Geen remedie voor de wereld

Judas, de nieuwe roman van Amos Oz, gaat traag van start. Oz schijnt te denken dat zijn lezers nog een beetje slapen.

Hij introduceert zijn personages op z’n negentiende-eeuws met uitgebreide beschrijvingen van hun uiterlijk en lijkt een paar regels verder alweer te zijn vergeten dat hij iemands ‘dikke, grijze snor’, respectievelijk ‘Einstein-snor’, al eens eerder zo heeft getypeerd. Minstens tien keer lezen we dat deze man zich op zijn kamer ‘zonder krukken, uitsluitend met de spierkracht van zijn armen en schouders’ een weg baande van het ene meubelstuk naar het andere. Ook krijgen zijn siervissen zo vaak ‘te eten’ dat die arme beestjes halverwege het boek al lang morsdood hadden moeten zijn.

Een paar keer stond ik, kortom, op het punt de pijp aan Maarten te geven. Kennelijk kon ook de grote Amos Oz, auteur van een omvangrijk en ambitieus meesterwerk als Een verhaal van liefde en duisternis en een ontroerende verhalenbundel als Onder vrienden wel eens een offday hebben. Toch las ik door, en gaandeweg bekroop me het gevoel dat ik te vroeg had geoordeeld. Niet dat er stilistisch opmerkelijke veranderingen hadden plaatsgevonden, nog steeds was het verteltempo traag en waren de beschrijvingen omslachtig, maar misschien, dacht ik, wilde hij daarmee een soort rituele ernst bewerkstelligen die bij de tragiek van de aangesneden thema’s past. Ik verloor hoe dan ook mijn scepsis. Zelfs over het bijschrift bij een poster van Che Guevara, ‘de Argentijnse arts’, of het cliché bij de introductie van de vrouwelijke hoofdpersoon, ‘haar betoverende bruine ogen’, struikelde ik niet meer. Definitief voor de bijl ging ik bij het eerste lange fragment over Jezus, hoewel ook dat veel weg heeft van een scriptie – wat het dan ook blijkt te zijn.

Medium oz 2c 20amos 20 c  20uzi 20varon

Om precies te zijn: de niet afgemaakte scriptie van de hoofdpersoon, Sjmoeël Asj, een in alle opzichten onaf personage: hij heeft zijn studie afgebroken, is door zijn vriendin aan de kant gezet, is vervreemd van zijn ouderlijk huis en zou Israël hebben verlaten als hij niet plots zou zijn aangetrokken door een advertentie die hem de mogelijkheid van een time-out bood. Zo komt hij terecht in het huis van een curieuze oude man, Wald geheten – die met de snor, en een minstens zo curieuze vrouw van 45, Atalja. Vooralsnog is het onduidelijk welke relatie er tussen die twee bestaat, dat ze geen paar vormen is wel al gauw duidelijk. Al het onderlinge verkeer vindt plaats op basis van strikte afspraken. Hun huis is er een vol geheimen, er is de voortdurende suggestie van vreselijke gebeurtenissen waarover niet kan worden gepraat.

Judas is thematisch een overvol boek. Misschien heeft dat besef Oz ertoe gebracht rustig te beginnen en de lezer niet al meteen voor hoogst complexe situaties te plaatsen. Er zijn minstens drie, uiteindelijk onderling verbonden thema’s. Enigszins geforceerd zou je allereerst kunnen spreken van een liefdesgeschiedenis, geforceerd omdat het na lang om elkaar heen draaien van Sjmoeël en de twintig jaar oudere Atalja weliswaar komt tot fysiek contact maar van liefde kan moeilijk en van erotiek helemaal niet gesproken worden. De redenen voor haar berekenende kilte laten zich raden, maar als ze worden onthuld komt dat toch aan als een mokerslag.

‘Als iemand mij komt vertellen dat hij van alle onderdrukte volkeren houdt, dan is dat geen liefde, maar mooipraterij’

Het boek speelt in Jeruzalem, in 1959. Sjmoeël, zelf aanvankelijk idealist en ‘revolutionair’, verdiept zich in de bibliotheek in kranten verschenen tussen juni ’47 en februari ’48, de tijd van de stichting van de staat Israël en de Onafhankelijkheidsoorlog. Dat is het tweede belangrijke thema. De contraire betrokkenheid van de diverse personages bij die nog altijd fel omstreden geschiedenis levert de verklaring voor de geheimzinnige en bovenal intens verdrietige en teleurgestelde sfeer in het huis van Wald.

Sjmoeël is op zoek naar de rol van Atalja’s inmiddels overleden vader, indertijd een radicaal tegenstander van Ben Goerion, de stichter van de staat Israël. Hij predikte de universele liefde, joden en Arabieren zouden met gemak kunnen samenleven, voor staten zag hij geen plaats, zeker niet op basis van etniciteit of religie. Zijn lot is pijnlijk. Aangezien joden en Arabieren evenzeer slachtoffer waren van het christelijke Europa, meende hij, zou dat een stevig historisch fundament moeten zijn voor een relatie van sympathie en begrip. Maar dat hooggestemde ideaal, dat trouwens nog geen garantie vormde voor een liefdevolle omgang met zijn eigen dochter, viel met de oorlog definitief in puin. Voortaan gold hij als verrader.

Wald is veel sceptischer. Hij denkt dat een mens maar van een beperkt aantal mensen kan houden, ‘misschien tien, soms zelfs vijftien. (…) Maar als iemand mij komt vertellen dat hij van alle onderdrukte volkeren houdt (…), dan is dat geen liefde, maar mooipraterij. Lippendienst. Een leus.’ Hij was op grond van alleszins begrijpelijke historische redenen voor een joodse staat. Ben Goerion is voor hem een grootheid, ‘een van de grootste staatslieden in de wereldgeschiedenis.’ Na de Onafhankelijkheidsoorlog, als beide mannen in hetzelfde huis komen te wonen, zijn ze ‘lamgeslagen’, ze discussiëren niet langer met elkaar. Atalja’s vader sterft in totale, sprakeloze eenzaamheid.

Het derde thema betreft de verhouding tussen Jezus en Judas, voor mij het verrassendste deel van de roman. Het blijkt, op grond van talrijke historische bronnen, mogelijk finaal anders te liggen dan in de hele christelijke overlevering werd gedacht. Judas was geen verrader, hij was Jezus’ trouwste volgeling, zonder hem zou er zelfs nooit een christendom zijn geweest. De hoofdstukken waarin Oz het lijdensverhaal opnieuw, vanuit het perspectief van Judas vertelt, zijn van een bittere en zeldzame schoonheid. Alleen al om deze, uiteindelijk toch nog geloofwaardig met de andere thema’s verbonden fragmenten, verdient Judas de hoogste lof. Het is een uiterst wijs maar ook een uiterst tragisch boek. Oz maakt vooral duidelijk dat de tegenstellingen zo diep verankerd en zo pijnlijk zijn dat er, in de woorden van Wald, ‘geen remedie voor de wereld is.’


Beeld: Amos Oz (Uzi Varon)