Interview Liesbet Ruben

Geen pretpark of disco

Liesbet Ruben werkt 25 jaar bij Tropenmuseum Junior, het eerste kindermuseum van Nederland. Ze zet tentoonstellingen op en schrijft er boeken bij. «Het is een misvatting te denken dat een tentoonstelling makkelijker te maken is als het publiek uit kinderen bestaat.»

In het Amsterdamse Tropenmuseum Junior is een tegelkunstwerk aan het groeien. De museummuren zijn bedekt met scènes uit de Shahnameh, een duizend jaar oud Perzisch epos van de dichter Ferdosi. In vage blauwe lijnen, als het voorgedrukte patroon voor een kruissteekborduursel, zijn elegante minia turen opgeblazen tot wandformaat. De zesduizend tegeltjes die erop horen worden in het tijdelijke atelier door kinderen uit heel Nederland beschilderd, met de precies voor die éne vierkante decimeter bestemde pigmenten en glazuur, en met de tong uit de mond. Over een jaar of twee moet het werk af zijn want dan is Paradijs & Co, de tentoonstelling over Iran, voorbij. Dan hebben duizenden kinderen in een onhandig ritme de trommels geslagen en gedanst, gevoeld hoe het is om gesluierd te gaan, in het nagebouwde theehuis kikkererwtenkoekjes gebakken, gekalligrafeerd, verhalen gehoord en een lied gezongen in het Farsi: «Mooie bloem, ga open liefje, het is lente». Al die kinderen hebben dan via al hun zintuigen iets meegekregen van Iran.

Het is de werkwijze van Tropenmuseum Junior — de kleine broer van het Tropen museum: altijd op zoek naar «vormen waarin voorwerpen, immateriële cultuur, verhalen, activiteiten en kinderen zo mooi mogelijk bij elkaar gebracht kunnen worden». Zo vat Liesbet Ruben haar werk samen. Als geen ander kan ze vertellen wat Tropenmuseum Junior wil, want ze is er al 25 jaar in dienst, nog steeds borrelend van enthousiasme, ideeën en verhalen. Ze werkte mee aan tentoonstellingen over Bali en Senegal, over de hooglandindianen uit Bolivia, de Australische Aboriginals en de Ghanese Ashanti- cultuur. Ze verbleef wekenlang in de betreffende landen om er ideeën, informatie en spullen te verzamelen.

Ruben bedenkt programma’s om schoolklassen en vrij publiek rond te leiden, coacht medewerkers, helpt met de interactieve website en schrijft met een collega de bij de tentoonstelling horende boeken. Die verschijnen in voor een informatief kinderboek ongekend hoge oplages en zijn ook van een op dat gebied weinig gebruikelijke kwaliteit. Eén titel kreeg een Zilveren Griffel, twee lagen er in het Stedelijk Museum tentoongesteld bij de Best Verzorgde Boeken. En het hele museum kreeg in 1997 de Museum of the Year Award van de Raad van Europa.

Boven Rubens werktafel hangt slordig uitgescheurd een van de redenen waarom men zich zou moeten abonneren op ’s lands grootste avondblad: «Omdat er 2788 keer meer buitenland is dan binnenland.» Precies dat maakt haar werk zo boeiend. Het heeft immers de hele wereld tot onderwerp en alle middelen van overdracht staan tot haar beschikking. Liesbet Ruben: «De grote uitdaging is om vanuit breed onderzoek uit te vinden welke informatie je het beste met welk medium kunt overdragen. De tekstbordjes met uitleg of de foto’s aan de muur zijn bij ons helemaal verdwenen. Sommige verhalen zijn geschikt voor het boek, andere meer voor de verteller in het programma of voor een activiteit waarbij je uitleg geeft, of voor de website. We geven ook gedanste informatie. Bij de tentoonstelling over de Aboriginals kwam een danser in kangoeroepak op. Een jager schoot het dier dood — waarop een jongetje ooit riep hoe zielig dat was voor het Wereldnatuurfonds — en dan danste de man uit het pak te voorschijn met kangoeroe bewegingen. Zo werd zichtbaar waar die traditionele dans vandaan komt.»

