Geen recensentenboeken

Uitgeverij Meulenhoff komt in de herfst met een vertaling van Wenn ich einmal reich und tot bin. In de loop van volgend jaar verschijnt de vertaling van Land der Vater und Verrater. In de eerste week van juni is Maxim Biller in Nederland, onder andere in het Goethe-instituut te Rotterdam.
Maxim Biller, Wenn ich einmal reich und tot bin. Uitg. Kiepenheuer & Witsch, 1990, geb. 276 blz. f48,70; pap. 216 blz., f19,25; Land der Vater und Verrater. 400 blz., f52,15
UIT DE MOND van Julie, een Praagse kunsthistorica met naar verluidt zeer grote en zeer wilde ogen, wil de journalist Biller in 1989 horen hoe de Pragenaren de stille revolutie nu werkelijk ervaren. Maar als hij merkt dat zij net als hij joods is, raakt hij in de ban van haar achtergrond, haar geschiedenis, haar wezen. Eenmaal terug in Duitsland heeft hij het afkeurend over ‘maranenkitsch’ en weet hij zich met zijn gevoelens van schaamte geen andere raad dan er fictie van te maken: een kort verhaal in plaats van een reportage. In de maanden daarvoor heeft hij - beroepsmatig maar ook persoonlijk op zoek naar zijn wortels - andere centra van joodse geschiedenis bezocht om er krantenstukken over te schrijven: het achtste district van Boedapest, de streek rond Birkenau en de berg Carmel bij Haifa waar vrouwen in plat Berlijns praten over de intifada. Ook die reportages zullen op de een of andere manier veranderen in korte verhalen.

HET IS EEN wijd verbreid misverstand te geloven dat het er rustig aan toegaat in de Duitse literatuur. Er gebeurt veel, en net als bij ons zit er bij de stapel boeken zo nu en dan opwindend werk. De historische grensverschuiving die het gevolg was van de eenwording, heeft de van oorsprong Oostduitse schrijvers in een andere culturele wereld neergezet, die zij op hun beurt sterk beinvloeden en verrijken. Wolfgang Hilbig is een voorbeeld op het gebied van het proza; Durs Grunbein en Uwe Kolbe sturen de Duitse poezie een andere, expressionistischer kant op, en onlangs slaagde de Oostduitser Reinhard Jirgl (1953) er met zijn boek Abschied von den Feinden in de literaire goegemeente te bewegen tot het uitreiken van de kwalificatie ‘meesterwerk’.
En er komt meer uit het oosten. Zo slaat de in Praag geboren Maxim Biller (1960) al enige jaren wild om zich heen. De auteur ontketende onder andere een stellingoorlog waarin de volledige Duitse literatuur gezapigheid en steriliteit verweten werd.
In 1990 verscheen van Biller Wenn ich einmal reich und tot bin, een bundel verhalen rond het thema hedendaags jodendom in Duitsland. En jaar daarvoor was van Irene Dische het ook in het Nederlands vertaalde Fromme Lugen verschenen, met een verwante thematiek. Het boek van Biller werd met gemengde gevoelens ontvangen, omlaaggeschreven door de een, tot 'sensatie van het seizoen’ bestempeld door de ander. Het probleem van Billers verhalen, ook die uit zijn vorig jaar verschenen bundel Land der Vater und Verrater, is dat ze rauw en onbewerkt op het papier lijken te zijn gesmeten. Aan stilistische finesse lijkt de schrijver geen boodschap te hebben. Hij heeft een uitgesproken hekel aan de schrijvers uit de Suhrkamp-school, die literatuur volgens hem voornamelijk zien als een aan zichzelf refererende constructie, gespeend van elk realisme en vooral bedoeld voor zelfgenoegzame mijmeringen over de grote crisis waarin de literatuur is beland. Het moet maar eens uit zijn met 'die hele Pynchon-Calvino-Arno-Schmidt-troep’, vinden Biller en consorten.
Dit soort meningen ventileerde Biller in 1991 in een artikel onder de veelzeggende titel: 'Evenveel zinnelijkheid als de plattegrond van Kiel: Waarom de nieuwe Duitse literatuur niets zo nodig heeft als het realisme’. Biller introduceerde daarin de term 'recensentenboek’, waarmee hij de critici verweet medeplichtig te zijn aan die verfoeide literatuur die nergens meer over gaat behalve over de onmogelijkheid uberhaupt nog literatuur uit de pen te krijgen. En academici doen daar vrolijk aan mee, zegt Biller. Dat klinkt ons hier in Nederland ook bekend in de oren. Het artikel was goed voor een fel 'realismedebat’.
