Werkloosheid: De politiek is verdeeld

Geen simpele oplossingen

De hoge werkloosheid baart de politiek zorgen, maar brengt haar ook in verlegenheid. Want wat kan ze doen? Er is veel kritiek op het kabinetsbeleid, maar ook verdeeldheid over wat dan wel kan helpen.

Medium asscher

Zou elektronicaconcern Philips er al spijt van hebben dat het zijn hoofdkantoor eind vorige eeuw heeft verplaatst van Eindhoven naar Amsterdam? De hoofdstad was toen in, daar wilde elk zelfrespecterend bedrijf zijn hoofdkantoor hebben. Liefst aan de Zuidas of anders op het Amstelplein.

Maar staat Amsterdam inmiddels niet symbool voor de eenzijdige diensteneconomie waar Nederland tot aan de crisis dacht het vooral van te moeten hebben? Waarbij de stad dan ook nog wordt geassocieerd met banken die met overheidssteun overeind moeten worden gehouden en postbusfirma’s die belastingontwijking bevorderen. Terwijl Eindhoven, nota bene de bakermat van Philips, nu bloeit en bruist van innovatieve bedrijvigheid en een stad is waar producten maken hoog in het vaandel staat. Is dat niet de nieuwe trend?

Het is misschien vreemd een verhaal over de hoge werkloosheid en de vraag wat de politiek daaraan kan doen zo te beginnen. Maar een aantal politici stelt de focus van Nederland op de dienstensector ter discussie. Eigenlijk is dat het enige waar ze het op grote lijnen over eens zijn: dat die focus te eenzijdig was.

Zo wil GroenLinks-fractievoorzitter Bram van Ojik af van het idee dat Nederland vooral een dienstensectorland is. Noemt cda-Kamerlid Pieter Heerma het een illusie te denken dat Nederland het alleen van de diensteneconomie moet hebben. En vindt d66-Kamerlid Steven van Weyenberg dat Nederland vooral moet nadenken hoe het nieuwe groei en meer banen kan creëren. Vervolgens was het minister-president Mark Rutte die tijdens zijn recente H.J. Schoo-lezing Eindhoven roemde als meest innovatieve stad ter wereld.

Vervolgvraag is natuurlijk of de politiek kan bijdragen aan die ommezwaai van diensteneconomie richting maakindustrie. Maar neem daarvoor niet het woord industriepolitiek in de mond, want menig politicus denkt dan aan het met belastinggeld overeind houden van noodlijdende bedrijven, zoals Nederland in het verleden heeft gedaan. Wel zijn een aantal te vinden voor een idee van de Tilburgse hoogleraar Ton Wilthagen om als overheid met behulp van een kostenmodel bedrijven te laten zien dat het voordelig kan zijn productie terug te halen uit lagelonenlanden. Wilthagen ontleent zijn idee aan de Verenigde Staten, waar reshoring door de regering-Obama wordt bevorderd onder het motto bring jobs back home.

Als bedrijven voorgerekend zien dat ze niet alleen naar de lage lonen moeten kijken, maar ook naar arbeidsproductiviteit en transport- en energiekosten kunnen ze tot de conclusie komen dat het uiteindelijk voordeliger is hun producten in eigen land te laten maken. Wilthagen verwijst naar een bedrijf dat zijn vestiging in China sloot en de productie terughaalde naar Tilburg, waar wordt gewerkt met behulp van robots die weer zijn ontwikkeld met kennis uit, inderdaad, Eindhoven. Weliswaar werken daar nu minder mensen dan voorheen in China, het leverde hier wel banen op. Wilthagen wil maar zeggen: ‘De maakindustrie in Nederland is niet dood, zoals we voorheen dachten.’

Vooral cda-Kamerlid Heerma en zijn pvda-collega Mariëtte Hamer zijn groot voorstander van reshoring. Ook vvd-Kamerlid Cora van Nieuwenhuizen zegt het ‘reshoring-verhaal’ te ondersteunen, maar voegt er direct aan toe daarvoor geen extra geld te willen uittrekken. Bestaande loonkostensubsidies, bijvoorbeeld voor ouderen, moeten bedrijven natuurlijk wel meenemen in hun afweging. ‘Ik vind het vooral een taak van het ministerie van Economische Zaken om de voorbeelden van bedrijven die hun productie uit andere landen hebben teruggehaald over het voetlicht te brengen.’

