Deel #4: ‘Verlicht’ wandelen

Geen romantisch maar verlicht wandelen

In een zoektocht naar creativiteit, humanisme en vooruitgang loopt filosoof Ralf Bodelier dit jaar een omgekeerde kruistocht van Jeruzalem in Israël naar Bouillon in de Belgische Ardennen. In deel vier: met weemoed neemt Bodelier afscheid van Jeruzalem.

Met de grens van Libanon in zicht, liggen ruim 4000 kilometer nog uitdagend op mij te wachten. Wandelen door het drukke hart van Israël is voor een niet onbelangrijk deel wandelen langs autowegen, over industrieterreinen en door rafelranden van steden.

Inmiddels ben ik toe aan enige wijsgerige en literaire bezinning op mijn tocht. Die zou ik, bijvoorbeeld, kunnen halen bij Rousseau, Nietzsche en Thoreau. Bij de grote wandelaars uit de 18e en 19e eeuw.

Jean-Jacques Rousseau liep als 16 jarige van Geneve naar Parijs en publiceerde later Overpeinzingen van een eenzame wandelaar. Henry David Thoreau ging al lopend op zoek naar een verloren natuur en schreef Wandelen. En Friedrich Nietzsche sjouwde wel zeven uur per dag door de Zwitserse bergen van Sils Maria. Over zijn wandelingen schreef filosoof Henk Manschot Blijf de aarde trouw.

Hoe verschillend zij ook waren, al wandelend meenden ze stap voor stap nieuwe ideeën en inzichten te ontwikkelen. In zijn Overpeinzingen poneert Rousseau dat zijn wandelfilosofie, anders dan de ‘holle redeneringen’ van collega’s, gebaseerd is op werkelijke ervaringen. Volgens Manschot wilde Nietzsche al wandelend ‘aandachtig luisteren en kijken naar wat buiten te beleven valt en hoe dat ons raakt.’ Hij wilde ‘kunnen verwijlen bij de natuur zonder doel of richting, opgaan in het landschap.’ Thoreau tenslotte, kwam al wandelend door heuvels, bossen en wildernis tot een radicale afwijzing van rationaliteit, technologie en wetenschap.

Een hedendaagse opvolger van dit trio is cultuurfilosoof Ton Lemaire. Onlangs publiceerde hij Met lichte tred, een boek over de kunst van het wandelen inclusief een ‘diagnose van de moderne tijd’. En die moderne tijd ziet er volgens Lemaire allesbehalve fraai uit.

In een interview met het Vlaamse tijdschrift Knack lees ik dat Lemaire de ‘schaduwkant van het vooruitgangsdenken’ beschouwt. Lemaire is een man met een bijzondere traumatische ervaring. Geboren in oktober 1941 in Rotterdam, vertelt hij ‘nog heel vroege herinneringen’ te hebben ‘aan de vliegtuigen, de bommen, het vuur en de angst van de volwassenen’. Het bombardement op Rotterdam vond plaats op 14 mei 1940.

Hoe dan ook, volgens Knack draait het bij Ton Lemaire om de ‘destructieve kant van de consumptiemaatschappij’ en de ‘sociale en ecologische problemen die het rechtstreekse gevolg zijn van het onophoudelijke streven naar nog meer welvaart, nog meer groei.’ In de woorden van Lemaire zelf is dit een ‘collectieve obsessie geworden met pathologische trekken’. Fraai klinkt dat allemaal niet. Lemaire heeft dan ook zo’n afkeer van de moderne tijd dat hij zich in 1991 terugtrok in de Franse Dordogne waar hij sindsdien leeft als ‘ecologisch vluchteling’.

Tja, wanneer iemand zo zwartgallig in de wereld staat, dan vermoed je al waar wandelen volgens hem goed voor is. Inderdaad. ‘Door te wandelen bevrijd je jezelf even van de onaangename kanten van het dagelijks leven’, schrijft hij. ‘Dan beweeg je je in een alternatieve wereld, kom je los van de gevestigde samenleving met haar obsessie met markt, geld en consumptie. Wandelen is een vorm van stilzwijgend protest.’ Lemaire ziet de wandelaar dan ook als een rebel. Hij loopt langzaam en alléén door de natuur. Vanzelfsprekend heeft hij geen smartphone of gps-tracker bij zich. ‘Verdwalen moet een optie zijn’.

