beaamt Tigo. ‘Er is altijd een manier om een beveiligingssysteem te slopen.’

Tigo is vijf jaar jonger dan ik. Via de Wayback Machine, een website waarmee je ‘verdwenen’ website-pagina’s kunt terugroepen, laat hij zijn oude Hyves-profiel zien. Er verschijnt een klein jongetje met lichtblond stekeltjeshaar, dat toen niet heeft kunnen inschatten dat we tien jaar later nog naar hem zouden zitten staren. Ik vraag Tigo of hij mijn Hyves-pagina heeft kunnen vinden, maar mijn accountnaam bestaat niet meer. En dan herinner ik het me. Zodra ik een Facebook-account aanmaakte, in de tweede klas van de middelbare school, begon ik me dood te schamen voor mijn kinderachtige Hyves-profiel. Dat heb ik toen zo grondig als ik kon verwijderd. Foto’s die ik aan het internet had toevertrouwd, van mij met scheve kindertanden en sluik meisjeshaar, zijn dus echt voorgoed verdwenen. Teleurgesteld kijk ik naar de melding – page not found.


Met medewerking van Coen van de Ven