Na de middelbare school wilde Liesbet Ruben (1956) «iets met mensen» doen en kwam terecht bij de cultureel-werkopleiding van de Jelburg in Baarn: «Ik wandelde daar gewoon eens binnen. Degene die ik aansprak bleek de tuinman te zijn, maar dat maakte in die tijd niet zoveel uit. De leerlingen bepaalden wat er gebeurde en ik moest dus de groepen langs. Ik werd ontzettend moe van alle eindeloze discussies, maar er waren wel een paar goede docenten, waar ik apart afspraken mee maakte. Mijn stage liep ik bij de Amsterdamse Schoolbegeleidingsdienst, in de Taaldrukwerkplaats. Die hoorde bij een bibliotheek, gehuisvest in een kraakpand en voortgekomen uit buurtacties. Er zaten daar heel inspirerende mensen die vanuit Co van Calcars ideeën over onderwijsinnovatie aan het werk waren. We ontvingen scholen, werkten met boeken uit de bibliotheek, lieten kinderen hun eigen teksten maken en drukken en dan kwamen die verhalen weer in de bibliotheek te staan. Dat waren dus mijn eerste creatieve contacten met kinderen. Ik schreef er een werkstuk over en daar ben ik op afgestudeerd.

Bij mijn eindexamen zei de gecommitteerde dat hij het zo’n interessant verschijnsel vond dat ik geen enkel agogisch woord had gebruikt. Ik zou je er nu ook niet één meer kunnen noemen. Die woorden blijven je niet bij omdat ze eigenlijk niks betekenen en met die Taaldrukwerkplaats waren we juist bezig met taal die aansluit bij de ervaring van kinderen. Dat heeft wortel bij me geschoten, want nog altijd probeer ik de dingen zo concreet mogelijk onder woorden te brengen.

Waarschijnlijk zijn in mijn kindertijd ook wel aanzetten te vinden voor wat ik nu doe. Ik ben opgegroeid in een dorp vlak bij Venlo. We waren import en ik heb van kinds af aan gevoeld dat ik daar niet thuishoorde. Mensen zijn er enorm met elkaar en als je geen dialect spreekt doe je niet echt mee. Als kleine uk had ik mij al voorgenomen op de middelbare school Limburgs te gaan spreken, anders zou ik er nooit bij horen. Dat heb ik ook gedaan, maar ik bleef een Hollander en was vast besloten elk jaar over te gaan, om zo gauw mogelijk uit Limburg weg te komen.

Wat ons ook een geval apart maakte, was mijn enige zusje, dat zwaar gehandicapt was. Ons hele leven stond in het teken van haar. We gingen nooit op vakantie en de hele dagindeling was naar haar gericht. Ze ging uit huis toen zij twaalf en ik tien was. In de inrichting waar ze terechtkwam heb ik een grote variëteit van mensen gezien en als vanzelfsprekend in mijn leven meegekregen.»

In 1979 werd Ruben aangenomen bij Tropenmuseum Junior, het eerste kinder museum in Nederland. Dat bestond vanaf 1975, de tijd van het Jeugdjournaal en de eerste kinderboekenwinkel. De bedoeling was informatie te geven over migrantengroepen in ons land en aanvankelijk was het museum vooral een plek waar kinderen dingen konden bouwen en maken. Er werd bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar Marokkaanse motieven, om dat in een verhaal onder te brengen en dan met kinderen tegels en mozaïeken te gaan maken. Ruben herinnert zich dat de tentoonstellingen in het begin behoorlijk politiek getint waren: «Mijnwerkers kwamen in opstand tegen de dictator, gespeeld door de klassenonderwijzer. De kinderen hadden wij flink op zitten stoken en die stemden hem dan en bloc weg. Tegenwoordig zou ik het moeilijk vinden om op zo’n manier te werken, omdat ik meer oog heb gekregen voor de complexiteit van de werkelijkheid. Ook zijn we een beetje van onze rollenspelmethode afgestapt, want dan moet je oplossingen die kinderen bedenken honoreren en die staan soms haaks op wat we willen overbrengen. In de Suriname-tentoonstelling kregen kinderen een brandmerk als slaaf, maar zo’n stempel vonden ze prachtig en een jongen die een werkloze moest spelen vond het wel best om rustig in een hangmat te liggen.»

