Wim Hazeu, Vestdijk: Een biografie

Geen saaie man

Wim Hazeu
Vestdijk: Een biografie
De Bezige Bij, 1003 blz., € 39,90

In 1987 verscheen een levensbeschrijving in zevenhonderd bladzijden van Simon Vestdijk (1898-1971) door Hans Visser. Dat boek werd van alle kanten neergesabeld, zowel vanwege de vorm als vanwege de inhoud. Hoewel ik het met die kritiek eens was, heb ik het boek de laatste achttien jaar vaak ge pakt om iets op te zoeken. De weduwe Vestdijk had aan Visser geen medewerking ge geven en dus had hij een groot aantal documenten niet gezien, zoals de brieven van Vestdijks «compagne» Ans Koster, met wie hij dertig jaar samenwoonde, en de brieven van Henriëtte van Eyk, met wie hij jaren een slepende en slopende verhouding had.
Die medewerking kreeg Wim Hazeu van Mieke Vestdijk wel. Zijn boek is daarom beter, en nog driehonderd bladzijden dikker. Ik ga die twee boeken niet vergelijken. Er wordt Hazeu nu verweten dat hij allerlei beweringen van Visser niet weerspreekt of onbesproken laat. Dat verwijt is idioot. Visser stierf in 2001. Zijn boek kunnen we rustig weggooien. De verdachtmaking dat Mieke Vestdijk alleen haar medewerking aan Hazeu verleende op voorwaarde dat hij schreef wat zij wilde, is even idioot. Hoogstens zou je kunnen zeggen dat de laatste pagina’s, over het sterven van de schrijver, sterk beïnvloed zijn door wat de weduwe daarover schreef, maar dat spreekt vanzelf.
Mijn vader fietste een keer naar Simon Vestdijk in Doorn en vertelde na terugkeer dat er in zijn werkkamer een papiertje hing waarop het rooster stond: «9-12 uur correctie, 12-13 poëzie, 14-17 roman, 19-22 essay», of zoiets. Vestdijks productie is groter dan van enig auteur uit de vorige eeuw (Couperus schreef al in de voorvorige eeuw), hij was zelden bij de gelegenheden waar schrijvers zich vertonen, dus je dacht: een saaie man die niets doet dan schrijven. Maar Vestdijk schreef een roman in een paar weken. En in de resterende tijd had hij helemaal geen saai leven.
Zijn jeugd en studietijd beschreef hij zelf in de Anton Wachter-romans, en zijn korte artsenleven in andere boeken. Veel lezers keken op van de talloze verliefdheden en nog tallozer vrijpartijen van Anton Wachter, maar het blijkt allemaal echt gebeurd te zijn. Zijn hele leven ging Simon direct op meisjes en vrouwen af. Het Duitse dienstmeisje woonde om de hoek en Ans Koster was een weduwe bij wie hij een kamer huurde. Simon zag uit zijn raam het dienstmeisje lopen, trok een regenjas over zijn pyjama aan, rende naar buiten en maakte een af spraakje. Simon zag zijn hospita en sprong bij haar in bed.
Zo wereldvreemd, slechtgekleed, slechtgeschoren als hij was veroverde hij in zestig jaar honderden vrouwen. Soms waren die twintig jaar ouder dan hij en soms veertig jaar jonger. Wat hij precies met ze deed, dat weten alleen die vrouwen, maar een bezorgde aantekening uit 1924 over een ontmoeting «zonder c(oitus) interr(uptus) of preserv(atief)» liegt er niet om. In 1944 informeert hij een vriend uitvoerig over anti conceptie-methodes. In 1966 noteert hij op huwelijksreis: «meer dan 20 keer in 4 maanden, op mijn leeftijd niet kwaad».
Meer tijd dan hij verdeed aan schrijven en aan vrouwen verloor hij aan zijn steeds weerkerende depressies. In zijn onafgemaakte laatste boek De persconferentie schrijft Vestdijk daar zelf over. Hazeu zegt een paar keer dat die depressies veroorzaakt werden door een biochemisch foutje in de hersenen. ’t Is mogelijk maar een door Hazeu geraadpleegd psychiater zegt terecht: «Het is wel zo dat die biochemische verstoring kan worden uitgelokt door psychische belasting.» Daar schieten we dus niets mee op. We doen de schitterende romans en gedichten van Vestdijk toch ook niet af met te zeggen: «Dat kwam door een stofje in zijn hersenen»?
Het leven van Vestdijk is fascinerend, juist in de niet hoogdravende en soms heerlijk vulgaire episoden, dus van mij mag zijn biografie dik zijn. Maar je krijgt toch de indruk dat Hazeu er vooral op uit was om zijn voorganger met driehonderd bladzijden te verslaan. De briefcitaten vullen zeker de helft van het boek. De citaten uit de recensies lijken ook de helft van het boek te vullen, maar dat kan natuurlijk niet, want Hazeu vraagt zelf ook het woord.
Niet minder dan 27 keer onderbreekt Hazeu het verhaal met een «intermezzo». Daar zijn nuttige bij over schrijvers als Du Perron en Reve, over vrienden als Bob Hanf en Mick de Vries, over dames als Fré Domisse en Jeanne van Schaik-Willing, maar ook to taal onnodige als over Ed de Nève en Sartre, over Negatieve vaderbinding en Angst in de eetzaal, over Binnendijk en Goedewaagen. De kunst van een biograaf is om zulke informatie in het verhaal te vlechten en weg te laten wat je kunt. Hazeu laat niets weg. Van elke romanfiguur krijgen we zijn echte naam. Van iedere roman krijgen we een korte inhoud, de recensies, de verkoopcijfers en als klap op de vuurpijl de oordelen die Maarten ’t Hart en ik tien jaar geleden als Vest dijk- maniakken over elke roman schreven op de achterpagina van NRC Handelsblad.