Veel fiducie dat dit wandelen ons werkelijk verder helpt, heeft Lemaire overigens niet. In het weekend banjer je dan wel door het bos, op maandagochtend ratrace je toch weer door je kantoortuin. Op zijn best dringt op de hei alle ellende nog eens goed tot je door. Sterker nog: ‘Tijdens wandelen komen alle problemen van deze tijd samen: de vervreemding van de natuur, de terreur van de auto, de geluidsoverlast, de commercialisering, migratie’, zegt Lemaire. Bovendien zal de auto nooit voor de wandelaar wijken. Met wat geluk komen er wat meer wandelpaden naast veel meer autowegen. ‘Tenzij er een verschroeiende crisis komt, economisch of ecologisch, die alles door elkaar schudt’. En dat is waarschijnlijk waar Lemaire stiekem op hoopt.
Rousseau, Nietzsche, Thoreau en Lemaire, het zijn romantische wandelaars. Hun wandelen door de natuur, is een terugtocht uit de wereld van de mens. Wandelen doe je alleen en eenzaam, te midden van de natuur. En wat je dan ontdekt, zo suggereren alle vier, is je ‘ik’. Het is je ware zelf, een zelf dat in in het razen van deze moderne tijd verloren ging en dat nu weer de kans krijgt boven te komen.

Dat klinkt interessant. Maar ik moet er niet aan denken om zo mijn omgekeerde kruistocht af te leggen. Bovendien: wat doe je wanneer je je aardig senang voelt in die moderne wereld met smartphone, gps en podcasts van de Groene op Spotify? Wanneer je je niet per se stoort aan auto’s, aan het geld en de consumptie? Wanneer je je ‘ik’ nooit bent kwijtgeraakt of wanneer je dat ´ik´ allang weer gevonden hebt? Of wanneer je er domweg geen behoefte aan hebt het te ontdekken, omdat er heel wat interessantere zaken te ontdekken zijn? En wat doe je wanneer je niet van eenzaamheid houdt en de natuur je feitelijk worst zal wezen? Ik vermoed dat Ton Lemaire je dan zal adviseren thuis te blijven.

Is er niet ook een andere manier van lopen mogelijk? Een niet-romantische? Bestaat er bijvoorbeeld ook een ‘verlichte’ manier van wandelen? Zoiets staat althans míj voor ogen.

Terwijl romantische rebellen als Lemaire vooral door de wilde natuur trekken, wandelen brave conformisten als ik zoveel mogelijk door de stad. De ‘Israel National Trail’ met haar woeste rotspartijen en pijnboombossen is zonder meer mooi, de moderne architectuur van Tel Aviv is prachtig. Zoeken romantische wandelaars op de eerste plaats zichzelf, ik ga vooral op zoek naar anderen. En terwijl zij hoopten vanuit dat nieuw-ontdekte ‘zelf’ frisse kennis en inzichten te ontwikkelen, hoop ik van die anderen te leren. Niet bij mijn herontdekte ik maar bij hén hoop ik nieuwe inzichten op te doen. Desgevraagd help ik ook hen graag aan nieuwe ideeën.

Ach, ik ben nog maar amper op weg. Met weemoed nam ik afscheid van Jeruzalem; van deze fantastische, heilige, idiote stad. Een stad waar ik de afgelopen dertig jaar al vaker naartoe reisde, maar die ik nu dus voor het eerst te voet verliet. Ik verwelkomde de sabbat in Tel Aviv en keek die zaterdag naar acrobaten en spelende kinderen in de Habaniem-tuinen. En verder liep ik weer, langs de autoweg naar Herzliya.

Nog nooit nam ik me voor zó ver te lopen. Nooit eerder was ik van plan om door zoveel landen te wandelen waarvan ik de taal niet machtig ben. Ik spreek geen Hebreeuws, geen Arabisch, geen Turks, geen Bulgaars, geen Roemeens, geen Hongaars… En toch wil ik met veel mensen praten. Heel veel mensen. Hoe ga ik dat in godsnaam aanpakken? Ik weet het niet. Nog niet.
Wat ik ook niet weet is of ik het fysiek wel aankan. Ik ben 59, op mijn rug draag ik ruim 10 kilo aan bagage, en op mijn tocht liggen tal van bergen: in Libanon en Turkije, in Bulgarije en Roemenië, de Alpen en de Eifel. Het zal koud zijn en flink regenen, hier in Israël en in Libanon. Het wordt heet op de Hongaarse Poesta. En het zal ijzig zijn wanneer ik in november en december door Duitsland loop. En dan is er nog iets met een virus.

Hoe breng ik het er mentaal van af? Elke ochtend vroeg op, moed verzamelen en weer dóór? Elke dag andere mensen om mee te praten, een ander adres om te overnachten, een ander bed om in te slapen. Wanneer ik die bedden al vindt, alleen al 50 dagen door het binnenland van Turkije is een, laten we zeggen, uitdaging. Wanneer ik überhaupt zo ver kom. Wie weet laat de coronaepidemie Lemaire’s droom van een ‘verschroeiende crisis, die economisch of ecologisch alles door elkaar schudt’ toch nog uitkomen.


Deze publicatie is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.