Ruben vertelt hoe vanaf het moment dat museummedewerkers ter voorbereiding gingen reizen vooral de persoonlijke verhalen een rol zijn gaan spelen: «Een voorwerp zegt niet veel zonder dat je weet wat het is, hoe het gebruikt wordt en wie het gemaakt heeft. Dat kan misschien in een kunst museum, maar wij zijn een volkenkundig museum. Over een werkelijkheid ver weg kun je niet in algemeenheden vertellen. Het gaat over mensen en ik wil in mensen individuen zien, met hun eigen, persoonlijke verhaal. Daarmee raak je ook makkelijker hart en ziel van je publiek. In de collectie van het grote museum zijn spullen vaak op allerlei manieren terechtgekomen, volkomen losgezongen van hun gebruik en hun verhaal. Maar ongeveer één procent is daar contex tueel verzameld, dat wil zeggen dat alles wat bij het voorwerp hoort mee verzameld is.

Vóór we op reis gaan, hebben we al een jaar lang onderzoek gedaan. Daarbij hebben we veel aan de wetenschap, want een goede wetenschapper verdiept zich zozeer dat de materie weer concreet wordt. Vaak worden ze gek van ons, omdat wij maar blijven vragen. Het is een grote misvatting te denken dat een tentoonstelling makkelijker te maken is als het publiek uit kinderen bestaat. Ik heb eerder het idee dat het moeilijker is, omdat je de zaken tot de essentie moet zien terug te brengen.

Voor onze Iran-tentoonstelling gebruiken we de oude verhalen uit het koningsboek de Sjahnameh en die hebben we samen met een emeritus hoogleraar uit Leiden bewerkt. Die had een vertaling gemaakt uit een Perzisch manuscript. En voor de Aboriginals voeren we op iemand die al dertig jaar onderzoek had gedaan bij één familie. Zonder hem hadden we zelfs nooit toegang gekregen tot het gebied. Het is geweldig om materiaal waar mensen al een heel leven mee bezig zijn te vertalen naar een spannend en leuk verhaal voor kinderen, zonder de complexiteit van die werkelijkheid geweld aan te doen. Dat is onze kunst.»

Als haar persoonlijke kracht ziet Liesbet Ruben dat ze niet zo gauw van iets staat te kijken: «Ik hou van verstoring en onverwachte wendingen. Ben op mijn best als mijn eigen organisatie onderuitgaat en ik moet improviseren. Bij het draaien van een gloednieuw programma viel de elektriciteit eens uit en hebben we ter plekke iets verzonnen met zaklampen. Ik voel me bijna opgelucht als de dingen niet gaan zoals ik gedacht had en als de werkelijkheid in een land dingen oplevert die we uit geen enkel onderzoek naar boven hadden gekregen. Ik kwam ooit in Hongkong, waar veel te veel mensen in een piepklein flatje hokten. Oma woonde op het balkon van een vierkante meter. Vroeg ik aan een dochter of ze daar nu niet gek van werd, en haar antwoord was: ‹When I am alone I feel sad.› Door die familie werden we mee uit genomen voor een fantastische en copieuze Chinese maaltijd. Al die mensen hadden wel een goed inkomen, ook al woonden ze daar opgepakt. Ik had zo een zielig verhaal kunnen schrijven over dat te kleine woninkje, maar dat zou niet geklopt hebben. De dingen zijn altijd anders dan je verwacht.»

Anders dan vaak gedacht wordt gaat het in Tropenmuseum Junior niet uitsluitend over kinderen: «Wij gaan ervan uit dat die niet alleen geïnteresseerd zijn in kinderen elders, maar in het leven waar kinderen deel van uitmaken. In de landen waar we op onderzoek gaan bestaat ook veel minder een aparte kinderwereld dan hier. Wij proberen de wereld ver weg altijd te presenteren met de vanzelfsprekendheid van dat leven zelf. We treden nooit in vergelijkingen als: dat is heel anders dan bij ons. Dat laten we aan de bezoeker over en kinderen komen dan met iets wat wij nooit zouden kunnen verzinnen. Bij de Bali-tentoonstelling werd op de gamelan ge speeld. Toen we een jongetje complimenteerden, zei hij dat hem dat zo gemakkelijk afging omdat hij ook van een eiland kwam, namelijk Marken, en een ander vertelde dat zij zo goed in de maat was omdat haar moeder ook van de maat was. Die werkte in een lingeriezaak en was dus van maat 75-B of 80-C.

