Geen rechten maar plichten

VOOR WIE HET nog niet weet, we leven in het tijdperk van de reactie. De rem moet er op, we moeten gas terugnemen, we zijn te ver doorgeschoten - zo klinkt het allerwegen.

Momenteel lijken de bomen echter weer tot in de hemel te groeien, dus deze boodschap komt niet meer over. Vandaar dat de strijd nu op andere terreinen wordt uitgevochten, bij voorkeur op dat van de waarden en normen. Geweld, porno, allerhande verslavingen - het zijn uitwassen van een samenleving die veel te lang veel te tolerant is geweest. De burgers zijn verwende kinderen geworden.
De verwende burger is nooit meer tevreden. Hij is van mening dat hij op alles wat het leven aangenaam of de moeite waard maakt, recht heeft. Recht op een woning, recht op werk, recht op onderwijs, recht op een kind, recht op gezondheid, recht op geluk, en ga zo maar door. De burger vindt dat hij een ongelimiteerde hoeveelheid rechten heeft, waarop hij aanspraak kan maken. Dat tegenover rechten ook plichten staan, daar hoor je de burger minder vaak over. Zonder plichten komen rechten evenwel in de lucht te hangen, worden het loze kreten en onvervulbare verlangens. De hieruit voortspruitende onvrede vreet het cement weg uit de voegen van onze samenleving.
Vandaar dat een groep verontruste en afgezwaaide staatslieden de handen ineen heeft geslagen en tegenover de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een dito verklaring over de plichten van de mens heeft gesteld. In Die Zeit van 3 oktober jongstleden verscheen deze verklaring, ingeleid door Helmut Schmidt en ondertekend door onder meer Dries van Agt, Filipe Gonzales, James Callaghan, Valéry Giscard d'Estaing, Simon Peres en Franz Vranitsky. Door de nadruk te leggen op de rechten van de mens is de eigen verantwoordelijkheid op de achtergrond gedrongen, aldus deze wijze mannen. Bovendien, in veel culturen is deze nadruk op rechten helemaal niet vanzelfsprekend, en spelen plichten een veel belangrijker rol. Als we de door Samuel Huntington voorspelde clash of civilizations willen voorkomen, dan zullen we ons moeten aanpassen.
HET ZIJN NIET alleen gepensioneerde politici die dit evangelie verkondigen. Ten onzent heeft Wim Kok onlangs een voorzet gegeven door het recht op een ‘vaste baan’ op de helling te zetten. Ook de nieuw aangetreden regering van het Verenigd Koninkrijk heeft de noodklok geluid. Op het eind september gehouden Labourcongres preekte Tony Blair: 'Een beschaafde samenleving is niet gebaseerd op rechten, maar op plichten; onze plichten ten opzichte van elkaar, en de plicht om respect en verdraagzaamheid te tonen. Mijn tolerantie ten opzichte van misdaad is nul.’
Wat betreft pretenties en nauwelijks in te lossen beloften lijkt het New Labour van Blair op de Labour Party die we van vroeger kennen. Maar inhoudelijk is er sprake van een culturele revolutie. In de pogingen om deze ideologische reuzenzwaai te timeren wordt dan ook geen beroep gedaan op de klassieke socialistische auteurs. Een denker die wel veelvuldig en met instemming wordt geciteerd, is Edmund Burke. En dat mag toch wel opmerkelijk heten, aangezien Burke, wiens tweehonderdste sterfdag dit jaar werd herdacht, immers bekend staat als de aartsvader van het Britse conservatisme. In een bespreking van recente Burke-literatuur (Sunday Times, 27 juli 1997) gaf Michael Portillo, onder John Major minister van Defensie, een uitvoerige opsomming van linkse en rechtse politici die zich op Burke beriepen en concludeerde: 'Politicians with an axe to grind like to have Burke on their side.’
Burke is vooral bekend als de schrijver van de uit 1790 daterende Reflections on the Revolution in France. Daarin opende hij frontaal de aanval niet alleen op de Franse Revolutie, maar tevens op de denkbeelden van de Verlichting. We hebben hier dus, zo lijkt het, te maken met een verstokte vijand van de moderne samenleving, een reactionair die terug wilde naar de standenmaatschappij van het ancien régime, met een tegenstander van individualisme, democratie en mensenrechten. Bovendien, werd Burke in het eerste deel van Das Kapital niet gekenschetst als een huurling? En stemt het niet tot nadenken dat Groen van Prinsterer hem in geloof en revolutie zo enthousiast aanhaalde?
Was Burke wel zo'n conservatief? Heeft hij ons, aan de democratie gehechte burgers, werkelijk niets te vertellen? Waarom beroepen in Engeland zowel de verpletterde en vernederde Tories als het zegepralende New Labour zich op deze vinnige mopperaar uit de pruikentijd?
Burkes reputatie als ultraconservatief berust inderdaad op zijn Reflections. Toen hij deze briljante tirade schreef, was hij eenenzestig en had hij een indrukwekkende loopbaan als politicus en publicist achter de rug. Op grond van zijn optreden in het parlement en zijn geschriften van vóór 1790 is Burke onmogelijk te typeren als een reactionair of glibberige opportunist.