Als je een willekeurige pagina openslaat zie je, zoals gebruikelijk in een boek, een aantal alinea’s. Maar het oog bedriegt. Hazeu heeft de eigenaardige gewoonte om bij elk citaat een nieuwe alinea te beginnen. De alinea ervóór eindigt dan met de aankondiging van het citaat, dus met een dubbele punt. Als je er eenmaal op let is het uiterst irritant. Steeds weer komt na het citaat dat in de vorige «alinea» met een dubbele punt was aangekondigd, een zin die het nu weer aan de beurt zijnde citaat moet inleiden. Eigenlijk zijn zulke pagina’s dus zonder enige echte alinea.
Ik ga hier natuurlijk mijn lijstje van drukfouten niet opschrijven (ik zag er maar twintig die ik de auteur zal opsturen), maar ik verkneukelde me in een onterechte punt in plaats van een dubbele punt op bladzij 759 waar Hazeu de begrafenis van Ans Koster behandelt aan de hand van brieven van Vestdijk aan de aanwezigen. Een alinea, die begint met een citaat uit een brief aan Greshoff, eindigt met de krankzinnige mededeling: «Johan van der Woude bedankte hij voor de bloemen.» Met een punt achter bloemen. De volgende alinea begint met een citaat uit een brief aan die vader van Berend Boudewijn die met bloemen was gekomen. De punt achter bloemen had natuurlijk een dubbele punt moeten zijn. Een drukfoutje dat de truc met de alinea’s blootlegt.
Ook kleine verbeteringen die je zou kunnen maken, van het gehalte «De naam van zijn studiegenoot Cohen Kaz gebruikt Vestdijk ook in Pastorale 1943», ga ik niet opsommen. Een onzinnig verwijt zou zijn als ik zei dat de spannendste bladzijden in de biografie steeds weer díe zijn waarin Vestdijk zelf aan het woord is. Zo is de oorlogs geschiedenis in het gijzelaarskamp en de Scheveningse gevangenis geheel uit zijn brieven (en weer in Pastorale 1943) in zijn eigen woorden beschreven. De verwijten van Adriaan Venema over Vestdijks oorlogshouding worden overtuigend weerlegd, daar zijn de twee joodse onderduiksters niet voor nodig. Zij kwamen trouwens gewoon kamers huren in zijn huis maar Vestdijk raadde de waarheid. Wie weet van het algemene vooroorlogse antisemitisme, zelfs bij Ter Braak en Du Perron, ziet dat dit bij Vest dijk totaal afwezig is. Karakterzwaktes als een zekere lafheid en een zekere zuinigheid geven kleur aan een persoon die – hoewel hij zo vaak over zichzelf schreef, en zoveel anderen over hem schreven – een onbegrijpelijk mens blijft. Dat is zoals het hoort.
Achter de biografie plaatste Hazeu een aantal supplementen. Zoals: alle 46 adressen waar Vestdijk gewoond heeft. Die werden in de tekst ook al genoemd. Ja, zelfs wordt ons elke keer dat de hoofdpersoon een brief aan Du Perron in Parijs schrijft diens nieuwe adres in die stad weer verteld. Die staan al in Snoeks biografie van Du Perron. Totaal belachelijk zijn vier bladzijden met oordelen uit het jaar 2000 van zeventien personen, van Giphart tot Gerrit Glas, over de waarde van Vestdijks werk. Iedereen is erg tevreden, behalve Jessica Durlacher, die durft te beweren: «Vestdijk is geen taalkunstenaar (…) je ziet dat hij worstelt om uit te drukken wat hij wil zeggen» (drukfoutje verbeterd).
Vestdijk was nu juist wél een taalkunstenaar. Altijd, ook in zijn brieven. Als hij het woord buitenbaarmoederlijke opschrijft, zet hij er tussen haakjes achter: «lekker lang woord». Hij worstelt niet om uit te drukken wat hij wil zeggen, maar hij laat vaak zien dat een bepaalde visie ook tegengesproken kan worden. Als hij werkelijk worstelde zou hij de eerste aanlopen geschrapt hebben en het bij de laatste versie gelaten hebben, maar juist die eerste aanlopen tonen dat de werkelijkheid ingewikkelder is dan Dick Bos en Jessica Durlacher me nen.
Hazeu is geen taalkunstenaar. Zijn woordkeus verbaast soms. Enkele personen worden «stalker» genoemd: een onuitgenodigde vrouw en Vestdijks allereerste biograaf Nol Gregoor. Gregoor had zich toe gelegd op het uitzoeken welke echte mensen door Vestdijk gebruikt werden als ruw materiaal voor zijn romanpersonen. Dat bij vrijwel elke romanpersoon in Vestdijks oeuvre zo’n echt mens bestaat is op zich interessant. Die lui ook allemaal gaan opnoemen, is van minder belang. Gregoor kletste inderdaad wel eens informatie door die hij voor zich had moeten houden, maar zo iemand een «stalker» noemen gaat te ver. Vestdijk ontving hem toch steeds weer?
Mijn conclusie is dat met al mijn bezwaren tegen stijl en volume iedereen die in Simon Vestdijk geïnteresseerd is – dus: iedereen die twee boeken van Vestdijk gelezen heeft – deze biografie moet lezen. Er zal nooit een betere komen.