Ik zou nooit alleen voor volwassenen willen werken. Wanneer ik die rondleid zijn hun reacties tamelijk voorspelbaar. Ze brengen wat ze zien en horen onder in een bestaand hokje en dat zet veel op slot. Bij kinderen zijn de dingen van duizenden kilometers ver even nieuw en vanzelfsprekend als die van dichtbij. En kinderen zijn zoveel minder saai dan volwassenen. Als ik nu in het Iraanse theehuis soep met ze sta te koken en naar aanleiding van een voorafgaand programmaonderdeel vraag of ze wel eens hebben moeten kiezen tussen goed en kwaad, dan komen er heel authentieke antwoorden. Met volwassenen is zoiets ondenkbaar, ook omdat de code nu eenmaal is dat we elkaar dat soort vragen niet stellen.»

Tijdens haar jaren bij het museum heeft Ruben het cultuuraanbod voor kinderen gigantisch zien groeien. Toch blijft het haar uitgangspunt om kinderen te boeien via de inhoud: «We zullen nooit kunnen concurreren met een pretpark en zijn niet van plan om hier een Iraanse disconacht te organiseren. We proberen altijd het patroon waarin kinderen binnenkomen te doorbreken. Daarom moeten ouders ook elders in het museum hun heil zoeken en een onderwijzer geven we altijd een rol in het geheel, want die mag niet juffen of meesteren. We willen kinderen zo snel mogelijk een andere werkelijkheid binnenloodsen en naar de concentratie die daarvoor nodig is. We overdonderen ze met ons programma en laten ze weinig keuzes. Dat past niet zo in de tijdgeest, want er wordt veel met ze onderhandeld. Ik denk dat het onveiligheid geeft als kinderen betrokken worden in keuzes die ze eigenlijk nog niet kunnen maken. In de kleuterklas moest mijn dochter ooit al stemmen over IJburg ja of nee. Dan zei een moeder: ‹Dat is zielig voor de eendjes› en dan was de hele groep tegen. Dat leidt tot volwassenen die denken dat ze meningen kunnen geven over dingen waar ze nauwelijks over geïnformeerd zijn.

Wij willen kinderen leren dat het de moeite waard is je in een ander te verdiepen. Dat lijkt me in deze wereld meer dan ooit nodig. In dat licht vind ik het onbegrijpelijk dat de Raad voor Cultuur het niet nodig acht ons werk nog te subsidiëren. Achtergrondartikelen in de krant hebben het voortdurend over de noodzaak elkaar beter te informeren, te weten waar het eigenlijk om gaat in de wereld, om zo het wij-zij-denken enigszins te kunnen nuanceren. Het is niet zo dat kinderen zich bij ons echt kunnen identificeren met hun leeftijdgenoten elders, maar een Schagense bollewangenhapsnoet met een hoofddoek op ziet er voor haar groep wel ineens totaal anders uit. Kinderen wijzen op een foto een pikzwarte man aan met de mededeling ‹ik was die›, omdat ze hetzelfde instrument bespeelden. Eigenlijk is het participerende observatie, wat de antropologen leren in hun veldwerkonderzoek. Door het doen leer je meer van binnenuit dan door alleen maar van buitenaf te kijken.»

In de afgelopen 25 jaar is Ruben geen werk tegengekomen dat haar méér aantrok: «Op de wereld raak je natuurlijk nooit uitgekeken en op kinderen ook niet, zolang er maar niet te veel verwende apen tussen zitten die met de tulbanden gaan voetballen. Ik heb hier een grote vrijheid en krijg veel vertrouwen. Ik zit sinds kort in de tentoonstellingscommissie van het Tropenmuseum, ga daar mee het beleid bepalen. Daaraan zie je ook dat wat hier ontwikkeld is in de afgelopen dertig jaar meer een plaats krijgt in de museumwereld voor volwassenen. De Unesco heeft onlangs een conventie opgesteld over intangible heritage. Ook de immateriële cultuur bestaande uit muziek, dans, verhalen, kennis en ceremonies moet beschermd worden. Dat doen wij al vanaf het begin van ons werk. Ik geloof in de weg die we gaan en heb altijd gedacht: als we nu geen gelijk hebben, dan krijgen we het wel.»

Tentoonstelling: Paradijs & Co. Tot begin 2006 in Tropenmuseum Junior, Linnaeusstraat 2, Amsterdam. Voor individueel publiek elke woensdag, weekend- en vakantiedag. Reserveren raadzaam: 020-5688233, www.tropenmuseumjunior.nl

Boek: De Paradijsstraat, door Liesbet Ruben en Babette van Ogtrop. KIT Publishers, € 15,-. Ook verkrijgbaar bij de boekhandel.