BURKE WERD OP nieuwjaarsdag 1729 geboren in Dublin. Zijn vader was een jurist die zich kort daarvoor had bekeerd tot het anglicaanse geloof. Vrijwel zeker was deze toetreding tot de Church of England niet het gevolg van een religieuze ervaring, maar eenvoudig een kwestie van economische noodzaak. Burkes moeder en de rest van zijn familie bleven de roomse moederkerk trouw. Edmund zou zich zijn hele leven inzetten voor de emancipatie van de zwaar gediscrimineerde en onderdrukte Ierse katholieken.
Evenals zijn vader ging Edmund rechten studeren. Literatuur en wijsbegeerte trokken hem evenwel meer dan het herkauwen van wetsteksten en aanvankelijk leek hij zich te ontwikkelen tot een man of letters.
Van zijn pen kon Burke echter niet leven. Na tal van baantjes en financiële avonturen belandde hij in de politiek. Hij werd secretaris van Whig-leider Rockingham en in 1765 werd hij lid van het Lagerhuis. Na Burkes maiden speech verklaarde Tory-leider William Pitt de Oudere dat het Lagerhuis zich mocht feliciteren met dit nieuwe lid, dat had gesproken 'in such a manner as to stop the mouths of all Europe’. Hoewel Burke slechts tweemaal een, vrij ondergeschikte, regeringspost heeft bekleed, was zijn invloed op de politiek van zijn tijd zeer groot. Zijn welsprekendheid, vlijmscherpe pen en brede en diepgaande kennis maakten hem tot een politiek zwaargewicht. Zijn felle en emotionele karakter was er, naast zijn bescheiden afkomst en geringe financiële middelen, de oorzaak van dat hij nooit een echte machtspositie kreeg.
Burke drukte zijn stempel op tal van politieke kwesties in zijn tijd. Zijn Thoughts on the Cause of the Present Discontents was een felle aanval op pogingen van George III en diens hofhouding om de invloed van de Kroon te vergroten. Burke speelde een belangrijke rol bij het organiseren van de Whigs tot een echte en hechte politieke partij. Hij was een groot voorstander van de onafhankelijkheid van parlementsleden, die 'zonder last of ruggespraak’ het algemeen belang moesten dienen. Zelf kostte hem dat zijn parlementszetel, toen hij standpunten innam die ingingen tegen de belangen van de kooplui van Bristol.
In tal van concrete kwesties nam Burke tegendraadse standpunten in. Zo verklaarde hij zich voor de Amerikaanse onafhankelijkheid en voor autonomie van Ierland, en bepleitte hij afschaffing van de doodstraf voor homoseksuelen. Jarenlang voerde hij een politieke guerrilla tegen Warren Hastings, de gouverneur-generaal van de East India Company, wegens wrede onderdrukking en mateloze uitbuiting van de Indiase bevolking. Gemeten naar de maatstaven van de achttiende eeuw was Burke dus een zeer liberaal politicus. Hij was de leermeester van de belangrijkste Whig-politicus uit die jaren, Charles James Fox. In zijn grandioze biografie van Burke, The Great Melody (1992), kenschetst Conor Cruise O'Brien de relatie tussen Burke en Fox als zeer exceptioneel, zo niet uniek: 'Burke was to play second fiddle to a first violin he himself had trained’. De breuk tussen Burke en Fox, in mei 1791, staat bekend als een van de meest emotionele gebeurtenissen in de toch al roerige geschiedenis van het Britse parlement.
WAT DEZE breuk voor de buitenwacht zo dramatisch maakte, was dat zij zo onbegrijpelijk leek. Burke was altijd de voorvechter van vrijheid en het recht op zelfbeschikking geweest, maar toen Fox en andere progressieve politici hun enthousiasme voor de Franse Revolutie kenbaar maakten, haakte Burke af. Tot verbijstering van velen had Burke zich vanaf het begin tegen de Franse Revolutie gekeerd. In de herfst van 1789 schreef een jonge Franse kennis van Burke een brief, waarin hij hem om zijn mening over de gebeurtenissen in Frankrijk vroeg. Het op zich al omvangrijke antwoord dat Burke schreef, groeide uit tot de roemruchte Reflections, welk boek verscheen op 1 november 1790. Het was onmiddellijk een bestseller maar werd tegelijkertijd fel bestreden door radicalen als Mary Wollstonecraft en Thomas Paine. De laatste schreef zijn fameuze Rights of Man als reactie op de Reflections van de man die hij altijd zo had bewonderd. Thomas Jefferson schreef dat 'de revolutie in Frankrijk mij minder verbaast dan de revolutie in meneer Burke’, en Paine kon geen andere verklaring voor deze ommezwaai bedenken dan dat Burke zich had laten omkopen.