Volgens Hamer wordt in Nederland te snel gedacht dat de overheid niet over de industrie gaat. Ze is ook de enige die spontaan het woord industriepolitiek in de mond neemt: ‘Nee, ik ben niet bang voor dat woord, je bepaalt als overheid zelf hoe ver je daarin gaat.’

Hamer refereert aan het Topsectorenbeleid om te zeggen dat de Nederlandse overheid wel degelijk iets doet dat onder het kopje industriepolitiek valt. ‘Maar het is allemaal heel voorzichtig. Ik herken me wel in de kritiek van Wilthagen dat er te weinig kruisbestuiving is tussen die sectoren. Maar het grootste probleem vind ik het gebrek aan continuïteit in het overheidsbeleid. Ideeën en maatregelen zakken steeds weer weg. Dat komt mede doordat verschillende kabinetten elkaar zo snel opvolgen. Ik vind dat heel erg jammer. Los van wie er in het kabinet zit: dit estafettestokje zou echt moeten worden doorgegeven.’

Zal het volgende week tijdens Prinsjesdag en de daarop volgende Algemene Politieke Beschouwingen gaan over reshoring, over Nederland als maakland en de vraag hoe de Nederlandse politiek dat kan bevorderen? De kans is klein. Niet dat de al weer gestegen werkloosheid niet hoog op de agenda staat. Juist wel.

De werkloosheid wordt gezien als hét sociale probleem van deze tijd. Er zal rondom Prinsjesdag dan ook worden gewaarschuwd voor een verloren generatie of juist aandacht worden gevraagd voor de oudere werkloze die niet meer aan een baan komt. Ook de term ‘tweedeling in de samenleving’ zal vallen.

Oppositiepartijen staan in de startblokken om het huidige kabinet van vvd en pvda de hoge werkloosheid en het daarmee samenhangende persoonlijke leed en sociale ongenoegen te verwijten, terwijl de meeste politici toch ook beamen dat de politiek geen banen schept. Ook moeten ze toegeven dat Nederland als exportland erg afhankelijk is van het buitenland. Om dan het huidige kabinet te verwijten dat de wereldeconomie achteruit is gegaan, gaat wat ver. Maar meteen daar achteraan komt de maar. Het is eigenlijk alleen ChristenUnie-leider Arie Slob die hardop durft te zeggen dat ‘de werkloosheid de politiek in verlegenheid brengt’. Volgens hem wordt de politiek een grotere macht toegedicht dan ze in werkelijkheid heeft. Maar daar is dus niet iedereen het mee eens.

Het kabinet zal het verwijt krijgen dat het te veel bezuinigt. Dat het te langzaam hervormt. Dat het niet kiest voor een totaal andere, groene hervorming. Dat het kiest voor lastenverzwaring. Dat het de inkomens nivelleert. Allemaal kritiek met als argument dat als het kabinet dat beleid zou veranderen er meer mensen aan het werk zouden komen. Probleem: ook de critici zijn het onderling niet altijd eens.

Hoewel Arie Slob de politiek dus een bescheiden rol toedicht in de aanpak van het werkloosheidsprobleem is hij wel voorstander van even pas op de plaats bij het op orde brengen van de overheidsfinanciën: ‘De overheid moet oppassen dat door haar beleid geen banen verloren gaan.’ Maar collega-oppositiepartijen cda en d66 zijn niet voor een pas op de plaats. Bij vvd-Kamerlid Van Nieuwenhuizen hoef je, geheel in lijn met het standpunt van haar regeringspartij, ook niet aan te komen met minder bezuinigingen: ‘Als ons land als gevolg van een hoger financieringstekort de triple-A-status zou verliezen en we meer rente zouden moeten gaan betalen over de staatsschuld komen we helemaal in een dramatisch scenario terecht’.

Doembeelden als die van een verloren generatie moeten volgens Van Nieuwenhuizen ook niet te snel worden opgeroepen. Zelf behoorde ze ook tot een generatie die zo werd genoemd, in de jaren tachtig: ‘Maar die voorspelling kwam gelukkig niet uit, al heeft het voor mijn generatie wel wat tijd nodig gehad voor we een baan vonden. Nu zie je dat de vergrijzing er echt aankomt. Ik was laatst bij een werkgelegenheidsproject in Helmond. Daar worden jongeren opgeleid in het leggen van leidingen en kabels in de grond. Daar vertelden ze me dat er de komende jaren acht- tot negenduizend mensen wegens hun leeftijd dat vak gaan verlaten. Dan moeten er nieuwe vaklui klaarstaan.’