Biller stelt het woekerende academische exorcisme aan de kaak, waarmee elk leven, alle werkelijkheid, elk streven naar communicatie uit de literatuur werd gedreven. Billers poging de literatuur - en meer in het bijzonder de 'echte’ roman - te redden, ging vergezeld van een roep om meer hardcore-journalistiek in de literatuur en een oproep aan de schrijvers niet meer a la Handke eenzelvig te flaneren. Ze moesten meer vertellen en meer naar buiten: de dirty places in de wereld opzoeken 'waar er geen verschil meer is tussen een dodelijke beet en een kus’. Als voorbeelden gelden niet de moderne klassieken, maar Amerikanen als T. Coraghessan Boyle en Cormac McCarthy.
WAT BILLERS WERK zelf betreft moeten we ook denken aan Philip Roth en Saul Bellow. Zijn verhalen lijken dan snel in elkaar getimmerd te zijn, van gebrek aan kleur en werkelijkheid (een linke term, ik weet het) is geen sprake. Een criticus raakte de kern van de zaak toen hij over Billers debuut vaststelde dat de schrijver tot aan zijn nek in een 'overkokende gevoelsketel’ zat en heen en weer werd gesleurd tussen loyaliteiten en de drang werkelijkheid af te beelden, 'zo schril en onopgesmukt dat ze ook zonder satirische intentie soms het effect heeft van een karikatuur’. Biller zet zijn veelal joodse personages vlijmscherp neer, tactloos zou je kunnen zeggen, maar in ieder geval met veel drive. En het karikaturale wordt weer gecompenseerd doordat de personages achtergrond en diepte krijgen. Gebeurtenissen worden gekoppeld aan levensgeschiedenissen, met een enorme vaart en concentratie, en door die historische dimensie vervallen de verhalen niet in cliches.
Mij trof bij het lezen meer dan eens de klap die de schrijver aan het eind van zijn verhalen weet uit de delen - genadeloos voor de personages en genadeloos voor de lezer die op loutering en verlossing uit is. De kunsthistorica Julie uit Praag blijkt aan het eind van het verhaal 'Hanna wartet schon’ een afstotelijke dwergachtige studente, die uit een dekenkist een menora en een haggada te voorschijn haalt en zo haar identiteit onthult.
Het verhaal staat in de tweede Biller-bundel en deze bevestigde voor mij het belang van de auteur. Van het eerste boek (met een titel ontleend aan het bekende lied van Tevje de melkman 'Als ik toch eens rijk was’) is vooral het verhaal 'Harlem Holocaust’ indrukwekkend. Het gaat over een professor in de linguistiek te New York die moderne, ingewikkelde literatuur schrijft over een holocaust die hij voornamelijk kent uit de verhalen van een neef. De cynische schrijver heeft geen succes in eigen land, maar wel in Duitsland, waar zijn vertaler Rosenhain woont, een filosemiet met een politiek besmette familie. Rond deze twee personages is de ik-persoon verwikkeld in zijn eigen verhaal, waarmee hij aan de confrontatie tussen vertaler en auteur zijn eigen schokkende waarnemingen toevoegt.
In Land der Vater und Verrater is het openingsverhaal 'Ein trauriger Sohn fur Pollock’ buitengewoon sterk en opvallend. Het heeft vele dimensies - geen stilistische dimensies of inhoudelijke lagen, maar verhalende: de concrete verwikkelingen van de personages, hun achtergronden en onderlinge verhoudingen. Een schrijver, voormalig communist, heeft de maatschappelijke ondergang van de vader van de ik-persoon op zijn geweten, dat heeft de ik-persoon althans altijd gedacht. Als hij in zijn functie van redacteur de autobiografie van deze schrijver ter beoordeling krijgt voorgelegd, ontbreekt daarin het hoofdstuk over zijn vader. Dat speelt in Moskou, in de oorlogsjaren, en blijkt zoveel verband te hebben met zijn eigen leven dat dat prompt in een ander licht komt te staan en drastisch verandert. De redacteur zoekt zijn vader, die hij door de scheiding van zijn ouders lang niet gezien heeft, weer op. Wat hij zoekt, is wat is veranderd: de vader, diens verhaal, diens leven. Als hij om het huis dwaalt, ziet hij voor het eerst zijn halfbroertje David. Daarmee eindigt het verhaal, en je zou kunnen zeggen dat het typisch Biller is om te eindigen met een dimensie die op zich een geheel nieuw verhaal bevat.
Een ander sterk verhaal is het titelverhaal van de tweede bundel, over een echtpaar dat uit Rusland emigreert naar Israel. Ook hier weer die vermenging van voor- en nageschiedenissen, waardoor Biller zijn personages in het ene licht tot slachtoffer maakt en in het andere tot dader. Oplossingen voor het leven zijn er niet, en waar de rust lijkt te zijn weergekeerd na een leven vol drama, begint iets anders dat verre van harmonieus is. In dit concrete geval betekent dat het einde van de langdurige relatie tussen de twee Russische joden.
Aan Biller moet je wennen. Het is niet allemaal even sterk wat hij doet, maar hij zorgt voor leven en discussie. En het is altijd goed weer te horen dat een van de belangrijkste kenmerken van een mensenleven zijn ongrijpbaarheid is.