Toch was van een echte wenteling in het denken van Burke helemaal geen sprake. Het verschil tussen hem en Paine was niet de tegenstelling tussen conservatief en progressief, tussen idealen die lijnrecht tegenover elkaar stonden. Het verschil zat in de manier waarop die idealen gemotiveerd en gerealiseerd konden worden. Om met het eerste te beginnen, Burke wees zonder meer het bestaan van 'universele’ rechten af: 'I hate the very sound of them’. Het was een metafysische categorie, die alleen maar kon leiden tot onoplosbare conflicten. 'De kleine catechismus van de rechten van de mens is snel geleerd’, schreef Burke. Maar hoe zit het met de consequenties? Als twee partijen bepaalde verlangens hebben, kan daarover gepraat worden, is een compromis denkbaar. Als ze menen te beschikken over rechten, betekent dat dat een van de twee door de knieën moet, waarmee de kiem voor een toekomstig conflict alweer ontstaan is. Concrete rechten maken deel uit van de geschiedenis en traditie van een samenleving en zijn zelden het resultaat van fraaie beginselen, maar bijna altijd van machtsstrijd. Daarom zijn ze nooit zonder meer toepasbaar op andere samenlevingen. Bovendien, Burke behoort - evenals Hobbes, Spinoza, Locke, Kant en Mill - tot die klassieke politieke denkers die zich bij hun verdediging van maatschappelijke vrijheden niet beriepen op de individuele mens als ultieme waarde. Het ging bij hen om de samenleving als geheel, om sociale vrijheid die gerealiseerd moest worden met behulp van de wetten en de staat.
Vrijheid en rechtvaardigheid waren voor Burke net zomin loze kreten als voor Thomas Paine, alleen was Burke ervan overtuigd dat deze zaken niet overnight gerealiseerd konden worden. Anders dan Paine en de Franse revolutionairen geloofde Burke er niet in dat de revolutie zorgde voor een tabula rasa, waarop met forse streken de contouren van een ideale samenleving geschetst konden worden. Burke wilde gematigde en behoedzame hervormingen. Alleen, en daarom wonden velen zich zo op, hij gebruikte allesbehalve behoedzame woorden. Burke ging als een razende tekeer tegen de Franse halsafsnijders en toekomstige moordenaars. Hierdoor werd hij enthousiast verwelkomd door conservatieven, terwijl de liberalen zich van hem afkeerden.
DE REFLECTIONS werden geschreven op een moment dat de revolutie zich in betrekkelijk rustig vaarwater bevond. Niettemin werden de terreur, de revolutionaire expansie-oorlogen en de staatsgreep van Napoleon er reeds in voorspeld. Burke voorzag hoe het abstracte Verlichtingsdenken uitmondde in een totalitaire politiek waarin mensen werden opgeofferd voor een vaag maar verheven ideaal. De mensen zouden met geweld het paradijs in worden gedreven, en met iedereen van wie slechts vermoed kon worden dat hij hier tegen zou zijn, zou worden afgerekend. Burkes profetie van het verdere verloop van de Franse Revolutie laat zich ook lezen als een commentaar op driekwart eeuw communisme.
Maar ook is er in de geschriften van Burke veel te vinden dat wij, inwoners van de westerse democratieën, ons mogen aantrekken. Is het denken in termen van universele rechten inderdaad niet te veel doorgeschoten? In zijn Edmund Burke and Our Present Discontents geeft de Britse journalist Jim McQue niet alleen een adequate samenvatting van Burkes denkbeelden, ook trekt hij daaruit de consequenties voor het heden. Dit resulteert in een woedende maar eloquente tirade tegen het Europese federalisme, het Verdrag van Maastricht, de constitutionele plannen van Labour, het ongeremde en schaamteloze kapitalisme, de staatsloterij, de opmars van de 'tabloid democracy’, de losse seksuele moraal, het gratis verstrekken van condooms op plaatsen waar homoseksuelen elkaar ontmoeten, en het homohuwelijk.
McQue lijkt hierin heel wat reactionairder dan Burke, draaft eigenlijk net zo door als zijn grote voorbeeld toen deze Marie Antoinette omschreef als de 'most delightful vision’ op deze aarde. En toch blijven Burkes sceptische benadering van rechten, zijn nadruk op het belang van geschiedenis en traditie, zijn afkeer van abstract getheoretiseer, zijn opvattingen over de parlementaire democratie en de letterlijk voorbeeldige wijze waarop hij politiek bedreef, van grote waarde. Zijn werk lijkt actueler dan ooit, maar zou hij ook zijn naam hebben gezet onder de door Helmut Schmidt en consorten opgestelde Universele Verklaring van de Plichten van de Mens? Het is weer zo'n abstractie, een nieuwe metafysische categorie die geen rekening houdt met de verschillen tussen culturen en samenlevingen. Het is het achttiende-eeuwse Verlichtingsdenken in een driedelige krijtstreep. Burke zou er tegen hebben gefulmineerd, tenminste als hij na twee eeuwen van gruwelen die voortkwamen uit het niet luisteren naar zijn waarschuwingen, de moed niet allang had opgegeven.