d66 op haar beurt zal aandringen op snellere hervormingen. Kamerlid Van Weyenberg hekelt de traagheid en halfslachtigheid waarmee het kabinet het ontslagrecht versoepelt en de werkloosheidsuitkering WW inkort. Wat hem betreft wordt het Sociaal Akkoord opengebroken dat het kabinet hierover heeft gesloten met de werkgevers- en werknemersorganisaties. ‘Bij de aanpak van de wao-uitkering in de jaren negentig en later bij het afschaffen van de vut werd ook steeds gezegd: dat wordt een drama, maar dat is niet uitgekomen. Het Centraal Planbureau heeft uitgerekend dat wat het kabinet wil met het ontslagrecht en de WW banen kost in plaats van oplevert. Het kabinet redeneert heel erg vanuit het herverdelen van banen, maar het gaat juist om meer banen en het geven van kansen aan mensen die nu aan de kant staan.’

pvda-Kamerlid Hamer vindt dat d66 raar redeneert: ‘Erg cpb-achtig. Als je mensen maar hun uitkering afneemt, dan komen ze wel aan een baan. Maar er zijn juist geen banen.’ Hamer kiest voor de rust op de arbeidsmarkt die het Sociaal Akkoord volgens haar heeft gebracht. Om daar even later nog aan toe te voegen: ‘d66 staat hierin ook redelijk alleen’.

Inderdaad is ook bijvoorbeeld fractievoorzitter Van Ojik van GroenLinks geen voorstander van snellere hervormingen: ‘Ik geloof er niet in dat als je nu het ontslagrecht versoepelt er meer banen komen.’ Hij pleit wél voor een andere hervorming –die volgens hem veel banen oplevert – waarbij hij dan overigens wél geloof hecht aan de cijfers van het cpb waarop hij zich beroept: het zwaarder belasten van kapitaal en energie in ruil voor het minder zwaar belasten van arbeid. ‘Waarom gaan we de sociale zekerheid niet financieren uit belastingen op kapitaal en energie? Het is toch vreemd dat die laatste twee veel minder zwaar worden belast dan arbeid?’

cda-Kamerlid Heerma heeft vooral kritiek op de lastenverzwaringen die op Prinsjesdag bekend zullen worden gemaakt en de inkomensnivellering die daar het gevolg van is: ‘De marginale druk wordt nog hoger, dat wat iemand overhoudt van zijn laatst verdiende euro daardoor nog minder. Het zijn de middeninkomens die dat betalen. Dat is geen bijdrage aan de oplossing van de crisis, want de Nederlander zal dan nog minder gaan uitgeven.’

Hierover heeft Diederik Samsom al gezegd ‘dat juist in crisistijd een eerlijke inkomensverdeling cruciaal is voor het draagvlak’. Het aantal banen dat de nivellering kost, noemde hij al een keer ‘gelukkig heel klein’. Oftewel: de pvda zal niet gevoelig zijn voor deze kritiek. En zal van oppositiepartij SP juist te horen krijgen dat die nivellering nog niet ver genoeg gaat.

Tijdens zijn lezing zei Rutte dat Nederland niet moet verwachten dat de economie weer gaat groeien zoals voor de crisis. Minder groei betekent ook minder banen.

Volgens GroenLinks-fractievoorzitter Van Ojik zal dat uiteindelijk gevolgen hebben voor de manier waarop tegen werk wordt aangekeken: ‘Werk is nu de norm en werkloosheid de afwijking. Maar we gaan toe naar een situatie waarin een volledige baan gedurende het hele leven niet meer zal bestaan. Misschien gaan we dan ook alsnog richting een kortere werkweek, ook al zijn vroegere voorspellingen daarover tot nu toe niet uitgekomen. Want bedenk ook dat de grote arbeidsbesparende innovaties in de zorg en het onderwijs nog in de kinderschoenen staan! Die krijgen we dus nog.’

Ook Mariëtte Hamer vindt dat de overheid moet nadenken over ‘een beetje ontspannen samenleving. Juist nu! Hoe zorgen we dat mensen werk en zorg kunnen combineren. Mensen moeten tijdens hun leven de ene keer meer en dan weer eens minder kunnen werken. Welke faciliteiten kunnen we daarvoor bieden?’


Beeld: Joyce van Belkom / HH

Bijschrift: Minister Asscher en burgemeester van der Velden van Breda tijdens de opening van het eerste transfercentrum in Etten-Leur. In dit centrum delen werkgevers cv’s en vacatures om mensen die werkloos worden zo snel mogelijk aan een nieuwe baan helpen